1955. Het jaar van mijn waarheid.

Citaat

Mijn vader overleed in 1955.

Doodgaan is een nare zekerheid, maar we rekenen er meestal op dat dit gebeurt als we oud zijn. Wat is oud? Mijn vader was vierenveertig jaar en ik herinner mij dat ik, zelf nog geen achttien, dit al behoorlijk oud vond.

Oud is relatief. We relateren alles altijd aan de levensduur van de mens; honderd jaar is dan al heel oud. Vroeger vonden primitieve mensen zesduizend jaar bijvoorbeeld héél oud, zo oud als de wereld. Tegelijkertijd vonden ze het gewoon dat Methusalem negenhonderdnegenenzestig jaar werd en dat Noach nog kinderen kreeg rond zijn vijhonderdste levensjaar. Maar goed, dat was een ander mensenras, dat waren de mensen van voor de zondvloed, die slecht waren en dus door God verzopen werden.

Tegenwoordig rekenen we dankzij meneer Hubble terug tot de oerknal; zeventien miljard jaar. En volgens de laatste M-theorie van de kosmologen en wiskundigen is dit minder dan een flits in het ruimtetijdbeeld van de miljarden universums die bestaan. Dus wat zitten we hier op dit aardkluitje ijdel te doen, alsof wij mensen er iets toe doen, alsof leven en dood belangrijk zijn.

Mijn vader was al bijna twintig jaar ziek en had eigenlijk zullen overlijden op zijn zevenentwintigste, vrij kort na mijn geboorte. Maar door een medisch onverklaarbaar wonder ging hij niet dood maar herleefde nadat artsen hem in arren moede een ruggenprik hadden gegeven. Je moet nagaan dat we in 1939 leefden, nog maar kort nadat Hubble het bewijs had geleverd voor de big bang, die tot dan toe alleen in theorie bestond. Ik bedoel maar, de wetenschap stond in de kinderschoenen, ook medisch gezien. Wie had toen de computer kunnen voorspellen? De tablet? De nanotechnologie?

Mijn vader werd in december 1954 opgenomen in het Wilhelmina Gasthuis met als diagnose pleuritus. Hij hoestte zich een ongeluk. Opgewekt en vol goede moed zat hij rechtop in bed op een zaal met mannen die er ogenschijnlijk slechter aan toe waren. Mijn vader was erg goed in ‘het zich groothouden’. Fysiek had hij wat dit betreft veel mee. Als jongen, van scholen gestuurd, kwam hij te werken bij zijn vader in de zaak, een aannemersbedrijf. Stenen sjouwen, steigers beklimmen, vrachtwagens besturen en veel feestvieren met vrienden waartoe hij over voldoende zakgeld beschikte. Verpleegsters vielen voor mijn vader, evenals buurvrouwen. Als wij op zaterdagavond naar het Zuiderbad gingen, wij samen, hij en ik in een kleedhokje, de intiemste momenten die ik met hem heb meegemaakt, dan keken de mensen naar zijn gespierde lijf, zijn strakke buikspieren, spierballen, afgetekende billen in zijn zwembroek. Trots was ik. Het water klapte open als hij erin dook. Zo wilde ik ook worden en vanaf jonge leeftijd oefende ik, waardoor ik tijdens gymnastiek een van de besten was en in het Zuiderbad met ware doodsverachting zweefduiken maakte van de hoge duiktoren.

Mijn vader verkocht teakhouten deuren en andere houten bouwmaterialen. Begin jaren vijftig bezocht hij de wederopbouw op de fiets en op woensdagmiddagen fietste ik vaak met hem mee. Het was een sensatie toen hij de fiets verruilde voor een auto, een donkergroene Skoda. Wat een prachtige wagen. De enige auto bij ons in de straat. Nu kon ik op woensdagmiddagen mee in de Skoda en mocht ik onderweg, schuin hangend op zijn schoot, het stuur bedienen. En later op een stil bouwterrein mocht ik kleine eindjes zelf rijden, tenslotte kon hij zelf ook al autorijden toen hij zestien was.

In december 1954 zat hij dus weer eens in een ziekenhuisbed. Hij was er altijd nog uitgekomen, dus maakte hij zich – althans in onze ogen – ook deze keer geen zorgen. Pleuritus. Ach, toen hij terugkwam uit Friesland in de winter van 1943 met een volgeladen fiets op massieve banden, met meel, boter, suiker voor zijn gezin, had hij immers ook pleuritus.

Voor de kerst ben ik weer thuis, zei hij. Maak je geen zorgen – dit tegen mijn moeder die zich wel degelijk zorgen maakte natuurlijk, omdat zij zowat haar hele huwelijksleven had opgetrokken met een zieke man die net deed of hij niet ziek was. Dat hij in die Skoda geen ongelukken heeft gemaakt is een wonder. Wij maakten bijvoorbeeld met het gezin een tochtje op zondag en mijn kleine broertje – toen een jaar of zeven – en ik zaten achterin en ik herinner mij hoe vaak mijn moeder dan boos, opgewonden, geëxalteerd mijn vader toeriep dat hij de auto aan de kant moest zetten.

“Joop! Joop!! Stop nou, zet de auto even aan de kant. Je moet suiker hebben!”

Mijn vader moest vaak suiker hebben. Voor ons kinderen was dat gewoon, maar het ging veelal gepaard met ruzie. Mijn vader zei namelijk altijd nee. Hij accepteerde zijn ziekte niet, dat snap ik nu ook wel. Hij had zwaar suikerziekte, gekregen toen hij net niet dood ging op zijn zevenentwintigste. Twee keer per dag de spuit insuline erin en als het ‘eten’ dan niet synchroon liep met de insulinetoevoer werd mijn vader ‘niet goed’ zoals mijn moeder dit benoemde. ‘Je vader wordt niet goed!’ gilde ze dan door de auto.

Suikerpatiënten kunnen in coma geraken. Het schijnt regelmatig te zijn voorgekomen dat mijn vader nog net zijn auto in Haarlem voor de deur van mijn oma – zijn moeder – kon parkeren, te laat voor de lunch en dus niet meer in staat om uit de auto te komen. Ook mijn oma was hierop getraind en hield elke dag rond lunchtijd de stoep voor haar deur in de gaten.

Mijn vader kwam met kerstmis niet thuis uit het Wilhelmina Gasthuis. De artsen hadden een stukje uit zijn hals gehaald, een kleine operatie waar zowel hij als wij het nut niet van inzagen. Communicatie tussen arts en patiënt was toen ongebruikelijk. De patiënt was onmondig, een lijdend voorwerp. Het was voor ‘onderzoek’, zoveel wisten we wel en omdat mijn vader opgewekt rechtop in bed bleef zitten en elke dag beweerde dat hij spoedig naar huis mocht, maakten wij ons geen zorgen, dat wil zeggen wij kinderen, want mijn moeder zal zich ongetwijfeld heel erg zorgen hebben gemaakt. Maar hij had gelijk, ergens in januari mocht hij naar huis. Op een woensdag, zomaar ineens. Hij kwam met een taxi en een brede grijns op zijn magere kop, joyeus in het pak, hoed een beetje scheef, daar was hij weer. Hem kregen ze niet klein!

’s Avonds zat hij weer oudergewoonte aan het hoofd van de tafel en Adriana, zijn gelukkige vrouw, had uiteraard heerlijk gekookt, met een lekker stukje vlees en een geurig soepje vooraf. Nou, de soep ging nog wel een beetje. Wij zaten met open mond naar zijn worsteling te kijken en dan grijnsde hij maar een beetje.

“ Ja het slikken gaat nog wat moeilijk… komt wel goed.”

Nooit had hij verteld dat hij in het ziekenhuis met veel moeite vloeibaar voedsel toegediend had gekregen. Het was erg om die grote man zo te zien knoeien, hij proestte en hoestte en schoof uiteindelijk machteloos zijn bord opzij.

“Het gaat even niet…” stelde hij vast.

Mijn moeder huilde, zachtjes, stille tranen kropen over haar wangen. Het eten bleef staan, mijn vader stond op, streek haar over het hoofd en liet zich – opvallend omzichtig – in zijn rookstoel zakken om een sigaretje op te steken. Dit was niet de bekende vader, die zich met een zwaai in zijn stoel wierp en mij om een vuurtje vroeg. Gewoontegetrouw haalde ik de aansteker van zijn bureau, waaraan hij iedere avond zijn rapporten schreef die ik dan nog net voor negen uur op de bus mocht doen, de brievenbus die toen nog achter op de tram hing en de post meenam naar het station. Mijn moeder ruimde de tafel af. Niemand had iets gegeten, eten zou te pijnlijk zijn geweest, dat voelden wij kinderen zelfs, onbewust. Mijn kleine broertje kwam welterusten zeggen, terwijl vader met zijn sigaret zat te frummelen. Roken lukte ook al niet erg.

“Ha witte” zei mijn vader, oudergewoonte. Maar Hansje klom niet, zoals gewoonlijk, op zijn magere knie, alsof het jongetje voelde dat dit teveel zou zijn. Hij hing een beetje verlegen tegen de broekspijpen van vaders goeie pak, terwijl die hem over zijn witblonde haren streek. Heel zachtjes, heel teder. Geen wild spelletje deze avond, geen uitgelaten gekraai, geen grappen en gekke bekken. Het was alsof mijn vader afscheid nam van Hansje, echt afscheid, dus meer dan welterusten en lekker slapen. Ik mocht de peuk uitmaken, een halve sigaret nog waaraan hij nauwelijks getrokken had.

Het leven was niet normaal, zijn thuiskomst niet het feestje waarop wij ons verheugd hadden. “Joop, je moet maar vroeg naar bed gaan”, zei mijn moeder. En het vreemde was, dat hij het hiermee eens was. Ik zie hem nog wat gebogen en vermoeid de kamer uitlopen in zijn mooie pak. Het was de laatste keer dat hij het droeg.

In de loop van de donderdagochtend verscheen mijn vader in zijn ochtendjas, zo te zien fris gewassen, haren gekamd en met de bekende grijns op zijn geschoren gezicht. Je vraagt op zo’n moment als zeventienjarige jongen niet hoe het met je vader gaat. Je bent blij als je hem ziet grijnzen en knipogen. Ha, dat gaat de goede kant op, je vader is je vader en neemt er een rustig dagje van. Pas ziek geweest. Voor de gelegenheid was ik trouwens thuis gebleven van school, om van zijn thuiskomst te genieten en het een beetje te vieren zoals mijn moeder zei.

Er stond een ontbijtje op tafel, met een zacht gekookt eitje waarvan hij zo hield. Manmoedig begon hij eraan, maar het was nog treuriger dan de avond ervoor. Lang zat hij met een hapje ei in zijn mond, om het dan uit te spugen en een slok thee te nemen die hij ook duidelijk niet doorslikte. Voor het eerst van mijn leven zag ik radeloosheid in de ogen van mijn vader. Hij knipoogde nu niet naar mij, maar keek als een angstig dier om zich heen. Hij zocht redding. Wat kon ik doen? Ik liep naar de zijkamer en ging achter de piano zitten, met mijn rug naar hem toe. Dit wilde ik niet zien. Mijn linkerhand speelde gedachtenloos het bluesschema, maar ik kon er met geen mogelijkheid de bovenhand bij bedenken. Het klonk als de dodenmars.

Achter mij hoorde ik mijn moeder met hem spreken, maar ik wilde het niet horen. Hun stemmen klonken bijna fluisterend en toen nam zij hem mee de kamer uit. Door de geopende deur kon ik hen door de gang zien schuifelen, hij zwaar leunend op haar schouder, terug naar bed.

Op vrijdag hebben we een bed in de woonkamer gezet, voor het raam. Daar zat hij tenminste niet zo alleen. Onze huisarts kwam, want de pijn begon onverdraaglijk te worden. Hij kreunde voortdurend en mijn moeder was in de weer met natte lappen en eau de cologne. Mijn god, mijn vader was erg ziek! Hij sprak geen woord meer, reutelde nu en dan en jammerde als een klein dier. Onze huisarts gaf hem een spuit morfine. Uw man heeft erg veel pijn, verklaarde hij. Als hij begint te kreunen kunt u hem gerust een injectie geven, kunt u dat? Nee, mijn moeder kon het niet, zij had haar hele huwelijk het injectieritueel meegemaakt, van pijnlijk dichtbij. Mijn vader met zijn setje voor zich op tafel. De watten, de ether, de alcohol, de capsules met insuline en de spuit. Het ene dijbeen, het andere dijbeen, de linkerarm, de rechterarm…de man zal vol prikken van twintig jaar injecties en mijn moeder kon het niet, kon daar niet nog een gaatje bij prikken in die huid die haar zo lief was.

“Zou jij je vader een injectie kunnen geven?” vroeg dokter Hartman – zijn ware naam en wat een goede naam! – aan mij en uiteraard zei ik ja. Ik had het hem honderden keren zien doen, vloeistof opzuigen, even de lucht eruit spuiten, huid schoonwassen met alcohol, naald schuin tegen de huid en prikken maar. Goed doorprikken en na afloop even een watje met alcohol op de huid drukken. Klaar.

Vanaf die ochtend was ik de verpleger. School was ver weg, het enige dat telde was het gekreun van mijn vader. Als hij zachtjes geluid begon te maken, moesten we eerst afwachten, totdat het kreunen luider en luider werd en je aan zijn gezicht kon aflezen dat hij pijn had. Dan ging de morfine er in. Twee, drie keer per dag. Vredig lag hij daarna in onze woonkamer en we deden alsof het gewoon was. Mijn moeder vond dat ik best piano mocht spelen en soms speelden we alletwee, zij beter dan ik want zij was tenslotte pianolerares geweest. We aten gedrieënlijk aan tafel, maar mijn moeder dekte ook voor hem aan het hoofd.. Zo werd het zondag en mijn vader kreeg familiebezoek uit Haarlem. Oma en opa – zijn ouders dus – zijn oudere broer oom Wim met tante Greet, zijn jongste zus tante Jo en haar man Jojo, zijn zwager Theo met oudste zuster tante Nel. Alsof het een verjaarsvisite was zaten ze rond de tafel aan de koffie en de taart die ze hadden meegebracht. Ik weet nog hoe hun luide stemmen mij ergerden. Hou je koppen dicht! Ik had het willen schreeuwen, maar we hadden afgesproken dat we gewoon zouden doen en dat deden zij tenslotte. In een hoekje van de zijkamer gezeten, achter het bureau van mijn vader, kon ik hem goed in de gaten houden, maar hij gaf geen enkel teken dat het rumoer hem hinderde.

Gelukkig bleef het bezoek niet lang, ze gingen na een uurtje weer weg, in optocht langs het bed van mijn vader; ‘dag Joop, hou je taai Joop, het beste Joop, sterkte Joop’. Maar Joop reageerde niet, die lag lekker in morfineland, daar had ik wel voor gezorgd, een zondagse dosis die had hij wel verdiend!

Ondanks zijn chronische ziekte had mijn vader een sterk lichaam, volgens dokter Hartman. ‘Anders had u hem niet zo lang bij u mogen houden…’ zei hij tegen mijn moeder. ‘Het is een wonder zo als uw man het heeft volgehouden, een sterke man’.

Mijn moeder huilde trots, ja zij had een bijzondere man, een sterke man, eigenwijs, lastig, ziek, maar een man waarop vrouwen jaloers waren als ze hem zwierig in zijn auto zagen stappen.

Bijna was zij hem kwijt geweest, een paar jaren daarvoor. In mijn herinnering een warrig verhaal, ik was pas dertien of veertien en buitenechtelijke relaties was geen onderwerp waarmee je als aankomende puber vertrouwd was. Vader en moeder waren in jouw ogen oudere mensen die – nou ja – vader en moeder waren. Geen mensen. Geen man, geen vrouw, geen seks. Dit waren de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen het boek “Het volkomen huwelijk” met schematische tekeningetjes, ongeveer het meest erotische boek was dat je als jongetje te pakken kon krijgen. Het lag in de linnenkast, onder een stapel lakens. De arts die het had geschreven, een zekere van de Velde, werd door schrijver Menno ter Braak een kruising genoemd tussen een seksuoloog en een gymnastiekleraar. Bijzonder boeiend vond ik de technische tekening van het vrouwelijke geslachtsorgaan, met genummerde onderdelen, zoals bij een ingewikkeld apparaat.

Op een middag rijd ik op mijn fietsje langs hotel restaurant Sweering op de hoek van de Nicolaas Witsenkade en het Oosteinde. De grote ramen bieden inzicht in het sfeerrijk verlichte interieur van het grand café – hoewel dit toen nog niet zo werd genoemd – en de bar. Tot mijn verpletterende verbazing zie ik in het voorbijrijden mijn vader daar binnen! En hij is niet alleen. Hij is vergezeld van een meisje met veel blonde krullen. Het duurt even voordat ik de bezinning krijg om te remmen en langzaam terug te lopen, vijftig meter naar dat grote allesvertellende raam. Maar, tot mijn opluchting is het café leeg. Niemand te zien. Heb ik mij dan zo vergist? Verbeelding? Hallucinatie? Maar er mankeert mij toch echt niets aan mijn ogen! Aan de andere kant, wat doet mijn vader daar. Hij is aan het werk, onderweg in zijn Skoda. Het is volstrekt onmogelijk dat ik hem heb gezien, vooral ook omdat ik nooit deze weg kies vanuit school. Toevallig rijd ik vandaag over de Weteringschans en het Oosteinde. Toevallig kijk ik naar binnen. Toevallig staat daar mijn vader met…

Gezichtsbedrog, zinsbegoocheling. Zulk toeval bestaat niet.

Desalniettemin fiets ik in zorgelijke stemming naar huis. Wat moet ik met hetgeen ik heb gezien of niet gezien? Mijn moeder vertellen? Ha, zij zal mij voor gek verklaren! Dit is natuurlijk ook te gek voor woorden, mijn vader met een meisje in een café. Hij gaat nooit naar een café. Ja, één keer in de week op donderdagavond, biljarten op de Ceintuurbaan bij Witteveen.

Er gaan een paar weken voorbij, waarin mijn vader gewoon op tijd thuis komt en op donderdagavonden gaat biljarten. Niets aan hem te merken. Alles gaat zijn gangetje en ik begin het meisje met de blonde krullen te vergeten. Een waandenkbeeld, ik heb me vergist, dat moet een andere man zijn geweest die toevallig van een afstand een beetje op mijn vader leek.

Dan op een donderdagavond barst de bom. Mijn moeder in alle staten, schreeuwen, krijsen, huilen. Ik kom te voorschijn uit mijn kamertje waar ik mijn huiswerk zit te maken om een scène te aanschouwen die klassiek is. De bedrogen echtgenote is er achter gekomen! Mannen zijn natuurlijk stom in dit soort akkefietjes, dat weet ik nu ook wel, maar toen vroeg ik mij af hoe mijn moeder hem had betrapt. Ook bij Sweering soms? Was zij toevallig ook langs dat grote raam gekomen? Maar het bleek anders te zijn.

“Jij stinkt elke donderdagavond naar de goedkope parfum, er zit lipstick op je overhemd, smeerlap, vertel mij maar niet dat je gaat biljarten. Ja, met je korte keu! Viezerik!”

Enfin, de aap was kennelijk uit de mouw gekomen en mijn vader ontkende niets. Hij stond er afwachtend bij en liet haar razen en tieren. Dus toch, dacht ik. Blonde krullen, er zullen wel gekrulde haren op zijn pak hebben gezeten.

“Mijn hele leven offer ik voor je op” vervolgde mijn moeder. “ Altijd zorgen, nooit geld, altijd loop ik je achter je kont aan, goed verzorgd is meneer, elke dag een schoon overhemd! En net nu het een beetje beter gaat, nu meneer een paar centen in zijn zak heeft gaat hij aan de haal met een meid, een hoer!”

Hier herinner ik mij dat mijn vader protesteerde. Het was geen hoer. Ik ben vergeten hoe het verder afliep, want het was schokkend om je ouders zo tegenover elkaar te zien staan. Ik trok mij stil terug in mijn kamertje en probeerde mij op het huiswerk te concentreren, terwijl in de woonkamer de schelle stem van mijn moeder nu en dan werd onderbroken door sussende moppergeluiden van mijn vader.

Vanaf die avond heerste er een ijzige stilte in huis. Er werd weinig gesproken, ook niet tijdens het eten dat mijn moeder op tafel kwakte. “Hier je eten. Kan die meid ook koken? Of kan ze alleen maar wat anders?”

Wij kinderen slopen zoveel mogelijk uit de buurt, want anders kregen we nu en dan een grauw. Wij zaten in de weg, levende symbolen van een huwelijksleven. Maar er was geen huwelijksleven meer. Mijn vader ging nu elke avond biljarten en als hij thuiskwam lagen wij al in bed.

Op een avond, na het eten, vader was al weg, het zal misschien een week na de explosie zijn geweest, ging de telefoon. In die tijd was zoiets nog bijzonder. De telefoon stond op het bureau van mijn vader en was een soort symbool van zijn zakelijk leven, hoewel ik hem nooit ’s avonds een zakelijk gesprek heb zien voeren. Helemaal geen gesprek. Maar goed, de telefoon ging en mijn moeder nam op. De stijgende verbazing was op haar gezicht goed af te lezen. Ik stond ernaast en hoorde een vrouwenstem, luid en duidelijk. Mijn moeder leek met stomheid geslagen en liet een tirade over zich heen spoelen, een klaterende woordenvloed die uit de zwarte hoorn sproeide.

“ Ja, dat is goed” zei ze uiteindelijk toen het stil werd aan de andere kant. “ Ja ja komt u maar, ja dat is het adres, nee hij is niet thuis, nee natuurlijk niet…”

Zij legde behoedzaam de telefoon op de haak en ging aan tafel zitten. Ik was nieuwsgierig, maar dorst niets te vragen. Dat hoefde ook niet, want zij draaide zich naar mij toe met een blik die een mengeling toonde van pijn en verwondering:

“ Haar moeder komt zo dadelijk hier, de moeder van die meid.”

Meer verklarende tekst was niet nodig. Inmiddels was ‘die meid’ een begrip geworden dat mijn moeder te pas en te onpas verwoordde met een gezicht alsof ze iets heel smerigs op haar tong proefde.

Een half uurtje later werd er aangebeld en boven aan de trap verscheen een vrouw, die er niet uitzag als een moeder, althans niet in mijn ogen. Zij leek nog wel jonger dan mijn eigen moeder! Een soort dame was het om te zien. Mijn moeder gaf haar vormelijk een hand en nodigde haar uit in de woonkamer. Stiekem installeerde ik mij in de zijkamer achter het bureau van mijn vader, maar dat had mijn moeder in de gaten en zij stuurde me weg.

“Ga jij je huiswerk maar maken. Dit is geen gesprek waar een jongen bij hoeft te zijn.”

Zij behandelde mij als kind, hoewel ik bijna net zo groot was als mijn vader en al dons op mijn kin begon te krijgen, om over het bosje haar onder mijn buik maar te zwijgen! Ik wist donders goed hoe mannen en vrouwen neukten, ik had de plaatjes goed bestudeerd.

De mevrouw, die dus de moeder was van het blond gekrulde meisje, bleef vrij lang op visite en met de deur van mijn kamertje op een kier en mijn oor een beetje in de gang kon ik nu en dan volgen waarover het ging. Het ging erover dat mijn moeder verdorie haar echtgenoot een beetje in de gaten moest houden! Die man zat achter mevrouws dochter aan, een net meisje van negentien jaar, wat moest die met een getrouwde man! Wilde mijn moeder scheiden? Nee, dat wilde ze niet. Nou dan, zorg dat die vent van jou met zijn poten van mijn dochter afblijft!!

De tekst werd gaandeweg ruwer, de toon luider, zodat ik het einde goed kon volgen. Bijna ruzie. Mijn moeder kwaad op de mevrouw omdat haar dochter achter getrouwde mannen aanzat en mevrouw kwaad op mijn moeder die verdomme moest zorgen dat haar man met zijn poten van jonge meiden afbleef. De gangdeur klapte hard dicht achter mevrouw en op de trap hoorde ik haar nog roepen.

“Hou die man van je thuis en zorg dattie van mijn dochter afblijft!”

Dit was niet het einde van het huwelijk van mijn ouders. Zij maakten het weer goed. Dat kon ook niet anders. Mijn vader, met zijn zieke lijf en zijn leren etui met injectiespuit en insuline, kon natuurlijk niet het leven leiden van een jonge god met een speelse meid aan zijn zijde. Ik gun het hem, nu nog, dat hij een paar jaar voor zijn dood nog een keertje leuk bezig is geweest. Ik weet hoe verfrissend zoiets kan zijn, voor een man. Of liever gezegd, voor een mens, want ook de vrouw heeft wel eens behoefte aan een versierd verzetje. Maar daar gaat dit verhaal niet over.

In het huwelijk had mijn moeder uiteraard alle macht in handen. Een gewone man kan al nauwelijks zonder zijn vrouw, laat staan een zieke man. Bovendien was zij gek op hem, dat is mij wel duidelijk geworden, bijvoorbeeld als zij jaren later naast mij in de auto zat en over mijn hand streelde die ik aan het stuur had. “Je hebt dezelfde handen…” zei ze dan en het deed bijna pijn haar dit zo zachtjes te horen zeggen.

Mijn ouders maakten het weer goed en gingen op vakantie, met de Skoda. Hun laatste vakantie. Er zijn veel zwart/wit kiekjes van hun reis, mijn vader op het spatbord van de auto, mijn moeder op de motorkap, zij samen langs de weg in een hooischelf of ergens op een klein terras met een karafje wijn.

“Hij was toen al erg moe” zei mijn moeder later.

Ik heb mijn vader ongeveer een week morfine mogen toedienen en ik hoop dat hij een mooie week heeft gehad, zijn laatste week. Ooit heb ik zelf in een ziekenhuis, na een pittige operatie, een paar dagen morfine gekregen en ik herinner mij de roze wolken en de ontroerende schoonheid van de verpleegsters. Mijn vader zal dus ongetwijfeld mooie dromen hebben gehad, want ik was niet karig met de spuit en dokter Hartman was een man met een hart. Uiteindelijk werd de ademhaling zwakker, elke dag een beetje, elk uur nog een beetje totdat hij aarzelend begon in te ademen alsof hij, diep in zijn droom, niet zeker meer wist hoe dit moest. Hij stopte nu en dan gewoon even en ging dan weer verder, tot opluchting van mijn moeder. Maar op zaterdagavond stopte hij definitief. We zaten samen, broertje al naar bed, te hopen en te smeken naast zijn bed. ‘Hé Joop! Ademen!’ Maar hij stopte voorgoed. Dit was dus dood, zo ging je dood, je stopte gewoon met ademen. Mijn moeder greep de telefoon in de zijkamer, alsof zij dit van te voren had ingestudeerd, en draaide een telefoonnummer. Van mijn oom Theo, bleek later. Die kwam meteen, dat wil zeggen, binnen een uur was hij er, helemaal uit Haarlem. Hij had een groot garagebedrijf en bezat voor die tijd snelle auto’s. Oom Theo legde mijn vader netjes recht in bed, schudde het kussen op en dekte hem zorgvuldig toe. Daarna ging mijn moeder koffie zetten.

De volgende dag, zondag, kwam de rest van de familie en net als de vorige keer zaten ze rond de tafel te kletsen, met koffie en taart, alsof het overlijden van echtgenoot, broer, zoon en zwager gezellig was. Goede reden voor een familiebijeenkomst, gezellig om elkaar weer eens te zien. Mijn moeder vroeg of ik piano wilde spelen en ik speelde het Nonnenkoor (uit de kast van opa) omdat mijn vader dit mooi vond, vooral als mijn moeder erbij zong. Maar dat deed zij nu niet. Er zijn foto’s in oude albums waarop je hen beiden ziet, zij piano spelend, hij half over haar heengebogen samen met haar de muziek lezend en zingend.

Hoe het met de crematie verder geregeld werd, dat weet ik niet. Kan mij daar niets van herinneren. De herinnering komt pas weer als we in een klein en somber zaaltje zitteen van het crematorium in Driehuis-Westerveld. In 1955 nog niet met de grandeur en lichtvoetige ruimtelijkheid van tegenwoordig. Cremeren was in dat jaar eigenlijk nog illegaal en werd pas na de dood van mijn vader gelegaliseerd. Het verklaart misschien mijn herinnering aan de obscuriteit van het zaaltje.

Op een podiumpje met zwarte gordijnen stond de kist en een doodgraver vroeg met gepaste stem wie van de aanwezigen het woord wilde voeren. Het was een vreselijk moment. Want niemand stak zijn vinger op, het bleef muisstil in dat zaaltje met familie en wat vrienden en kennissen en hier en daar hoorde je gekuch en geschuifel van voeten. Wat er toen gebeurde zal ik niet gauw vergeten. Mijn vriend Joop – dezelfde naam! – stond op en liep naar het katheder.

Joop was vanaf mijn twaalfde, op de middelbare school, mijn boezemvriend. Hij was de zoon van arme mensen die een alkoofwoning bewoonden in de pijp, bij de Albert Cuyp markt, nu een incrowdbuurt, toen pure armoede. Omdat Joops ouders hem niet konden meenemen op vakantie, want ze gingen nooit op vakantie, mocht hij ‘s zomers met ons mee naar het huisje dat we ergens hadden gehuurd in een bos of aan een strand. Hij en ik gingen daar dan op de fiets naar toe, wat soms een dag fietsen was, maar in die jaren was je als jongen ongeveer vergroeid met je fiets. Je deed alles op de fiets. Heen en weer naar Zandvoort, meisje op de stang, geen probleem hoewel je een paar keer moest afstappen omdat zij stijve billen kreeg. Op vijftienjarige leeftijd fietsten Joop en ik naar zuid Luxemburg, door de Ardennen op twee herenrijwielen met terugtraprem en een extra gemonteerde handrem op de voorband, want in die heuvels had je extra remkracht nodig. Wij lieten ons met de gevulde fietstassen aan de bagagedrager, als een steen de bergen afrollen. Onverantwoord, maar spannend, temeer daar deze snelle afdalingen de beloning waren van een ongelofelijk zware ploetertocht bergop. Het was onze eer te na om af te stappen en te lopen.

Het was heel dapper van Joop om daar op dat podium te gaan staan, in dat zaaltje, naast mijn vader. Een jongen van zeventien jaar. Dat de broer, zwagers, zusters en anderen zich niet rot schaamden! Ik kon het niet, zei de broer. Nee, ik kon het niet, zei de zwager. Enfin, Joop kon het wel en nadat hij gesproken had, kon ik het ook. Wij hebben samen mijn vader uitgeleide gedaan, met een goed verhaal, over zijn enthousiasme, zijn mooie trap met voetballen, zijn handigheid tijdens het kaartspel.

Vierenveertig was ook mijn moeder toen hij overleed. En omdat die speelse man pas een paar jaar serieus geld verdiende en daarvoor een wisselvallige carriére had gemaakt, met ziekte en faillissement waar natuurlijk ook nog de oorlog tussendoor was gekomen, kortom omdat het nog maar zo kort echt góed ging was er van pensioen nauwelijks sprake. Hoewel mijn vader bij zijn leven de kroonprins was van de houtwarenfabriek in Noordwijk, bleek hij na zijn dood door beide fijnchristelijke eigenaren snel vergeten. Mijn moeder kreeg nog een paar honderd gulden en daarna hoorde ze nooit meer iets. Met een kind van elf en haar oudste zoon in het laatste jaar van de middelbare school, zag haar toekomst er niet florissant uit. De overheid was nog niet zo scheutig, een uitkering bestond niet. Ik citeer hier de conclusie uit een rapport van de Sociaal Economische Raad, uit 1957:

Conclusie.
Uit de gegevens over de totale inkomenspositie van de

weduwen en van de inkomensbronnen, meent de raad te mogen

concluderen dat in zeer veel gevallen door het overlijden van de

echtgenoot het inkomen geheel of grotendeels wegvalt en dat

meestal noch door inkomsten uit bedrijf of beroep, noch door

inkomsten uit vermogen of uit publiekrechtelijke of privaatrechtelijke weduwenvoorzieningen,

voor deze inkomensvermindering een redelijk te achten compensatie wordt verkregen.

Hij acht derhalve de behoefte aan een weduwen- en wezenvoorziening aanwezig.

Mijn moeder moest zelf in bovengenoemde behoefte voorzien, want de weduwen en wezenvoorziening zat nog in de pen. Zij vond een baan als verkoopster, eerst bij V&D en later bij de Bijenkorf. Voor mij werd de oplossing gevonden middels een carriére in de zeevaart. Hiervoor kon een renteloze studiefinanciering worden aangevraagd bij een Stichting die banden had met de toenmalige Kweekschool voor de Zeevaart (nu Hogere Zeevaart Academie). Deze school was een internaat, dus ik was meteen uit de weg en uit de kost. Als bètaleerling met vijf jaar middelbare opleiding kon ik de studie op het internaat in één jaar doen, waarmee je overigens vooral in het begin een vervelende uitzonderingspositie bekleedde en bijvoorbeeld van het biljart werd geweerd en nimmer in het schoolbasketbalteam of het schoolorkest werd verkozen. Wij zogenaamde D-klassers waren in de ogen van de gewone jongens – die over het algemeen niet konden of wilden leren en uit gegoede families kwamen – brave sukkels. Dit betekende dat je als D-klasser brutaler, eigenwijzer, luider, flinker moest zijn dan andere jongens om geaccepteerd te worden en verschoond te blijven van billenwassen in de wc’s waar menige D-klasser door een groep ouderejaars met zijn kop in een van de kleine plees geduwd werd. Het waren van die kleine pispotjes met op beide randen een ruwhouten zitbalkje en ze stonden op een rijtje in de vrije granieten ruimte. Privacy was gering op dit internaat. We sliepen op zolder in stapelbedden met ernaast een stalen kast voor je spullen en de D-klas hoek blonk bijvoorbeeld uit in het laten van knalharde scheten die door de slaapzaal echoden.
Goed, ik was dus onder de pannen en mijn broertje zou naar de Mulo gaan. Het werd een lijdensweg voor mijn moeder, want die jongen raakte lelijk losgeslagen, zo zonder vader die hij – denk ik – vreselijk miste. Hij was ‘die witte’, de oogappel van zijn vader. En net als zijn vader werd hij van school gestuurd, van alle scholen om precies te zijn, de Mulo, de Ulo en wat er nog meer aan middelbaar uitgebreid onderwijs voorhanden was in de jaren vijftig. Hans ging op zijn veertiende aan het werk, loopjongen bij de krant de Telegraaf. Ik kon mij daar niet mee bemoeien, want ik zat op zee. Als ik thuis kwam van een reis, als stuurmansleerling, kreeg ik de gejammerde klaagzang van mijn moeder over mij heen. Maar wat kon ik doen? Ik kocht een HMW brommer om mij tijdens mijn verlof snel te kunnen verplaatsen en die brommer verhuurde ik aan mijn kleine broertje als ik weer naar zee moest. Hij kon het betalen, hij verdiende bij de Telegraaf bijna net zoveel als ik ( 135 gulden in de maand).
Om meer financiële armslag te krijgen had mijn moeder de zijkamer laten dichttimmeren met een dubbel zachtboard wandje en wat isolatiemateriaal, zodat zij deze kamer kon verhuren. Een divanbed erin, twee rookstoelen (één van mijn vader) en een eikenhouten salontafel plus het fraaie bureau maakten er een sjieke herenkamer van. Via een agentschap verwierf zij haar eerste commensaal, de heer Rath, een stille Oostenrijker die iets zakelijks te doen had in ons land. Herr Rath was een uiterst beschaafde man en droeg dure pakken en een fraaie camelkleurige winterjas en een paraplu. Je hoorde hem zelden of nooit. Hij schoof bijna onzichtbaar het huis in en uit op weg naar zijn geheimzinnige bezigheden. ’s Avonds, als zij uit haar werk kwam, kookte mijn moeder een potje eten voor de man en ’s ochtends voor zij de deur uit ging kreeg hij een eenvoudig ontbijt. Met herr Rath heb ik weinig gesproken, maar het bijzondere is wel dat hij mij het adres gaf van Nederlanders die in Buenos Aires woonden. Deze Argentijnse havenplaats was een vaste bestemming van de Koninklijke Hollandsche Lloyd, de maatschappij waarbij ik in dienst was als stuurmansleerling. De familie Peltenburg in Buenos Aires woonde op een riante boulevard, in een luxe appartement zoals ik van mijn leven nog nooit had gezien. De zoon Peltenburg, die denk ik een jaar of dertig was, nam mij een weekend mee naar de pampa waar zij een huis hadden, een boerderij. Hij ving daar een kip die hij voor mijn ogen slachtte en op een vuur roosterde. Ook organiseerde hij een demonstratie stieren vangen door de gaucho’s, woeste ruiters in leren rijbroeken, die werptouwen hanteerden met een gemak waar cowboys nog wel iets van kunnen leren. Trouwens hun techniek was stukken handiger dan de lasso; zij hadden ‘bolas’, gevlochten leren touwen met aan het uiteinde twee of drie houten ballen of leren zakjes gevuld met zand. Die slingerden ze dan rond de achterpoten van de wegrennende stieren, die onmiddellijk als een blok tegen de grond gingen en klaar lagen om gebrandmerkt te worden.
De ruimte op de pampa is enorm. ’s Nachts staat er een hemelkoepel zo hoog en weids als ik zelden ergens heb gezien, zelfs niet op zee. De zuidelijke sterrenhemel is een flonkerende boog van licht, als Gods eigen glazen stolp waaronder wij in nietigheid een kippetje eten. Hoe klein ben je dan als mens.
Herr Rath was in onze ogen een groot man. Mijn moeder en ik dachten dat hij bij de geheime dienst werkte. Wellicht een medewerker van Simon Wiesenthal, op jacht naar ex-nazis. Simon was immers ook een Oostenrijker, woonachtig in Wenen en herr Rath had een duidelijk joods voorkomen. Ja, eigenlijk waren we ervan overtuigd dat herr Rath achter de misdadigers van het derde rijk aan zat! ’s Avonds heel laat hoorden we hem wel eens zachtjes telefoneren. De telefoon op het bureau van mijn vader was namelijk bij zijn huur inbegrepen en het gebruik ervan was door hem als eis gesteld. Hij belde vrij veel, maar werd zelf nooit gebeld. Omdat herr Rath zo’n prettige huurder was en op tijd betaalde, besloot mijn moeder dat ze nog wel zo’n commensaal erbij wilde hebben. Een buitenlander die goed betaalde voor een tijdelijk onderkomen in Amsterdam. Het bed in de woonkamer was na Joops overlijden blijven staan (waar moest het anders heen), zodat zij daarin van hem kon dromen en haar eigen royale slaapkamer met tweepersoons bed kon inrichten als tweede herenkamer. Mijn broertje, die bengel die maar deed waar hij zin in had, behield het kamertje waarin we vroeger samen sliepen. Geen idee waar mijn moeder het meubilair vandaan haalde, maar de slaapkamer die ooit ouderslaapkamer was, werd een herenkamer. Het gedroogde bruidsboeket verdween van de muur boven het bed. Waar zou het gebleven zijn?
Via het agentschap meldde zich al spoedig een huurder voor deze mooie achterkamer, in de gestalte van een grote luide Duitser, herr Kuhn. Dit was onhandig van mijn moeder, zij had kunnen begrijpen dat de stille voortsluipende herr Rath – als een spin in zijn web – niet zat te wachten op een luidruchtige Duitser. Maar herr Kuhn was een goede Duitser, zo benadrukte mijn moeder later tegenover mij. Hij was van de ‘wiedergutmachung’ en kwam geld uitdelen aan oorlogsslachtoffers. Hij stond dus aan dezelfde kant als herr Rath, dacht zij. Zij praatte voor zichzelf de mannen naar elkaar toe, alsof het vrienden zouden kunnen worden, een gemeenschappelijke taal delend en beiden bezig met goede naoorlogse activiteiten. Mensenkennis bezat mijn moeder kennelijk niet, ofwel het huurinkomen verblindde haar zicht op de situatie. Rath en Kuhn, stil en klein versus luid en groot. Beiden kregen nu hetzelfde potje voorgeschoteld en een gelijkwaardig ontbijt, maar waar herr Rath nimmer ook maar de geringste negatieve opmerking had gemaakt over het voedsel, bulderde herr Kuhn zijn onvrede door het huis. Hij had voortdurend klachten, weliswaar met een goedmoedige bullebakachtige jovialiteit, maar toch.
Herr Rath, die de oudste rechten bezat en de brullende Duitser als indringer zag in zijn domein, ergerde zich overduidelijk, zodanig dat het mijn moeder opviel. Geen klacht kwam over zijn lippen, maar hij was vaker afwezig en liet regelmatig zijn ontbijt onaangeroerd staan. Mijn moeder vertelde dat herr Rath altijd eerst voorzichtig om een hoekje van zijn deur gluurde, alvorens hij als een schicht het huis verliet.
Van enige toenadering tussen de mannen was geen sprake. Mijn moeder had dit verkeerd ingeschat, maar er was niets meer aan te doen en omdat zij een doorzetster was deed zij alsof er niets aan de hand was en verhoogde de kwaliteit van het eten. De maaltijden werden zo goed en overvloedig, dat herr Kuhn, de veelvraat en lekkerbek, niets meer te klagen had en herr Rath het meeste liet staan.

Een jaar varen als stuurmansleerling was in 1955 geen pretje. Dit was een zogenaamd praktijkjaar, waarin de leerling moest leren hoe het op een schip toeging, van onder tot boven en van links naar rechts. Dagenlang zat ik met een bikhamer het dek te bikken en als de zeeën hoog over het voorschip sloegen, bijvoorbeeld in de Golf van Biskaye, werd ik naar de ‘kabelgast’ verordonneerd, een oude zeerob met gelijkwaardige rang en gage als de bootsman en verantwoordelijk voor al het touwwerk en staaldraad aan boord. Het hok van de kabelgast, kabelgat genoemd, bevond zich in het vooronder, in de voorpiek van het schip, waar de zeeën als watervallen overheen kletterden. Het was een duister gat achter een waterdichte stalen deur, waar het stonk naar teer en olie. Op elke reuzengolf steeg de boeg na wat tegenstribbelen omhoog in de watermassa’s, waarna het schip een tijdje sidderend bleef hangen op de top van de golf om dan plotseling, toch nog onverwacht, omlaag te vallen, waardoor je voeten loskwamen van de glibberige ijzeren vloer. Een waterdichte manier om zeeziek te worden, wat dan ook met mij gebeurde. De kabelgast, rustig zware shag rokend, had geen medelijden. Hij joeg me weg, zodat ik al kotsend met levensgevaar tussen de overkomende zeetjes door naar de midscheeps rende. Uiteraard waren ook hier de waterdichte deuren goed dichtgekneveld, zodat ik wadend door het zeewater onder de reddingsloepen door naar achteren kroop. Ik vroeg me af of die sloepen op tijd te water zouden worden gelaten als het schip straks ging zinken. We hadden ze natuurlijk getest, tijdens de zogenaamde ‘sloepenrol’ waarbij op kalme zee met mooi weer geoefend werd in het beleven van een scheepsramp.
Denk nu maar niet dat iemand medelijden heeft met een stuurmansleerling die zeeziek is. Integendeel, het hoort zo. En je bent niet ziek, al zie je groen en geel en weet je van ellende niet waar je het zoeken moet. Net nadat ik eindelijk mijn kooi had bereikt, in de pijpenla die mij als hut was toegewezen en waarin naast de kooi nog precies voldoende ruimte was voor een aan de wand geschroefd tafeltje en één stoel, net nadat ik mij jankend op de harde matras had laten vallen, kwam de tweede stuurman binnen en vroeg wat ik daar deed. Ik moest mee naar de brug, want wij gingen een zonnetje schieten met het sextant, hoewel er nauwelijks zon te zien was in het grijze gordijn van regen en zeewater. Dit bleek het bijzondere van het praktijkjaar; de stuurmansleerling werkt aan dek met de matrozen mee, maar hij dient zich tevens regelmatig op de brug te vervoegen om mede de positie van het schip te helpen bepalen. Een hoop gedoe, drie stuurlieden en een leerling met sextanten en de tijdmeter aan het rekenen en de oudste had altijd gelijk. In mijn berekening had niemand interesse, hoewel ik wel altijd een kwartier eerder klaar was!
Op de brug en ook tijdens de maaltijden in de salon, moest de leerling schoongewassen in uniform verschijnen. In donkerblauw tot de Azoren, daarna in krakend helder wit met jasje toetop, zo’n tropenjasje met hoogopstaand kraagje. Een helse klus, die voortdurende verkleedpartijen. Zat je de hele ochtend in een kolenruim, of je zweette je een ongeluk bovenop het schavotje waar je de reling moest schilderen en dan moest je weer binnen tien minuten van matroos veranderen in officier, smetteloos schoon zonder vuil onder de nagels. Bijna ondoenlijk. Toen ik uiteindelijk besloot om de regels te veranderen en om twaalf uur in mijn vuile kloffie op de brug verscheen om een zonnetje mee te schieten, werd ik bijkans overboord gesodemieterd door de eerste stuurman, die zo kwaad werd dat hij met zijn trillende handen het zonnetje niet te pakken kreeg en we die dag het rekenresultaat van de tweede stuurman als juist moesten accepteren.
De eerste stuurman op deze oude praam genaamd Rijnland, ik meen van 1919, was – ik zeg het maar eerlijk – een boerenhufter. Je had in die tijd en misschien nu nog wel opleidingsinstituten voor de zeevaart in uithoeken van het land, zoals Terschelling of Harlingen. Officieren die daar hun opleiding hadden genoten hielden niet van Amsterdammers en zeker niet van D-klassers die op de deftige ‘Kweekschool’ voor rijkeluiszoontjes hadden gezeten. Zelf hadden ze – overigens net als die rijkeluiszoontjes – er natuurlijk járen over gedaan om die paar goudgalonstrepen op hun mouw te krijgen en dan kwam jij met behulp van een luchtvaartalmanak op de brug eventjes een sterbestek maken in minder dan de helft van de tijd die zij nodig hadden met hun antieke logaritmetafels. Oerconservatief die scheepvaart toentertijd. Tijdens de opleiding moesten wij nog leren hoe je de zeilen reeft van een driemast brigantijn, terwijl het schermen net een paar jaar voor mijn komst van het rooster was geschrapt. Op het internaat droegen wij ook nog lakense baadjes met een dubbele rij koperen knoopjes, zoals de officieren van de Onedin lijn. Wel mooi trouwens.
Maar goed, die luchtvaarttafels – de HO 214 tafels – mocht ik niet meer gebruiken, wij waren tenslotte geen vliegtuig.(Twee jaar later, toen ik derde stuurman was op de wilde vaart, had ik de nieuwere HO 249 tafels voor zon- en sterbestekken, alles vooruit berekend voor posities op deze aardbol. In een oogwenk zette je een plaatsbepaling in de zeekaart.)
Het was een verdomd arrogante autoritaire club op zo’n boot, de uitdrukkingen ‘op je strepen staan’ en een ‘streepje voor hebben’ werden mij dagelijks verduidelijkt. Ik heb het bij de Koninklijke Lloyd dan ook niet lang volgehouden. Mijn vader zou trots op mij zijn geweest, zo eigenwijs, eigengereid en halsstarrig ik het volhield om de regels aan mijn laars te lappen. Weliswaar was ik een zogenaamde ‘sterleerling’ en daarom uitverkoren om bij deze prachtige Koninklijke maatschappij te mogen varen, maar ze kenden natuurlijk alleen mijn cijferlijst. En niet mijn karakter haha. De incidenten volgden elkaar op. Bijvoorbeeld toen ik het nog langer verdomde om in het witte pak om twaalf uur naar de brug te komen om als vijfde wiel aan de wagen een zonnetje te schieten waarin niemand geïnteresseerd was. Ik bleef vaak bij de matrozen eten, dezelfde keuken, maar ruwere bediening en eetmanieren. Allemaal tegen de regels.
Het mooiste was, dat ik na mijn eerste reis nog bevorderd werd naar de mooiste boot van de vloot (de Basilea, een Zwitsers koopvaardijschip dat in charter voer, een verhaal op zichzelf want Zwitsers kunnen bijna net zo goed zuipen als Zweden, maar dit verhaal zet ik later nog wel eens op papier).
De Basilea was een supersnelle elegante vrachtvaarder met passagiersaccommodatie waarin tijdens mijn reis op deze boot een Amsterdams gezin vertoefde. Zij gingen emigreren naar Argentinië. Pa, moe en drie dochters die gezien mochten worden, vooral na de Azoren. De oudste dochter, ongeveer van mijn leeftijd, had het meisjeslyceum gedaan en kende veel mensen die ik ook kende en al spoedig kenden wij elkaar ook vrij goed. Dit was dus alweer tegen de regels.
Meteen na binnenkomst van mijn eerste reis – mijn conduitestaat was nog niet tot de hogere beslissingsbevoegde regionen doorgedrongen – werd ik bevorderd tot dienstdoend vierde stuurman, onder supervisie van een zogenaamde ‘supercargo’. Dit was een kapitein van de Lloyd, die toezicht hield op de Zwitsers en vooral op de lading die zij voor ‘ons’ vervoerden. Ook moest hij toezicht houden op mij. Dit kwam erop neer dat hij tijdens mijn wacht – ik liep zelfstandig wachten op de brug en had dus de volledige verantwoordelijkheid voor dit schip – onverwacht de brug op kwam om te kijken of we nog op koers lagen en niet ondertussen een vissersboot hadden geraakt. Voor deze controlerende bezoekjes had hij geen vast schema, soms kwam hij helemaal niet. ‘Alles goed boven leraar?’ ‘Jawel kapitein, alles ok’. En dan ging hij weer. Zo’n wacht duurde vier uur, voor geïnteresseerden: ik liep de achttwaalf wacht. Nou ja, liep… Op de brug stond namelijk een hoge stoel, zodat je ook zittend kon wachtlopen. Ik dus op die stoel. Kwam de supercargo boven:
‘Hé leraar, jij zit op de stoel!’
‘Jawel meneer’.
‘Die stoel is voor stuurlui.’
‘Jawel meneer.’
‘Kom er dan als de donder vanaf leraar!’
‘Jawel meneer. Maar… ik werk hier toch als stuurman?’
‘Hahaha!! Laat ik niet merken dat je op die stoel zit, begrepen!’
‘Jawel meneer.’
Hij weg, ik weer op de stoel. Kwam hij natuurlijk meteen terug om te kijken.
Dat hebben we ongeveer de hele reis volgehouden. Giftig werd die man ervan, ziedend, roodhoofdig. Maar wat kon hij doen? Zelf die wacht lopen, zittend op de stoel? Nee daar had hij geen zin in natuurlijk, hij had het druk genoeg met andere dingen. Hij kon mij niet ontslaan of overboord gooien, wat hij liefste wilde.
Tot overmaat van dwars kreeg ik een soort verhouding met eerdergenoemde passagieres en dit was al helemáál tegen de regels.
Na deze reis kreeg ik zogenaamde werkboten, waar veel te bikken viel – ja niet in de eetsalon! Verf bikken aan dek, kolenruimen schoonmaken in de haven zodat er weer graan kon worden geladen. Dan stond ik met een koperen schep tot mijn heupen in de gele korrels om de lading te verdelen. Dat graan kwam namelijk uit een silo via een pijp en als je het niet opzij schepte werd het een puntige toren. En als je niet opzij stapte werd je bedolven. Daar stond ik elke avond – er werd nog doorgewerkt in die jaren – met een stofkapje voor mijn gezicht, terwijl mijn collega’s (met de strepen) lekker aan het passagieren waren in mooie restaurants en wellicht daarna in obscure kroegen en bordelen. Overdag hadden ze bootwerkers voor de klus, ’s avonds was de stuurmansleerling de klos.
Vaak moest ik aan mijn vader denken. Die had dit nooit gepikt verdomme. En ik beloofde hem terplekke dat ik het ook niet veel langer zou pikken.
De climax in mijn carrière kwam echter wat later. Het was de gewoonte dat de schepen op de terugreis in Las Palmas tomaten laadden als deklading. Honderden, misschien wel duizenden kistjes tomaten. Die moesten geteld woorden, tomaten tallyen heette dit, in de scheepvaartwereld zit men niet om een verbastering van een taal verlegen (To tally up = optellen). Dus was ik aan de beurt. ’s Morgens om acht uur aan dek en kistjes tellen. De hele dag. Geen koffie pauze, geen lunch, nauwelijks tijd om een sigaret op te steken. Inmiddels had ik een goede relatie opgebouwd met de civiele dienst en kwam een steward mij koffie brengen en later broodjes. Die jongen kreeg er eerst van langs van de tweede stuurman en daarna van de hofmeester. Wie hem opdracht hiertoe had gegeven? Niemand dus. De tweede dag was er geen koffie en geen lunch en geen thee, enfin, er was ook geen schaduw maar wel héél veel kistjes tomaten. Ik pikte dus maar nu en dan een tomaat, totdat de tweede stuurman – die de wacht aan dek had – dit zag en mij van diefstal beschuldigde.
Moet ik verder gaan? Mijn maat was vol, al een tijdje zelfs. Dus ik zei:
‘Weet je wat dikkop? Ga jij hier maar tomaten tallyen. Ik ben klaar, ik neem ontslag.’
Je had zijn gezicht moeten zien. Sprakeloos. Ik heb hem met dat gezicht zo laten staan en ben op mijn gemak naar mijn hut gewandeld. Genoeg is genoeg.
Een half uurtje later kwam de eerste stuurman langs. Hij klopte zowaar beleefd op de deur. Wat ik mij in mijn hoofd haalde? Ik herhaalde mijn tekst en vroeg of ik mijn ontslag schriftelijk moest indienen. Nee, dat hoefde niet. Maar hij wist niet of dit zomaar kon, want zoiets had hij nog nooit meegemaakt. Wel werd er nu en dan een matroos of ander laag volk van boord gezet omdat er met messen werd gezwaaid of omdat iemand uren te laat bezopen van de wal kwam zodat de maatschappij honderdduizenden guldens verlies leed, dat soort dingen kende hij wel. Maar dan was hij de baas, of liever gezegd, de kapitein want die is net een soort Romeinse keizer aan boord.
Haha, nu was ik de baas.
De laatste dagen van de reis waren zeer ontspannend. Mijn vader klopte mij voortdurend op de schouder en ’s nachts, in die grote donkerte van het heelal, zag ik hem als mijn schepper – wat hij natuurlijk ook was – op mij neerkijken met een grijns zo breed als het Kanaal.
Hij had gelijk. Hierna heb ik nooit meer een mens boven mij gesteld gevoeld. Geen autoriteit, geen prins of koningin, geen godheid. Niemand hoeft mij te vertellen welke koers ik moet varen. Nou ja, uitgezonderd natuurlijk mijn vader!

Maart 2012
Christian