Het Geluksgevoel

Het was maandagochtend. Ik was alleen thuis, want mijn geliefde was haar kunstzinnige visie aan het verbreden in buitenlandse musea. Het had licht gesneeuwd, de natuur lag stil en de enige geluiden die ik hoorde waren de geluiden in mijn hoofd. Rust overviel me, en de werkzaamheden waaraan ik ’s nachts nog had gedacht werden ongelofelijk onbelangrijk, afgezet tegen het ruimtetijd model dat wij stervelingen op deze aarde als realiteit ervaren. Ik besloot om in een warm bad te gaan liggen, met een kop koffie en een paar smakelijke koekjes en het nieuwste boek van Stephen Hawking getitel “The Grand Design”. Voldoende ingrediënten om zelfs mijn eigen ik te relativeren. Lezend in de buitenaardse, ja zelfs buitenuniversele gedachten van deze grote denker, neergeschreven via een aangepaste computer die zijn denkwerk voor ons vertaalt in woorden, ervoer ik het geluksgevoel. Mijn fysiek totaal ontspannen (denk aan Archimedes en de zwaartekracht), mijn psyche louterend gevoed met hersenvoedsel van een hogere orde, van een grootheid die menige onwetende Goddelijk zou noemen, zweefde ik door het heelal in stille verwondering. In zekere zin werd ik een gelovig mens. In vroegere tijden – en nu nog – werd gepredikt dat je moet geloven om gelukkig te zijn, maar het is andersom. Je moet gelukkig zijn om te geloven dat onze waarneembare realiteit werkelijkheid is, dat het leven bestaat, dat wij Zijn. Wij zijn dankzij een evolutionair proces, dat zich voortdurend vernieuwt en verbreidt sinds de oerknal ruim 17 miljard jaar geleden het systeem (ons systeem) in werking heeft gezet. Wat was er vóór de oerknal? Dat weten we niet en kunnen we niet weten omdat onze wetenschap hier geen aanknopingspunten vindt via de waarneembare realiteit. Zelfs de hersens van Hawking kunnen niet verder terugdenken dan 17 miljard jaar. Het is natuurlijk ook wel genoeg denkstof, zeker in vergelijking met het Model van Genesis dat slechts zesduizend jaar teruggaat en waarin God ons voor de gek houdt door overal oude fossielen te verstoppen die ons vertellen dat de aarde veel ouder is. En dat bestaat niet. Zo zou je kunnen concluderen dat God bestaat, maar daar gaat dit verhaal niet over.

Het geluksgevoel is een momentopname. Het is onmogelijk om je altijd gelukkig te voelen en dat is maar goed ook, want dan zou de mens niets bereiken. Ongeluksgevoel is nodig voor de ontwikkeling – en als we dit te menselijk gedacht vinden (kan een dier geluks- en ongeluksgevoelens hebben?), noem het dan ongemakgevoelens of nog eenvoudiger, ervaringen van ongemak. Hierop is de evolutie gebaseerd. Aanpassing aan de omstandigheden. Wilskracht en doorzettingsvermogen zijn begrippen (het zijn slechts woorden waarmee wij bepaalde vermogens trachten te omschrijven) die hierbij passen. Zonder wilskracht en doorzettingsvermogen – en soms enig geduld – gebeurt er helemaal niets in de natuur. Kijk naar de mieren. Of naar het boompje dat zich op de rots weet te handhaven, dat zou je ook doorzettingsvermogen kunnen noemen.

Terug naar Stephen Hawking. Waarschijnlijk zou hij graag, net als ik, in een warm bad willen liggen met koffie en koekjes en een interessant boek. Maar rond zijn twintigste openbaarde zich bij hem de ziekte ALS (amyotrofische laterale sclerose), een neurologische afwijking die de zenuwcellen onklaar maakt zodat de fysiek niet meer motorisch functioneert. Toen de ziekte werd vastgesteld, gaf men hem nog een paar jaar, maar dankzij de wetenschap (waarin hij zelf gelooft) leeft hij nog steeds, hoewel hij sinds 2009 geen enkele spierfunctie meer heeft. Alleen zijn hersens werken. Hawking gelooft niet in God. Maar men zou kunnen geloven dat God hem volstrekt onbewegelijk heeft gemaakt, opdat hij zich beter kan concentreren op het denken en zodoende de grootheid van de Schepping kan beschrijven in zijn boek “The Grand Design”. Hawking in dienst van de creationisten. Hij zou uit zijn stoel springen als hem dit werd aangewreven, denk ik.

Goed, laten we teruggaan naar het Geluksgevoel. De ervaring ervan hangt naar mijn mening nauw samen met de eerdergenoemde begrippen wilskracht, doorzettingsvermogen en geduld. Als je niet met tevredenheid naar ervaringen in je verleden kunt terugkijken, zul je het geluksgevoel niet vinden. Het geluksgevoel is namelijk verbonden aan tevredenheid met jezelf, en de oorzaak hiervan ligt nooit in de toekomst.

In deze verhandeling is nu het moment gekomen om euforie en geluksgevoel te onderscheiden. Neem een schaatser die wereldkampioen wordt op de sprint, Stefan Groothuis, al dertig jaar oud en eindelijk – zoals hijzelf eindeloos herhaalde – eindelijk heeft hij zijn doel bereikt. Euforie. Uitzinnige vreugde. Het lijkt op geluk. Hij heeft heel veel wilskracht en doorzettingsvermogen en geduld nodig gehad om ziekte en tegenslagen te overwinnen, om te blíjven trainen, te blijven geloven in zichzelf en in de bereikbaarheid van zijn doel. Maar nu? Moet hij zijn titel nu verdedigen? Moet hij ook Olympisch kampioen worden? Zo goed als Wotherspoon kan hij niet meer worden en misschien is dit nu – straks, morgen – een naar gevoel. Volgend jaar raakt hij zijn titel kwijt en is het niet volgend jaar, dan het jaar daarop. Ongeluksgevoel. Afzien. Afbouwen, afscheid nemen. Maar jaren later, heel veel jaren later zit hij in een warm bad met een kop koffie en een koekje en leest een interessant boek over de geestelijke vermogens van de mens, over kwaliteit van leven, over goed in je vel zitten en tevreden zijn met jezelf. Misschien overvalt hem dán het geluksgevoel. Dat hij het zo slecht nog niet heeft gedaan, dat hij best een goeie kerel is, dat hij geen vergelijkingen nodig heeft met anderen en dat het Zijn nog wel iets anders is dan hardschaatsen, hoewel dat een heel mooie sport is. Zoiets. Een topsporter op de top van zijn sport zie ik dergelijke filosofische gedachten niet ontwikkelen, net zomin als een topzakenman/vrouw op de top van zijn/haar carrière of een topdenker op de top van zijn imago. Euforie nu, geluksgevoel komt later.

Stephen Hawking werd beroemd met zijn boek “A brief history of time” (vertaald als “Het Heelal”), een kosmologisch denkwerk waarin hij de imaginaire tijd introduceert om grip te krijgen op zwarte gaten en de oerknal. Het enorme succes – de populariteit – van dit boek moet hem een gevoel van euforie hebben gegeven. Toch maar mooi opgeschreven, zonder handen. Nu twintig jaar later volgt “The Grand Design”, waarin hij meer filosofisch wordt over ons wetenschapsmodel van waarneming en waarschijnlijkheid. Hij stelt hierin de vraag: “Is de manier waarop het universum is ontstaan een daad van God, om redenen die wij niet begrijpen, of is het voorgeschreven door de wetten van de wetenschap. Ik denk het tweede. Want omdat er wetten zijn als die van de zwaartekracht, kan en zal het Universum zichzelf creëren vanuit het niets.”

Pas na het schrijven van dit boek heeft Hawking zich duidelijk uitgesproken als atheïst, gelovend in wetenschap gebaseerd op rede en waarneming, boven het geloven in dogma’s. Zou hij nu in een warm bad worden gezet met koffie en een koekje, dan zou hij ongetwijfeld het geluksgevoel beleven. Hij kan vijftig jaar terugkijken naar denkwerk dat hem op basis van de diagnose niet gegeven was.

Zo kom ik op de “kwaliteit van leven”, dat mooie modieuze begrip wat we hanteren in onze hang naar geluk(sgevoel), ontwikkeld na de jaren van de emancipatoire revolutie in de westelijke wereld (niet toevallig samenvallend met het loslaten van de gouden standaard in 1972 en de groeifactor als het ultiem goede), dan volgt er zelden een definitie. Ieder heeft over deze staat van idealiteit een eigen mening, zoniet gevoel. Minder werken, meer vrije tijd, gezonde voeding, mooi weer, mooi huis, mooi interieur, leuke kinderen, goede opleiding, enfin, de intelligente lezer kan deze opsomming zeker voortzetten en wellicht verbeteren of vervolmaken. Maar mijn stelling is, dat kwaliteit van leven samenhangt met de ervaring van momentele geluksgevoelens, die op hun beurt samenhangen met retrospectieve gedachten over het Zijn en het Zelf. De grootste vijand van onze geluksgevoelens is ons Zelf, in onze neiging tot afhankelijkheid van mensen en omstandigheden om ons heen. Wij streven (meestal) naar een leven in de ogen van anderen, onder de omstandigheden die door anderen gecreëerd zijn of worden. We willen goed gevonden worden, we willen mooi gevonden worden, we willen slim gevonden worden en vul maar in. Opvoeding speelt hierin natuurlijk een rol. Gebrek aan zelfvertrouwen is het kenmerk van een te grote afhankelijkheid. Onrust eveneens. Schuld en schaamte zijn de misgevoelens die door de eeuwen heen misbruikt zijn door de opvoeders, door de mensen met Macht in kerk en maatschappij. (En in het gezin).

Wie kwaliteit van leven, in welke context dan ook, nastreeft zal nimmer het doel bereiken. Het zal nooit goed genoeg zijn. Er zal aan zovele plichten en verplichtingen moeten worden voldaan, dat slapeloosheid het gevolg is, evenals de maagzweer, de dip en de chronische vermoeidheid. Het gevoel van mislukking dringt zich op. Psychiaters, coaches, haptonomen, auralezers en handopleggers verdienen een boterham aan jouw hopeloze falen. Je bent de controle kwijt, als je die al ooit gehad hebt. Je bent jezelf kwijt, je zoekt, je kijkt verbeten in de spiegels die anderen je voorhouden en je ziet iemand met wie je geen relatie hebt. Einde verhaal. Tijd voor de drastische stap, de stap terug naar jezelf. Wie was je ook al weer? Bekijk de fotoalbums van je jeugd, herinner je het kind. Herinner je de geluksgevoelens die je had, als kind. Ga vaker in een warm bad zitten met koffie en een koekje. Dat heeft iets kinderlijks, inderdaad. Lees een boek waar je hersens iets mee kunnen, geen sprookje, geen mythe, maar realiteit die even reëel is als het gevoel van de opwaartse druk in het water. Een aanrader in dit verband is “Strangers to Ourselves” van Timothy Wilson. Discover the adaptive unconscious  – en je bent op weg naar de herontdekking van het geluksgevoel.

 

Christian Oerlemans

Januari 2012

Zijn vrouwen leuker?

Vrouwen zijn leuker? Joyce Roodnat schrijft een boekje getiteld “Vrouwen zijn leuker”. Bij nader inzien begreep zij kennelijk dat dit taalkundige nonzin is, want zij voegde er een ondertitel aan toe: leuker dan je denkt… Uitgangspunt van de schrijfster is kennelijk dat ‘men’ denkt dat vrouwen niet zo leuk zijn. En die ‘men’ zullen dan in haar perceptie wel man zijn. Dus denk ik – en wie niet – dat zij eigenlijk bedoelt: vrouwen zijn leuker dan mannen. Toen ik haar titel las, dacht ik spontaan “ja, vrouwen zijn léuk” . Hoezo leuker? Hoezo leuker dan ik denk? Ik schreef niet voor niets het boekje “Vrouwen zijn om op te vreten”. Dat is dus duidelijke taal en vertelt impliciet hoe leuk ik vrouwen vind. Klaar. Maar nu iemand anders, die leest de titel en vult eveneens spontaan aan. Twee mogelijkheden: dàn of àls. Bijvoorbeeld, leuker dan poezen, of leuker als ze uitgekleed zijn. Zo kun je met Joyce Roodnat alle kanten op. Vrouwen zijn leuker dan honden kan ook, hoewel vele mannen het hiermee niet eens zullen zijn. Of paarden. Of bedenk maar een ander huisdier, al naar gelang je ervaring met vrouwen. Katachtigen zullen ongetwijfeld in aanmerking komen. Ook kun je denken aan geliefde zaken als auto’s of boten. Zelf zou ik echter kiezen voor de aanvulling met àls… Vrouwen zijn leuker als ze humor hebben. Of als ze niet zeuren. Of als ze goed kunnen koken. Enfin, Joyce Roodnat weet wat los te maken met de titelgeving van haar boek. Zou zij het daarom hebben gedaan?

Rijk man?

Er werd eens een baby geboren en zijn vader en moeder waren heel arm. Dat mag ons zoontje niet gebeuren, zeiden ze tot elkander en ze besloten om hem een naam te geven die tegelijkertijd een verplichting inhield. “Rijkman”. Reeds in de wieg leerden ze hem graaien met zijn kleine handjes. En zo gauw hij kon praten was het eerste wat ze hem leerden zeggen: Rijk man. Toen hij groot werd besloten zijn ouders dat hij bankier moest worden, immers dan zit je het dichtst bij het geld en als je van jongs af aan hebt leren graaien kun je het maar beter onder handbereik hebben. Hij werd aangenomen bij een grote bank die zichzelf De Bank noemde. Aangenaam, ik ben Rijkman, van De Bank. Dat klonk goed. Helaas liep dit sprookje niet goed af. De Bank werd de vernieling in geholpen door Het Bestuur. Dit weten wij uit de mond van de Minister van Financiën, die het zelf heeft gezegd. Maar Rijkman, indachtig de opdracht van zijn ouders en trouw aan zijn naam, wist – met een zekere woestheid, dat wel – nog 25 miljoen in zijn zakken te steken voordat De Bank bijna omviel en door eerder genoemde minister van de ondergang werd gered.

En hij leefde nog lang en gelukkig als een rijk man in zijn buitenplaats aan de Vecht.

Chinezen mogen weer functioneel kezen.

Begin jaren negentig maakte ik een rondreis door China. Nooit zoveel fietsers gezien. En heel weinig kleine kinderen, want de geboortebeperking tot één kind per gezin werd strikt en met harde hand – begreep ik uit mij toegefluisterde opmerkingen – gehandhaafd. Waarom gefluisterd? Omdat de herinnering aan het drama op het Tianmen plein van juni 1989 nog zeer vers in de wonden van het geheugen lag. Zeker bij de jonge mensen die ik sprak. En omdat je niet wist wie er meeluisterde. Maar goed, daar gaat het nu niet over, hoewel vrijheid nog steeds niet datgene is wat wij er onder verstaan, vooral niet als je Tibetaan bent. Tibet was in die tijd trouwens een verboden gespreksonderwerp; als je het T-woord noemde sloot zelfs de meest progressieve jeugdige Chinees de lippen stijf op elkaar. Tibet bestond namelijk niet, het was China geworden.

Maar ik had het over de geboortebeperking. Dat was (en is) net zo’n rare maatregel als de vliegenvangst toentertijd. Chinezen kregen geld voor elke gevangen vlieg en dat ruimde op. Met gevolg dat zij geen vlieg meer kwaad konden doen. Geen vlieg te zien maar daarvoor in de plaats ontstond allerlei onvoorzien ongemak, vooral op het boerenland. Want vliegen hebben een taak te vervullen in het natuurlijk evenwicht. Ook vliegen hebben een functie. Zoals er toen geen vlieg te zien was, zag je ook nauwelijks een kind. En al helemaal geen meisje. Op het boerenland viel het nog wel mee want daar werd – begreep ik – oogluikend toegestaan dat er per ongeluk meer dan één kind geboren werd, mede omdat kinderen een functie hadden (hebben) op het boerenland. Het zijn goedkope arbeidskrachten. In de steden echter, zoals Peking en Sjanghai zag je geen jonge moeders met kinderwagens, zelfs niet in de parken waar oudere mannen GO speelden. Net als met de vliegen, dreigde hier een verstoring van het natuurlijke evenwicht. Te weinig jonge mensen en in de toekomst te weinig vrouwen. Sinds 1970 schijnt de één kind politiek zo’n 400 miljoen geboorten te hebben beperkt. Soms op minder frisse wijze, door abortus en sterilisaties. Daar komt nu enige verandering in, onder leiding van Ma Zhao en de commissie voor bevolkings planning. Vooral in de grote steden mag nu een aantal Chinezen, men zegt dertig tot veertig procent van de gezinnen, meerdere kinderen maken. Dit geldt met name voor ouders die zelf enig kind zijn. Op het platte land zijn de beperkingen ook versoepeld, daar mag een tweede kind gemaakt worden als het eerste kind een meisje is. Kortom, we hoeven niet bang te zijn dat er in de toekomst te weinig Chinezen zijn.

Virtueel geld

Geld heeft iets merkwaardigs. Als het fysiek aanwezig is, in munten of fraaie bankbiljetten, dan gaat een mens er zorgvuldig mee om. Een rijksdaalder noemden wij – jeugdige pokeraars dertig jaar geleden – een karrewiel. Dat schoof je niet zomaar op tafel, dat was gèld. Inmiddels hebben we de Euro, ook met mooie munten. In Portugal waar ik vaak verblijf betaal ik in mijn dorp voor een dubbeldikke tosti en een Galao (koffie met melk) een paar Euro, zorgvuldig uitgeteld in munten. Dat is gèld. Als ik dan op de luchthaven drie keer zoveel moet neertellen voor een espresso, schrik ik toch wel even. Maar ik schrik minder als de koers van mijn aandelen met procenten tegelijk instort. Virtueel geld, cijfers op een computerscherm of een uitdraai. Virtueel geld… ik moet nog vaak denken aan een financieel adviseur waarmee ik ooit zakelijk te maken had. Ach, zei deze dan als we zorgelijk naar cijfers keken, het is maar virtueel geld. Dat denken de banken misschien ook wel. ABNAMRO boekt anderhalf miljard af in 2007; 1.560.000.000 Euro om precies te zijn. Ik schrik er niet van. Het kan erger namelijk. Sprint Nextel, een van de grootste aanbieders van mobiele telefonie leed een verlies van 29,5 miljard dollar, ofwel zo’n 20 miljard Euro. Twintig miljard, 20 met negen nullen…Stel je voor dat je dit moet uittellen in fysieke Euro’s, laten we zeggen munten van 2 Euro. Moet je tien miljard munten uittellen, ben je wel even bezig! Een mens (laten we zeggen de CFO van Sprint Nextel) vóelt dan wat verlies betekent, nietwaar? Maar de tijd van echt geld ligt al lang achter ons. Geld wordt gewoon gedrukt als het nodig is. De Gouden Standaard? Ha, dat was ooit heel lang geleden, toen je voor een bankbiljet nog de er op vermelde waarde in goud kon bekomen. Bankbiljetten waren niets anders dan schuldbewijzen. Maar schuldbewijzen zijn nu discutabel, vaak niets meer waard, zeker niet als het mediterrane staatsobligaties betreft. De wereld draait om virtueel geld, grote cijfers die worden afgeschreven, weggemoffeld, opgepept of gecorrigeerd naar believen. Alleen de gewone consument die nog steeds met munten zijn kop koffie betaalt, die voelt de pijn.

Ondernemen is Stuurmanskunst. Door Arjan Klaver.

(Interview in het AD, eind 2007)
Vier jaar handelsvaart gaf hem inspiratie voor ruime blikken en deinend taalgebruik. Hij zei het ruime sop vaarwel en via een omweg langs uitzendbureaus kwam hij als copywriter terecht in wat in de jaren 60 werd bestempeld als de vermaledijde reclamewereld. Het was slechts een dekmantel om ‘s avonds zijn literaire ambities overeind te kunnen houden. George Geudeker wakkerde het ondernemerschap aan. Met de lijfspreuk ‘Ga je op je bek, dan ga je op je bek. Daar leer je van.’ begonnen zij het reclamebureau Geudeker-Oerlemans. Meer dan 20 jaar geleden krijgt dit bureau de opdracht Centraal Beheer te positioneren als A-merk. Na anderhalve maand creatieve arbeid met sparringpartners als  Henk Terlingen – in de wandelgangen bekend als ‘Apollo Henkie’ – ontwaakte onverwachts in een donkere nacht één creatief hersendeeltje. ‘Het is een kwestie van even Apeldoorn bellen’ stond op papier. Overdag werd deze zin kaalgeplukt tot de pay-off van de langslopende campagne van Nederland: ‘Even Apeldoorn bellen.’ De hoofdpersoon in dit delicate ondernemersverhaal is Christian Oerlemans. (zie verder pagina 6)   Drijfveren “Op mijn 18e ben ik als stuurman begonnen op de handelsvaart”, steekt Oerlemans in zijn ruime appartement in Loosdrecht van wal. “Een omgeving waar de nadruk ligt op uniformen met strepen, waarop gestaan wordt. Na enig afzien veroverde ik ook zo’n streep en werd ik derde stuurman, maar gelukkig werd ik er niet van. Ik kan niet tegen autoritaire systemen en het ergerde mij dat zeelieden zo’n beperkt gezichtsveld hebben, terwijl de ruime blik vanuit het stuurhuis mij juist inspireerde tot filosofische gedachten en gedichten vol deinend taalgebruik. Na vier jaar zwaaide ik af en vond journalistiek werk bij het socialistisch dagblad Het Vrije Volk van hoofdredacteur Herman Wigbold. Standplaats Emmen. Dat was onmogelijk. Mijn toenmalige geliefde zat toen op de Amsterdamse toneelschool en ik wilde graag in het hoofdstedelijke creatieve milieu blijven. Een van mijn drijfveren was om als jonge schrijver de prestigieuze Reina Prinsen Geerligs prijs in de wacht te slepen. Oude idolen als J.C. Bloem en Hendrik Marsman of moderne auteurs als Hugo Claus en Jan Wolkers bewogen mij tot bloemig dichtwerk respectievelijk omslachtig en aanstootgevend proza. Ach ja, evenals Harry Mulisch zat ik vaak bij American aan het Leidscheplein. Overdag werkte ik voor een uitzendbureau als typist en ’s avonds ontmoette ik ambitiegenoten in het donkerbruine Eijlders. In die tijd schreef ik onder meer het toneelstuk ‘Het kindje huilt’ dat later door Willy van Hemert werd bewerkt en geregisseerd.”   Audiëntie “Het ambt van typist had ik wel gezien. Ik wilde  net als Kees van Kooten, Jan Holsbergen en Willem O’Duys tekstschrijver worden bij een reclamebureau. Een branche die in het Amsterdam van toen, met witkarren en provo’s, als behoorlijk conservatief en kapitalistisch werd gezien. Dat beeld was karakteristiek bij bureau Palm, waar ik als copywriter begon.  De directeur zat in een enorme directieruimte. Prachtig ingericht, mooi uitgelicht, fraai uitzicht. Een  gesprek met die man betekende een soort audiëntie die eerst bij zijn persoonlijke secretaris aangevraagd ‘diende’  te worden. Ridiculous! Ik wilde nooit meer een superieur boven me, dus al gauw ging ik freelance aan de slag. Sinds die tijd ben ik zelfstandig geweest. Dan kom je tot de ontdekking dat ondernemen ook stuurmanskunst vereist. Net als in de handelsvaart. Zeker toen ik met ‘collega-cowboy’ George Geudeker met een fikse banklening het reclamebureau Geudeker-Oerlemans – meestal GO genoemd -  begon. We hebben veel voorspoed gehad maar het was soms ook tegen het randje van het faillissement. ‘Ga je op je bek, dan ga je op je bek. Daar leer je van.’ Voor 60% van de ondernemers moet deze lijfspreuk van GO eigenlijk als muziek in de oren klinken. Maar goed, na een paar maanden desperaat koperpoetsen op industrieterreinen om klanten te werven, kregen we na een pitch van drie gerenommeerde reclamebureaus de kurk waar we nog jarenlang op hebben mogen drijven: het HEMA-account. Daar hebben we 17 jaar met veel plezier voor gewerkt. En tegelijk wierp zo’n grote account een barrière op bij het werven van andere grote klanten. ‘Daardoor hebben ze vast geen tijd voor ons’, werd er verondersteld. Jaren later kregen we pas accounts als Jaguar, Lancia en Saab. Voor die laatste hebben we campagnes bedacht –o.a. de introductie van de Saab Turbo met de commercial van een Australische boer die tijdens een woestijnrit zich verbaast over de technologie van de Saab Turbo – die in diverse categorieën met ADCN-lampen werden bekroond.”   Eureka! In 1977 kregen we het account van Centraal Beheer. Destijds was dat een coöperatieve organisatie met  meerdere divisies en meerdere directeuren en dus complexe beslissingsmomenten. Centraal beheer wilde zich positioneren als A-merk. Ik vormde toen met Fons Bruijs het creatieve team. We moesten concepten bedenken voor commercials en billboards. Na een aantal brainstormsessies besloten we om diverse te verzekeren calamiteiten in beeld te brengen met telkens een en dezelfde pay-off die de oplossing zou communiceren. Ook Henk Terlingen was bij ons creatief proces betrokken. In proefcommercials koppelde hij steden met typeringen. Je kent het wel. Zo komt de koek uit Deventer en de meisjes uit Arnhem. En Apeldoorn? Daar komen verzekeringen vandaan (lach). Na de zoveelste dag en avond flink creatief uithalen, kwam ik moe  thuis en verschool mij onder de dekens voor een welverdiende  rust. Na een uur liet slechts één creatief hersendeeltje me ontwaken. Eureka! Op een schrijfblaadje noteerde ik direct ‘Het is een kwestie van even Apeldoorn bellen. De volgende dag werden de eerste vijf woorden geschrapt. De langslopende campagne van Nederland was geboren. Anno 2007 kijken we op TV en in de bioscoop al naar het 40ste concept. Voor een toentertijd magere 350.000 guldens aan budget moesten vier commercials maken, geënt op verzekeringsproducten van de divisies. Het eerste concept met het beroemde, enigszins matig geprepareerde skalet van een dinosaurus en de verwoestende nies van een bezoeker draaide we in de hal van Arti et Amicitia in Amsterdam. Het skelet heeft nog jaren in de ontvangsthal van de opdrachtgever gestaan. De boodschap kwam over. Daarna zijn we doorgegaan met het concept waarbij als “eis” werd gesteld door de divisiedirecteuren, dat het ‘ongeval’ door hen altijd te verzekeren moest zijn.  Later, bijvoorbeeld bij de commercial met de Rasta en de witte streep is van “deze vereiste afgeweken en werd het concept ruimer ingevuld.“ Na zijn actieve creatieve carrière heeft Christian Oerlemans zich voor de volle 100% gestort op het schrijversschap* dat hij destijds in de bruine kroeg Eijlders. aan het Leidscheplein heeft laten liggen. Door het dynamische ondernemersleven zit met het klimmen der jaren een prestigieuze Reina Prinsen Geerligs prijs er niet meer voor Oerlemans in. Een prachtig bokaal met als opschrift P.C. Hooftprijs? Even Apeldoorn bellen. * Recente romans: Het slechte pad, De carrière en de dood, Vrouwen zijn om op te vreten. Over reclame o.a. het jubileumboek van de Art Directors Club Nederland:  En toen ging er een lampje branden…

Hoezo honger? Wees blij dat je nog kunt autorijden.

Een goed idee met slecht gevolg, zo zou je de biobrandstof kunnen omschrijven. De prijs van tarwe schoot in één dag 25% omhoog. Leuk voor de handelaren in futures, maar dramatisch voor consumenten. Grondstoffen; het angstwoord voor de toekomst. We zullen tekort komen, nog meer tekort komen, de prijzen stijgen steil omhoog. Steenkool wordt ineens weer hot, vlees wordt onbetaalbaar. Hoe komt dit onheil zo plotseling uit de lucht vallen? Nou ja, plotseling… Grote landen als India en China – we kennen inmiddels het verhaal, dat overigens nog niet verder is dan hoofdstuk 1 – groeien. Dat wil zeggen, de bewoners willen méér, ze willen hetzelfde als bijvoorbeeld wij in Nederland. Elke dag een stukje vlees, een autootje voor de deur, lekker (veel) eten. Obesitas? Daar nu nog nooit van gehoord, maar de junkfood industrie grijpt om zich heen. Dat wil zeggen; meer vraag naar grondstoffen, alleen al om te eten. Tegelijkertijd heeft iemand bedacht dat auto’s minder CO2 uitwalmen als ze op biobrandstof rijden. Vooral sinds Al Gore is dit idee omarmd. Je kunt natuurlijk biobrandstof maken van afval, maar dat is niet efficiënt. Nee, de hoogste efficiëntie bereik je met bijvoorbeeld graan, of mais. Dus moet er meer landbouwgrond komen. Dus moeten regenwouden gekapt worden (die CO2 opnemen). Een krankzinnige draaikolk waarin we zijn terecht gekomen. In Amerika bijvoorbeeld wordt biofuel gemaakt van mais. In het jaar 2017 is 300 miljoen ton mais nodig om het autopark tegen die tijd op biofuel te laten rijden. Dat rekensommetje is inmiddels gemaakt. Het betekent dat de gehéle maisproduktie (anno nu) nodig is voor biofuel. Dat is vooruitgang: honger hebben, maar wel op een schone manier kunnen autorijden.

Mijn eigen aforismen

Hieronder een paar van mijn toevallige notities…

Je wordt niet groter door op andermans tenen te gaan staan.

Je handen wijzen makkelijker van je af dan naar je toe.

Hoewel je hersens vaak maar door malen, worden je gedachten er niet fijner van.

De mooiste overwinningen behaal je op jezelf.

Het Denken is lastig, want het bemoeit zich overal mee.

Als leven een sport is, ben je zelf je belangrijkste tegenstander.

Paus op de wc: heilige stoelgang.

Rijkman Groenink: Zakken vullen met enige woestheid.

 

Taalachterstand!

In veertig jaar is er geen donder gedaan aan taalachterstand. Ik kwam een artikel tegen van mijzelf, geschreven in maart 1966. Ik schreef het naar aanleiding van een gepubliceerd onderzoek in het Algemeen Dagblad van februari 1966. Bij de Rotterdamse politie werden de sollicitanten getest op kennis van de Nederlandse taal. Van de 560 gegadigden vielen er direct 145 af, omdat ze nog niet eens een behoorlijke Nederlandse brief konden schrijven. De overigen moesten een simpel proefwerkje maken. Een sollicitant wilde zijn pozietzi verbeteren, een ander wilde graag zufur worden. Een 25 jarige jongeman met 6 jaar Marinedienst(!) viel op met een 1 voor zijn invuloefening Nederlandse woorden, een 4 voor zijn opstel en en een 3 voor taalgebruik. De spreekwoordenkennis bleek nauwelijks een test waard. Er was geen kennis. Men kan niet weten hoe een koe “verstand heeft” of, “een kalf uit de sloot haalt”. Dit soort – wel grappige, maar ook treurig stemmende – onzin. Dit was veertig jaar geleden. Als oorzaken werden vijf punten genoemd door experts – hotemetoten in goed Nederlands. 1. Te weinig aandacht voor taal onderricht op school. Geen land in Europa besteedt zo weinig lesuren aan de eigen taal… 2. De onderwijzers zijn niet meer van dezelfde kwaliteit als “voor de oorlog”. Er is meer behoefte aan onderwijzend personeel, waardoor de selectie minder streng is en het peil van leerlingen op de Kweekschool (= Pedagogische Academie) steeds lager komt te liggen… 3. De jeugd kent geen “taaltucht” meer. Niet verwonderlijk gezien het slechte voorbeeld van volwassenen. (Hij hep, hun hebben…op televisie en radio). 4. Een toenemend aantal scholieren uit de “eenvoudiger milieus” (sic) lijdt van huis uit aan taalarmoede… 5. Maatschappelijke veranderingen krijgen steeds meer vat op de schooljeugd…

Mijn vraag: wat is er vanderd? Er was toentertijd nog geen sprake van allochtoon of autochtoon, zwarte en witte scholen enz. Taalachterstand, taalarmoede, het zijn nu actuele onderwerpen. Actueel? Het wordt tijd dat onderwijzers en andere leerkrachten weer eens met de lat op de vingers slaan als leerlingen hun moedertaal verkrachten (nou ja, moeder… soms stiefmoeder dus).