Eenvoudig opgeschreven.

Er zijn mensen die niet lezen. Ze lezen geen boeken, ze vinden het zonde van hun tijd. Zie de televisie commercials (altijd een treffend tijdsbeeld): jeugdige hyperactieve types vliegen hectisch carrièremakend over het scherm. Zo is het leven vandaag. Hooguit tijd om je arbeidsovereenkomst te lezen. Zo je die al hebt als ZZPer. Toegegeven, het kost moeite om je aan de snelheid van het hedendaagse te onttrekken. De informatie wordt met bakken over je uitgestort en om bij te blijven moet je kunnen snellezen, teksten scannen en de essentie eruit zeven. Wij mensen zijn visueel ingesteld. Plaatjes kijken kan iedereen. Snellezen is zoiets als een woordenstroom instant vertalen in een plaatje.
Nu zijn er mensen die helemaal niet kunnen lezen en dus ook in de woorden geen plaatjes kunnen ontdekken. Laaggeletterdheid noemen we dit. Woordblind, kan ook. Jaren geleden werkte ik voor de Stichting Lezen, een door de overheid gesubsidieerd clubje welwillende personen die voor hun aanwezigheid en inbreng van gedachten een rekening mochten sturen (toegegeven ik zelf ook). Wij maakten programma’s in buurthuizen en de schrikbarende confrontatie met analfabetisme in ons eigen hoogbegaafde landje opende mij toen de ogen. Allochtonen? Welnee, gewoon moeders en vaders en jongeren met een lagere school diploma. Ik geef als voorbeeld een sollicitatie bij de politie: van de 560 gegadigden vielen er direct 145 af, omdat ze geen behoorlijke Nederlandse brief konden schrijven. De overigen moesten een simpel proefwerkje maken. Een sollicitant wilde zijn pozietzi verbeteren, een ander wilde graag zufur worden. Een 25 jarige jongeman met 6 jaar Marinedienst(!) viel op met een 1 voor zijn invuloefening Nederlandse woorden. De spreekwoordenkennis bleek nauwelijks een test waard. Er was geen kennis. Men kan niet weten hoe een koe “verstand heeft” of, “een kalf uit de sloot haalt”. Dit soort – wel grappige, maar ook treurig stemmende – onzin. Hoe komt dit? Omdat wij geen ‘taaltucht’ meer kennen. De hiphoptaal van de straat dringt door in de media, vooral via de televisie met al die goedkope realityprogramma’s; hun hebben, hij hep en ik dee maar wat. Ondertussen is er nog steeds een Stichting, die nu Stichting Lezen & Schrijven heet en een prinses aan het hoofd heeft. Het is dus een hoogstaande zaak. Maar, de laaggeletterdheid is de afgelopen jaren alleen maar toegenomen, ondanks het feit dat in het zog van de Stichting een uitgeverij is opgericht die “Eenvoudig communiceren” heet en de mensen aan het lezen wil krijgen door boeken te vertalen in ‘eenvoudige taal’. Er is bijvoorbeeld een abonnement ‘Literatuur voor beginners’ met de aanbeveling: Nederlandse literatuur, eenvoudig opgeschreven. Met al negen titels, waaronder de Max Havelaar en Kees de Jongen… Hoe in ’s hemelsnaam kun je literatuur eenvoudig opschrijven? In hurkzit? We hebben toch al de Donald Duck!
Ik omarm wat dit betreft onze “taalnazi” Alex Ruitenbeek, redacteur van het FD. Lees zijn stuk ‘Gezwets in de ruimte’
https://fd.nl/fd-persoonlijk/1214480/gezwets-in-de-ruimte
Ruitenberg is geen taalnazi, maar een grote taalvriend!
Laten we geld, zorg, aandacht en vakkennis stoppen in Nederlands taalonderwijs. Te beginnen in Groep 1. Dan hoeft onze literatuur niet gemutileerd te worden en zullen ruimtezwetsers vanzelf ophouden met hun indewartaal.

Autopech (deel 1)

Hoeveel autopech heb je gehad in je leven? En hoe was het?

Voor mij was er een periode zonder pech, toen ik succesvol aan het werk was en dus nieuwe auto’s reed. Hoewel? Op de snelweg komend van Utrecht wilde mijn toch redelijk nieuwe Alfa GTV6 ineens niet meer schakelen. Dus in z’n vijfde verder gesukkeld naar de garage in Zuid. Veel gasgeven met slippende koppeling bleek de auto geen goed te doen. Veel later ook nog eens zoiets meegemaakt met een oude Saab Turbo. Kom ik nog op terug.
De meeste mensen worden denk ik chagrijnig bij autopech. Of bang. Of kwaad. Ik ervaar het meer als de hand van God, hoewel ik niet gelovig ben. Het lot slaat toe, maar het is geen noodlot. Het is meer een vingerwijzing naar een verrassende wending in het leven. Hoezo plannen? Hoezo op tijd ergens naar toe? Onmiddellijk moet ik denken aan Gershwin die zei: “het leven is net als jazz, het leukste is improviseren”.

In mijn jeugdjaren had ik vaak autopech. Het meest uitgebreid komt dit voor in mijn boek ‘Op weg naar de Noordkaap’, een reis die ik samen met mijn vriend en fotograaf Cees Lantzendörffer maakte in 1959, in een Citroën Traction Avant van bouwjaar 1949. Goed beschouwd toen nog niet zo oud, maar de technologie was weliswaar eenvoudig, doch ook kwetsbaar. Lees het boek en leer bijvoorbeeld hoe je een gebroken versnellingsbak demonteert teneinde een andere – uit de sloop – te monteren.
Na mijn pensionering begon ik weer in oude auto’s te rijden, met gevolg dat jeugdherinneringen opwelden. De jongste verrassing is nog slechts drie dagen oud – nu ik dit schrijf – en laat ik hiermee beginnen dan komen de andere verhalen vanzelf.

Wij reden van Mérida in Spanje richting Porto in Portugal, waar we gingen overnachten in Castelo de Gouveia, nabij een gehucht aan de Douro genaamd Marmorial. Willemine was net twee dagen ziek geweest met darmperikelen hetgeen onze plannen al enigszins in de war had gestuurd. Een dagje later dan gepland zijn we op weg met W hangerig in de bijrijderstoel. Geen toeristische route, maar de kortste weg naar een hotelkamer opdat zij weer naar bed kan. Rond het middaguur wil ik koffie dus wij dwalen af op zoek naar een dorp genaamd Toloso. Er blijken twee café’s te zijn, waarbinnen stevig gerookt wordt door ongeschoren manvolk, zodat we tegen een blauwe walm aanlopen en W onmiddellijk weer naar bed wil. Het volgende dorp moet dan maar koffie brengen, dus de Volvo weer gestart bij een omgevingstemperatuur van 39 graden Celcius. De fan draait hevig, de airco blaast, niets aan de hand. Onderweg naar Mérida, enige dagen terug, heb ik W erop gewezen dat het van imminent belang is om de temperatuurmeter in de gaten te houden. De wijzer mag rechtop staan, maar niet verder naar rechts bewegen. Het begrip imminent is hier terecht gekozen: het woordenboek zegt ‘boven het hoofd hangend, iets dat zonder voorafgaande waarschuwing kan gebeuren’.
Wij rijden een provinciale weg omlaag als ik een vreemd geluid hoor en – uiteraard – onmiddellijk naar de temperatuurmeter kijk. De wijzer hangt in de rechterhoek als een lamgeslagen bokser. Ojee! Gelukkig daalt de weg naar een groepje huizen en op een klein pleintje parkeer ik de oude Volvo, voor een kleine comestibleszaak, centraal tussen twee café’s. Stilte alom, zinderende middagrust. W blijft rustig zitten, verwacht wellicht dat het probleem spoedig verholpen zal zijn. Ik daarentegen krijg dat avontuurlijke gevoel dat door onverwachte levenswendingen wordt veroorzaakt en wandel naar het dichtstbijzijnde café met de naam Chez Claudia, waar een oude man op het terrasje zit, zoals het hoort in Portugal. Binnen is het donker, de waard blijkt een lange man met een zekere erudiete uitstraling en hij blijkt dan ook zowaar enig Engels te spreken. Claudia is niet aanwezig, haar zien we later op het balkon de slaapkamertapijtjes uitkloppen. Hoewel mijn Portugees beter is dan zijn Engels, volhardt de waard in deze taal, terwijl ik de autopech omschrijf en een espresso (hier een bica genaamd) bestel. Dan bedenk ik mij dat W beter uit de auto kan komen en ik laat haar weten dat we hier voorlopig even blijven. De waard heeft inmiddels een mecânico gebeld en tot onze verrassing staat die binnen de kortste keren voor de deur, met een oud Opeltje. Een joviale man, genaamd Luis. Samen openen we de motorkap van waaronder ons een verzengende hitte tegemoet slaat. Voorzichtig opent hij de container van de koelvloeistof, maar geen gevaar voor stoom of kokend water, er is geen vloeistof meer. Luis verdwijnt naar het café en komt samen met de waard terug, met karaffen water, de karaffen waarin gemeenlijk wijn wordt geserveerd. Na een stuk of zes karaffen dien ik de motor te starten en het probleem wordt onmiddellijk zichtbaar: stoom uit de slangaansluiting van de radiateur. Motor af! Luis draait met zijn zakmes de slangklem los en toont mij een scheurtje in de tuit van de radiateur. Te repareren? Haha.. nee meneer, hier moet een nieuwe radiateur komen. Noodreparatie? Probeer ik nog. Luis is bereidwillig, stapt in zijn Opeltje om gereedschap en koelvloeistof te halen. Met mooi rood tape omwikkelt hij de radiateuruitloop en monteert de slang er weer op. Nu starten. Pffft…stoom ontsnapt en water druipt omlaag. Hopeloze zaak dus. Er moet echt een nieuwe radiateur komen. En wat erger is, volgens Luis is vast en zeker de koppakking naar de filistijnen. Kortom, de kop moet eraf zodat de zitting gevlakt kan worden (dit legt hij uit in het Portugees) en er een nieuwe koppakking kan worden gemonteerd. Het dringt langzaam tot mij door dat dit een grote reparatie is. Abrantes is nog 10 kilometer. Hoe kom ik bij een werkplaats daar? Moeten we worden gesleept? Kan Luis dit regelen? Of de waard misschien? Hoho zegt Luis, maak je geen zorgen, hij kan dit wel repareren. Ah gelukkig, dat valt alweer mee. Samen over de verhitte motor gebogen, onder de schaduw van de motorkap, vraag ik of hij een hotel weet, of een kamer, of hoe dan ook een onderkomen in dit dorp met tien huizen, een kerk en twee café’s die geen van beide de titel ‘hotel’ op het door een koffiemerk gedoneerd zonnescherm dragen. Luis gaat mij voor naar het café en begint mobiel te telefoneren. Hij belt het hotel, legt de waard uit. Is hier dan een hotel? Ja een heel erg luxe hotel dat pas een jaar geleden is geopend, slechts twee kilometer lopen, voorbij de kerk rechtsaf. Twee kilometer lopen met drie koffers, twee laptops, drie tassen met schildersspullen… Luis komt naast me staan en geeft zijn mobiele telefoon: hotel. Ik krijg een man aan de lijn en tot mijn opluchting spreekt deze een beetje Engels. Een kamer? Ja ja, dat is mogelijk. Hoelang? Luis heeft me duidelijk gemaakt dat het wel drie dagen gaat duren. Drie nachten dus. Dat kan zegt de receptionist, de prijs is 120 euro. Voor drie nachten? Nee, per nacht. Hè?? Wat zegt u? In deze negorij zo’n tarief? Reagerend op mijn verwonderde protesten, verlaagt de man de prijs naar 100 euro, althans, dit wil hij met zijn patron overleggen. Ik stem maar toe, wat moet je anders? Ik geef Luis zijn telefoon terug en zeg dat het 100 euro gaat kosten, per nacht ja. Luis en de waard en twee inmiddels aangeschoven oudere mannen vallen welhaast in katzwijm en grijpen zich vast aan het tafeltje. Hierop staat het flesje water van W en mijn koffie plus een tosti ham/kaas waarvoor ik alles bij elkaar twee euro zestig heb betaald. De verontwaardiging van de mannen is dus goed verklaarbaar. Luis pakt zijn mobiele telefoon en belt weer naar het hotel, een lang gesprek in het Portugees. Uiteindelijk krijg ik weer de receptionist aan de lijn: de prijs is gedaald naar 80 euro. Wow. Hoewel de omstanders het nog steeds belachelijk duur vinden, stemmen wij uiteraard hiermee in. Luis biedt aan om ons te brengen. Met dat Opeltje? Nee nee, hij haalt even een grote auto, voor de bagage. Tien minuten later rijdt hij voor in een mooie nieuwe Volvo. Hoe bestaat het. Nu vertrouwen we Luis helemaal ten Volvo. We laden alles in, rijden rond de kerk een zandweg in en bereiken een groot gebeuren, met stallen en huizen en landerijen. Van buiten authentiek, van binnen schokkend modern, nihilistisch met geschuurd beton en veel glas en een open badkamer achter het bed. Honderd meter verder in het land ligt een monumentaal zwembad. Wij zijn de enige gasten en het restaurant is helaas – met excuses hiervoor – gesloten. We gaan even op bed liggen, met de airco op 24. Dan tegen zes uur wandelen we naar het zwembad en doen gewoon net of we met vakantie zijn. W gaat zwemmen. Nu komt over de zandweg een grote auto aanstuiven, waaruit de eigenaar te voorschijn komt. Hij heet Francesco en hij beweegt zich voort op een wonderlijke zwaaiende manier. Heeft duidelijk een motorische storing opgelopen (evenals onze Volvo). Francesco offreert mij een biertje uit de betonnen bar bij het zwembad en vertelt dat zijn familie 15 architecten telt. Kennelijk allemaal dol op strakke betonnen vormgeving, rechte lijnen, rechte hoeken. Francesco heeft in auto’s gedaan, hij was marketingmanager van Citroën (en kent dus reclamebureau RSCG waarmee ons bureau in 1988 samenging), later baas bij Volkswagen en Skoda en tenslotte hoogste baas van Fiat Portugal. Hij is hier in Casa Branca geboren en verwezenlijkt kennelijk een soort herenboerendroom. Maisvelden zover het oog reikt, tot aan de oever van de Tejo (Taag). De helft van zijn land was al van zijn moeder, de andere helft heeft hij bijgekocht van de buren. Ruim honderd hectaren, waarover de hele dag sproeiers rijden die gevoed worden vanuit de rivier via een ingenieus buizensysteem en een pomphuis.

’s Avonds rond acht uur wandelen we naar het dorp, W denkt dat zij misschien iets moet of kan eten. Ons bekende café serveert geen maaltijden, maar een oud omaatje heeft ons ‘s middags verzekerd dat het eten aan de overkant heel goed is. Dit café meldt dan ook ‘restaurant’ op het zonnescherm. Als W de donkere rokerige bar ziet heeft zij geen eetlust meer, maar ik loop door en vindt zowaar een kamer met gedekte tafeltjes, waar een echtpaar met kinderen zit te eten. Kom binnen, roept de man in het Portugees. Het eten is hier goed. Het omaatje had wellicht gelijk. We kiezen een tafeltje bij het raam en ik bestel een karafje rode huiswijn (kan nooit verkeerd zijn in Portugal) terwijl W een watertje neemt. We kunnen kiezen: vissoep, Portugese biefstuk of lombo van het varken. W neemt de lombo, die heel droog blijkt. Portugese biefstuk bestaat uit dunne lappen vlees, half gebakken half gestoofd, met een gebakken eitje er bovenop. Tomaten sla met uit erbij, best te doen. Het meisje dat bedient en een soort kinderachtig kruippakje draagt, spreekt na enige aarzeling een paar woorden Engels. Zij is de dochter van de eigenaar en heeft vakantie. We complimenteren haar met haar talenknobbel, hetgeen ze glunderend accepteert. Ze heeft prachtig dik zwart lang haar, grote verbaasde ogen en een huppelend loopje. ‘You’re welcome’, zegt ze te pas en te onpas. Ze vertelt trots dat zij de chocolade mousse die ik als toetje heb gekozen zelf heeft gemaakt. W durft geen toetje te nemen en zegt later dat ze hier nooit, nee nóóit meer wil eten. Gelukkig blijkt dan het restaurant in ons hotel geopend en staat er een kok tot onze beschikking die met heel veel plezier heel erg lekker kookt.

De tweede avond – we eten in het hotel-restaurant dus – zitten daar ook Francesco en zijn aantrekkelijke echtgenote Margarita. Mooie mensen van duidelijk goede familie, spreken Engels, Frans, Italiaans en uiteraard Portugees. Na het eten schenkt Francesco ons een frambozenlikeur die aan cognac doet denken, gemaakt door een vriend, en daarna nodigt hij ons uit in zijn bar. Deze bar is een monument voor hemzelf. Er is een wand geheel beplakt met rally-foto’s, Citroën DS, Austin Mini Cooper, Fiat Speciaal; tientallen auto’s vliegend door zanderige bochten tijdens de rally van Monte Carlo of ander spektakel. Francesco staat vaak op de foto’s, met officiële mannen erbij en auto’s met nummers. Zodra we binnen zijn draait hij op de bar een film op zijn notebook, waarop Margarita dansend te zien is. Zij danst prachtig, uitdagend, wulps zou men kunnen zeggen. Wij drinken een glas en zij laat foto’s zien van hun huis aan de westkust, bij Nazaré, waar de oceaan woest kan zijn en waar mooie eilanden bij hen voor de deur liggen. Dan besluit Margarita dat het tijd wordt om te dansen, dus zet Francesco de muziekinstallatie op luid en W – inmiddels weer bijna beter – voegt zich heupwiegend bij Margarita en de dames draaien en tollen en swingen jeugdig door de tent, zodat ik mij niet kan inhouden en mij eveneens in bochten begin te wringen. Francesco kijkt genietend toe, dansen kan hij niet (meer), maar hij gaat sowieso door zijn motorische storing dansend door het leven. Zo maken wij dus nieuwe vrienden. En zoals ik in het begin van dit verhaal al schreef, tegenslag opent nieuwe kansen en vergezichten op veranderingen. Het leven wordt pas leuk als het misgaat.

Bevrijding in Bolsward, gezien door een zevenjarig Amsterdams jongetje.

De belangrijkste gebeurtenis was de terugtrekking van het Duitse leger. Daarover ging het die winter, de moffen die ik eigenlijk alleen in Amsterdam had gezien als ze door de straten marcheerden en wij er als jongetjes achteraan marcheerden, die waren ineens overal in Bolsward. Ze stonden op wacht bij het stadhuus en liepen met geweren door de hoofdstraat en iedereen was bang en we moesten thuis blijven. Mijn vriendinnetje Mettie kwam niet meer en wij mochten ook niet naar haar toe, naar de boerderij. Dus speelden mijn nichtje Siepke en ik vaak samen, zij was ineens aardiger tegen mij nu Mettie er niet meer was. Die winter leerde ik samen met Siepke alle geheime donkere hoeken van de zolder kennen, daar waar spinnenwebben in je haren bleven zitten. Op een dag was er iets heel ergs aan de hand en we werden als de donder naar beneden geroepen. Iedereen was in de keuken en praatte door elkaar. We moesten met z’n allen op de grond zitten. Oom Eele en Theo hadden de winkel leeg gehaald, de toonbank stond scheef tegen het raam en de glazen vitrine, waarin vroeger de koek en de taarten werden tentoongesteld, hadden ze naar de achterkamer gesleept. Er ging iets gebeuren, maar wij wisten niet wat. Het was in ieder geval gevaarlijk. Toen kwam die enorme klap, alsof het tien keer onweer was. De ruiten rinkelden en er viel zand en stof naar beneden vanaf het plafond in de keuken, tussen de houten balken vandaan. Na de klap volgde er nog een en toen nog een. Het was een vreselijk lawaai en in de verte hoorden we sirenes, van de brandweer of de politie. Verder leek het vreemd stil buiten, geen vogels, geen wind, geen geluid. De ogen van oom Eele keken nog boller dan anders en hij sloop naar de winkel en we hoorden de winkeldeur. Hij ging naar buiten! Er gebeurde niets. Het bleef stil, niemand zei iets, de stilte hing als stof om ons heen. Toen stonden Theo en tante Hieke op en gingen ook naar buiten en daarna Hennie en Eeke en tenslotte gingen Siepke en ik ook buiten kijken. De lucht was donker, het rook vreemd en het leek net alsof het regende, maar er was alleen stof. De stem van oom Eele was schor en hij spuugde toen hij het zei: ‘die ferflokte rotmoffen’. Zijn ogen bliksemden en hij klonk bozer dan ik ooit had gehoord. ‘Ferflokte rotmoffen!’
In de weken daarvoor hadden wij wel gemerkt dat alles anders was. Al die soldaten ineens overal en we gingen eten halen in een emmertje, bij het station van de stoomtram uit Staveren. Het park aan de overkant was afgesloten, het hek was dicht. We hoorden oom Eele de hele dag mopperen, ook omdat het tonnetje van het huuske niet werd opgehaald door de zwarte boot die elke week door de Kampen kwam varen. Die boot kwam niet meer. Het was oorlog geworden in Bolsward. In de keuken was het koud en de voorkamer en de achterkamer waren afgesloten en oom Eele speelde niet meer op het orgel. Wij kinderen mochten nog wel buiten spelen en op de dijk zagen we al die soldaten voorbij marcheren, maar zonder muziek. Het was lang niet zo mooi stampend in de maat als vroeger in Amsterdam, ze liepen eigenlijk meer te sjokken. Hun jassen waren smerig en ze hadden vieze laarzen en schoenen. Mijn nicht Eeke die veel ouder was, ik denk wel dertien, ging met ons mee om te kijken naar die lange stoet krakende karren die door magere paarden werden voort getrokken. Op de bok zaten soldaten, weggedoken in de kraag van hun grijze jassen. Zo schommelden ze voorbij, al die paardenkarren, huifkarren met soldaten en daartussen ronkende en stomende vrachtwagens. ‘Earmoedich alde soadsje’ zei Eeke. Ja een armoedig oud zootje, dat was het. Er waren ook hoge vrachtwagens met een rood kruis in een witte cirkel en wagens met loshangende gescheurde zeildoeken kappen en kleine auto’s met achter vier wielen en sommige met rupsbanden die over de keien ratelden. Dat ging maar door, er kwam geen eind aan. Elke dag als we gingen kijken op de dijk kwamen er weer nieuwe Duitsers voorbij, allemaal even somber en stil, met lege gezichten voor zich uit starend, heel anders dan de soldaten die in Bolsward nog steeds overal de wacht hielden. Die droegen glimmende laarzen en hadden mooie petten. Zij onderzochten huizen, trapten soms gewoon de voordeur open en bij het bolwerk hadden ze mannen van het verzet doodgeschoten. Voor die soldaten moest je oppassen, maar die anderen die in lange colonnes over de dijk kwamen zagen er niet gevaarlijk uit. Earmoedich, Eeke had gelijk.
Op de dag van de grote klap hadden de moffen de brug opgeblazen, die mooie grote ijzeren brug over het kanaal, waarover voorheen ook de stoomtram reed. Daarom rinkelden de ruiten en was er overal stof in de lucht. We vonden grote stukken ijzer achter op de binnenplaats en er zat een gat in het dak van de schuur waarin vroeger het deeg lag. Maar wat gaf het, oom Eele had al de hele winter geen koek meer gebakken, ook geen brood, helemaal niets.
Toen we later weer naar buiten mochten, waren er geen Duitsers meer in de stad. Nergens meer. Het was erg leeg op straat, alle mensen waren bij de brug die er niet meer was. Er stonden alleen nog halve pilaren, stukken steen met verbogen ijzer. Tante Hieke die was meegekomen aan de arm van Hennie, stond te huilen, haar ogen waren nog roder dan anders. Oom Eele herhaalde steeds maar hetzelfde; ‘ferflokte moffen, ferflokte rotmoffen’, alsof hij een gebed opzegde.
De oorlog was voorbij, maar wij wisten dat nog niet zeker. Het werd gezegd op straat, dat er vliegtuigen zouden komen die meel zouden gooien zodat de bakkerij weer brood kon bakken. En dat de Canadezen zouden komen en de Engelsen. Maar er gebeurde niets. Het bleef stil en leeg op straat. Soms hoorden we wel eens vliegtuigen heel ver weg, je kon ze niet zien en het gebrom kwam niet onze kant op. Het was een nare tijd, we mochten nergens naar toe, ook niet naar de boerderij van Mettie. Als we teveel lawaai maakten op zolder brulde oom Eele dat we stil moesten zijn. Het was geen tijd om te spelen, geen tijd om vrolijk te zijn. De winkel bleef dicht, met de toonbank scheef achter de etalageruit.
Later moest ik vaak denken aan wat Eeke had gezegd. ‘Earmoedich’, ja alles was ongetwijfeld in die laatste oorlogsjaren armoedig. Maar als kind van zeven is armoedig al spoedig normaal. Ik zag de dood voorbij marcheren, maar had nog een heel leven voor me; hinkende Duitse soldaten achter huifkarren met aftandse paarden en rokende trucks waren niet troosteloos, maar spannend, een groot avontuur. En het zou nog mooier worden als de Canadezen kwamen. Zoals beloofd.
En daar kwamen ze!
Ze kwamen over de dijk waar de Duitsers kortgeleden nog met hun armoedige paardenkarren waren vertrokken. Wat een leger. Ik stond tussen alle mensen van Boalsert te juichen en te roepen van hoera en welcome en die soldaten maar wuiven en lachen, ze zaten bovenop hun grote tanks en ze stonden in hoge groene vrachtwagens met platte stompe neuzen en één koplamp brandend. En er waren jeeps en kleine wagens met dubbele wielen en rupsbanden, en soldaten in leren jassen op motorfietsen, het ging maar door, eindeloos, en al die soldaten waren vrolijk en rookten sigaretten en gaven iedereen zomaar een hand. Ze reden over de tramrails van de stoomtram die allang niet meer had gereden, naar de Marktstraat en langs het stadhuus en ze stonden stil op de Markt om foto’s te maken met de meisjes met lange haren en overal stonden mensen en iedereen was blij en de mensen gooiden met bloemen en er hingen vlaggen aan het stadhuus, roodwitblauw met een oranje wimpel en verderop een grote Amerikaanse vlag, hoewel het Canadezen waren zoals werd gezegd. En daarna kwamen de Engelsen en de doedelzakspelers uit Schotland met hun geruite rokken en baretten en wij jongens liepen voor hen uit te dansen. Bij de brug die er niet meer was maakten ze een kampplaats en begonnen met de bouw van een noodbrug die ze over het kanaal schoven, stukje bij beetje tot ze aan de overkant waren. Dat heette een Baileybrug vertelden de grote jongens. Het leek net een lange kooi van ijzeren balken met een vloer van houten planken. In een dag was de brug klaar, misschien wel in een uur, het ging van huppekee en nog voordat het donker was en ik naar huis moest reden die grote tanks gewoon over de Baileybrug alsof het altijd zo geweest was. ’s Avonds had Eeke chocoladerepen en sigaretten. Ze kwam heel laat thuis en vertelde dat ze had meegereden op een tank, tot over de Baileybrug. De soldaten hadden haar opgetild, wat niet moeilijk was want zij was een scharminkel met dunne armen en benen, waarmee ze toch behoorlijk hard kon trappen en slaan. Mijn grote nicht Hennie had ook sigaretten van de soldaten gekregen, maar zij was niet op een tank of een vrachtwagen geklommen, zoals veel meisjes, die daar dan samen met de soldaten zaten te juichen en te zwaaien. Hennie was verloofd en ging trouwen met haar vriend die in Sneek woonde.
Sommige mensen stonden te zwaaien met roodwitblauwe en oranje vlaggetjes en we vroegen ons af waar ze die vandaan hadden gehaald. In het huis van oom Eele en tante Hieke waren geen vlaggetjes te vinden, ze hadden nog niet eens een vlag buiten aan de winkel. Nee nergens vlaggetjes, ook niet in het achtergedeelte achter het schot met de losse planken. Daar was een geheim kamertje waarin een bed stond, maar toen Siepke en ik het ontdekten sliep er niemand meer in dat kamertje. Het bed was kaal en het rook er muf.
Nederland was bevrijd. Maar in Amsterdam waren nog soldaten. Oom Eele las voor uit de krant, it Deiblêd de Ljouwerter (Leeuwarder Courant, die meteen na de oorlog weer verscheen), dat er in Amsterdam op de Dam mensen waren doodgeschoten toen ze dachten dat Nederland al bevrijd was van de moffen. Dat was een paar dagen nadat bij ons de brug was opgeblazen en alle Duitsers vertrokken waren. Ik kon nog niet naar huis, trouwens we wisten niet hoe dat moest want de oom die mij had gebracht was verdwenen en er reden geen auto’s of bussen of de stoomtram. Hoe moest je in vredesnaam helemaal naar Amsterdam komen. Ja op de fiets misschien, zoals mijn pappa dat had gedaan nog voordat ik naar Friesland ging. Maar we hadden in Boalsert ook geen fietsen, die waren door de Duitsers meegenomen, ja zelfs de bakkerskar van Theo hadden ze ingepikt. Niet erg, want er was op ’t eind toch geen brood meer om te venten, maar na de oorlog zou de oven weer worden opgestookt, had oom Eele gezegd.
‘Ja mantsje efter den oarloch gean wy wer koeke bakke, ja myn jong ja wis!’ Hij wist het zeker, de schuur achter op het plaatsje bij het huuske zou weer vol liggen met het deeg voor de kruidkoek. En ook de boot zou weer komen om ‘it tonnetje mei poep op te helje’, zoals hij beloofde. Dat was het grootste probleem geweest in de laatste oorlogsjaren. Eerst had Theo het tonnetje nog met de bakkerskar kunnen wegbrengen, om leeg te gooien in het land over het bruggetje bij de fruitbomen. Maar toen de bakkerskar er niet meer was leegden Theo en oom Eele het tonnetje ’s avonds voor de deur, in de Kampen. Ik liet er toen geen bootjes meer in varen en voor het polsstok springen gingen de jongens naar de Kleine Dijlakker. Er waren wedstrijden wie over de Grote Dijlakker kon springen. Ik mocht tot de zomer in Bolsward blijven, waar het park weer open was en het zwembad ook. Bij Mettie op de boerderij was veel veranderd, de stallen waren leeg en alle paarden waren weg, meegenomen door de moffen. Dat kwam wel weer goed zeiden ze, want ze kregen geld van Amerika. Mettie was ook veranderd, zij was mager en haar lange witte haar was afgeknipt en stond een beetje overeind en ze lachte niet meer zoals vroeger en stak ook haar tong niet uit. Het leek alsof ze verdrietig was en er een wolk tussen ons hing die alles mistig maakte, zelfs haar ogen waren niet meer zo blauw. Het was voorbij met de stoeipartijen. Ze kwam niet meer logeren op de Kampen en daarna moest ik weg, weer naar huis, naar Amsterdam en dan zou ik haar nooit meer zien. Ja, alles was veranderd na de oorlog.

Fragment uit het boek “Flarden” (nog onder constructie) van Christian Oerlemans.

Het Geluksgevoel.

Het was maandagochtend. Ik was alleen thuis, want mijn geliefde was haar kunstzinnige visie aan het verbreden in buitenlandse musea. Het had licht gesneeuwd, de natuur lag stil en de enige geluiden die ik hoorde waren de geluiden in mijn hoofd. Rust overviel me, en de werkzaamheden waaraan ik ’s nachts nog had gedacht werden ongelofelijk onbelangrijk, afgezet tegen het ruimtetijd model dat wij stervelingen op deze aarde als realiteit ervaren. Ik besloot om in een warm bad te gaan liggen, met een kop koffie en een paar smakelijke koekjes en het nieuwste boek van Stephen Hawking getiteld “The Grand Design”. Voldoende ingrediënten om zelfs mijn eigen ik te relativeren. Lezend in de buitenaardse, ja zelfs buitenuniversele gedachten van deze grote denker, neergeschreven via een aangepaste computer die zijn denkwerk voor ons vertaalt in woorden, ervoer ik het geluksgevoel. Mijn fysiek totaal ontspannen (denk aan Archimedes en de zwaartekracht), mijn psyche louterend gevoed met hersenvoedsel van een hogere orde, van een grootheid die menige onwetende Goddelijk zou noemen, zweefde ik door het heelal in stille verwondering. In zekere zin werd ik een gelovig mens. In vroegere tijden – en nu nog – werd gepredikt dat je moet geloven om gelukkig te zijn, maar het is andersom. Je moet gelukkig zijn om te geloven dat onze waarneembare realiteit werkelijkheid is, dat het leven bestaat, dat wij Zijn. Wij zijn dankzij een evolutionair proces, dat zich voortdurend vernieuwt en verbreidt sinds de oerknal ruim 13 miljard jaar geleden het systeem (ons systeem) in werking heeft gezet. Wat was er vóór de oerknal? Dat weten we niet en kunnen we niet weten omdat onze wetenschap hier geen aanknopingspunten vindt via de waarneembare realiteit. Zelfs de hersens van Hawking kunnen niet verder terugdenken dan 13 miljard jaar. Het is natuurlijk ook wel genoeg denkstof, zeker in vergelijking met het Model van Genesis dat slechts zesduizend jaar teruggaat en waarin God ons voor de gek houdt door overal fossielen te verstoppen die ons vertellen dat de aarde veel ouder is dan zesduizend jaar. En dat bestaat niet. Zo zou je kunnen concluderen dat God bestaat, maar daar gaat dit verhaal niet over.

Het geluksgevoel is een momentopname. Het is onmogelijk om je altijd gelukkig te voelen en dat is maar goed ook, want dan zou de mens niets bereiken. Ongeluksgevoel is nodig voor de ontwikkeling – en als we dit te menselijk gedacht vinden (kan een dier geluks- en ongeluksgevoelens hebben?), noem het dan ongemakgevoelens of nog eenvoudiger, ervaringen van ongemak. Hierop is de evolutie gebaseerd. Aanpassing aan de omstandigheden. Wilskracht en doorzettingsvermogen zijn begrippen (het zijn slechts woorden waarmee wij bepaalde vermogens trachten te omschrijven) die hierbij passen. Zonder wilskracht en doorzettingsvermogen – en soms enig geduld – gebeurt er helemaal niets in de natuur. Kijk naar de mieren. Of naar het boompje dat zich op de rots weet te handhaven, dat zou je ook doorzettingsvermogen kunnen noemen.

Terug naar Stephen Hawking. Waarschijnlijk zou hij graag, net als ik, in een warm bad willen liggen met koffie en koekjes en een interessant boek. Maar rond zijn twintigste openbaarde zich bij hem de ziekte ALS (amyotrofische laterale sclerose), een neurologische afwijking die de zenuwcellen onklaar maakt zodat de fysiek niet meer motorisch functioneert. Toen de ziekte werd vastgesteld, gaf men hem nog een paar jaar, maar dankzij de wetenschap (waarin hij zelf gelooft) leeft hij nog steeds, hoewel hij sinds 2009 geen enkele spierfunctie meer heeft. Alleen zijn hersens werken. Hawking gelooft niet in God. Maar men zou kunnen geloven dat God hem volstrekt onbewegelijk heeft gemaakt, opdat hij zich beter kan concentreren op het denken en zodoende de grootheid van de Schepping kan beschrijven in zijn boek “The Grand Design”. Hawking in dienst van de creationisten. Hij zou uit zijn stoel springen als hem dit werd aangewreven, denk ik.

Goed, laten we teruggaan naar het Geluksgevoel. De ervaring ervan hangt naar mijn mening nauw samen met de eerdergenoemde begrippen wilskracht, doorzettingsvermogen en geduld. Als je niet met tevredenheid naar ervaringen in je verleden kunt terugkijken, zul je het geluksgevoel niet vinden. Het geluksgevoel is namelijk verbonden aan tevredenheid met jezelf, en de oorzaak hiervan ligt nooit in de toekomst.

In deze verhandeling is nu het moment gekomen om euforie en geluksgevoel te onderscheiden. Neem een schaatser die wereldkampioen wordt op de sprint, Stefan Groothuis, al dertig jaar oud en eindelijk – zoals hijzelf eindeloos herhaalde – eindelijk werd hij kampioen. Euforie. Uitzinnige vreugde. Het lijkt op geluk. Hij heeft heel veel wilskracht en doorzettingsvermogen en geduld nodig gehad om ziekte en tegenslagen te overwinnen, om te blíjven trainen, te blijven geloven in zichzelf en in de bereikbaarheid van zijn doel. En nu? Moet hij zijn titel nu verdedigen? Moet hij ook Olympisch kampioen worden? Zo goed als Wotherspoon kan hij niet meer worden en misschien is dit nu – straks, morgen – een naar gevoel. Hij raakt zijn titel kwijt, is het niet volgend jaar, dan het jaar daarop. Ongeluksgevoel. Afzien. Afbouwen, afscheid nemen. Maar jaren later, heel veel jaren later zit hij in een warm bad met een kop koffie en een koekje en leest een interessant boek over de geestelijke vermogens van de mens, over kwaliteit van leven, over goed in je vel zitten en tevreden zijn met jezelf. Misschien overvalt hem dán het geluksgevoel. Dat hij het zo slecht nog niet heeft gedaan, dat hij best een goeie kerel is, dat hij geen vergelijkingen nodig heeft met anderen en dat het Zijn nog wel iets anders is dan hardschaatsen, hoewel dat een heel mooie sport is. Zoiets. Een topsporter op de top van zijn sport zie ik dergelijke filosofische gedachten niet ontwikkelen, net zomin als een topzakenman/vrouw op de top van zijn/haar carrière of een topdenker op de top van zijn imago. Euforie nu, geluksgevoel komt later.

Stephen Hawking werd beroemd met zijn boek “A brief history of time” (vertaald als “Het Heelal”), een kosmologisch denkwerk waarin hij de imaginaire tijd introduceert om grip te krijgen op zwarte gaten en de oerknal. Het enorme succes – de populariteit – van dit boek moet hem een gevoel van euforie hebben gegeven. Toch maar mooi opgeschreven, zonder handen. Nu twintig jaar later volgt “The Grand Design”, waarin hij meer filosofisch wordt over ons wetenschapsmodel van waarneming en waarschijnlijkheid. Hij stelt hierin de vraag:

“Is de manier waarop het universum is ontstaan een daad van God, om redenen die wij niet begrijpen, of is het voorgeschreven door de wetten van de wetenschap. Ik denk het tweede. Want omdat er wetten zijn als die van de zwaartekracht, kan en zal het Universum zichzelf creëren vanuit het niets.”

Pas na het schrijven van dit boek heeft Hawking zich duidelijk uitgesproken als atheïst, gelovend in wetenschap gebaseerd op rede en waarneming, boven het geloven in dogma’s. Zou hij nu in een warm bad worden gezet met koffie en een koekje, dan zou hij ongetwijfeld het geluksgevoel beleven. Hij kan vijftig jaar terugkijken naar denkwerk dat hem op basis van de diagnose van zijn ziekte niet gegeven was.

Zo kom ik op de “kwaliteit van leven”, dat mooie modieuze begrip wat we hanteren in onze hang naar geluk(sgevoel), ontwikkeld na de jaren van de emancipatoire revolutie in de westelijke wereld (niet toevallig samenvallend met het loslaten van de gouden standaard in 1972 en de groeifactor als het ultiem goede). Ieder heeft over de staat van idealiteit een eigen mening, zoniet gevoel. Minder werken, meer vrije tijd, gezonde voeding, mooi weer, mooi huis, mooi interieur, leuke kinderen, goede opleiding, enfin, de intelligente lezer kan deze opsomming zeker voortzetten en wellicht verbeteren of vervolmaken. Maar mijn stelling is, dat kwaliteit van leven samenhangt met de ervaring van momentele geluksgevoelens, die op hun beurt samenhangen met retrospectieve gedachten over het Zijn en het Zelf. De grootste vijand van onze geluksgevoelens is ons Zelf, in onze neiging tot afhankelijkheid van mensen en omstandigheden om ons heen. Wij streven (meestal) naar een leven in de ogen van anderen, onder de omstandigheden die door anderen gecreëerd zijn of worden. We willen goed gevonden worden, we willen mooi gevonden worden, we willen slim gevonden worden en vul maar in. Opvoeding speelt hierin natuurlijk een rol. Gebrek aan zelfvertrouwen is het kenmerk van een te grote afhankelijkheid. Onrust eveneens. Schuld en schaamte zijn de misgevoelens die door de eeuwen heen misbruikt zijn door de opvoeders, door de mensen met Macht in kerk en maatschappij. (En in het gezin).

Wie kwaliteit van leven, in welke context dan ook, nastreeft zal nimmer het doel bereiken. Het zal nooit goed genoeg zijn. Er zal aan zovele plichten en verplichtingen moeten worden voldaan, dat slapeloosheid het gevolg is, evenals de maagzweer, de dip, de hoofdpijn en de chronische vermoeidheid. Het gevoel van mislukking dringt zich op. Psychiaters, coaches, haptonomen, auralezers en handopleggers verdienen een boterham aan jouw hopeloze falen. Je bent de controle kwijt, als je die al ooit gehad hebt. Je bent jezelf kwijt, je zoekt, je kijkt verbeten in de spiegels die anderen je voorhouden en je ziet iemand met wie je geen relatie hebt. Einde verhaal. Tijd voor de drastische stap, de stap terug naar jezelf. Wie was je ook al weer? Bekijk de fotoalbums van je jeugd, herinner je het kind. Herinner je de geluksgevoelens die je had, als kind. Ga vaker in een warm bad zitten met koffie en een koekje. Dat heeft iets kinderlijks, inderdaad. Lees een boek waar je hersens iets mee kunnen, geen sprookje, geen mythe, maar realiteit die even reëel is als het gevoel van de opwaartse druk in het water. Een aanrader in dit verband is “Strangers to Ourselves” van Timothy Wilson. Discover the adaptive unconscious – en je bent op weg naar de herontdekking van het geluksgevoel.

Christian Oerlemans

Januari 2012

Achtentwintig euro.

Achtentwintig Euro.

Je kunt je afvragen of het toeval is dat ik mij kort na elkaar gepakt voel voor een bedrag van achtentwintig euro. Waarom achtentwintig euro? Heeft dit een betekenis? Als ik binnenkort nogmaals over ditzelfde bedrag struikel, dan ga ik ergens in geloven.
Maar laten we daar niet op wachten. Ik vertel alvast wat er gebeurde. We waren een paar dagen in Parijs en natuurlijk wilden we ook een keer eten in La Coupole waar alle interessante, beroemde en aanverwante mensen een keer hebben gegeten, of dat alsnog een keer gaan doen. Het trof mij – maar dit terzijde – dat de koepel waar het om draait geheel opnieuw is beschilderd en hoewel mooi blauw heeft het op mij toch niet het wauw-effect van weleer. Maar goed, La Coupole blijft een aanrader en als je er nog nooit van gehoord hebt, dan wordt het een keertje tijd.
Wij wonen in dit verhaal tijdelijk in een hotel in de Marais, een pittige buurt die net onder vuur was genomen – gelukkig niet letterlijk – door Palestijnse sympathisanten en anti- Israëlieten waarbij in de bekende Rozenstraat (Rue des Rosiers) de falafel restaurants op nogal hardhandige wijze waren aangepakt. Je kunt je afvragen of dit de mensen in de Gaza strook helpt. Maar dat is een ander onderwerp.
Het is een heel eind van de Marais naar de Boulevard du Montparnasse waar het restaurant is gevestigd. Te ver om te lopen. En omdat mijn geliefde een lichte vorm van aversie – ingegeven door angst vanwege de verhalen – heeft tegen de Metro, een prachtig vervoermiddel dat onder de verkeerschaos door raast, bestellen wij een taxi. Het duurt even en in het smalle straatje bij ons hotel staan wij te wachten, samen met een Amerikaans stel dat – zo bleek later – eveneens een taxi heeft besteld.
Ineens komen er van de Beaumarchais twéé taxis ons straatje in gedraaid, twee precies dezelfde Skoda’s. Zowel het Amerikaanse stel als wij kiezen een Skoda en terwijl ik naar binnen schuif zie ik dat er 12 euro op de teller staat. Twáálf euro en we zitten nog niet eens!
Op ditzelfde moment horen wij vanuit de Skoda die voor ons staat geparkeerd een kijverig geschreeuw en we zien de Amerikanen geschrokken terugdeinzen. Zij worden weggestuurd door de heftig gesticulerende donkerhuidige chauffeuse die half uit het raampje van haar Skoda hangt en de Amerikanen in rap Frans boze woorden toeroept. Enigszins geïntimiteerd, om niet te zeggen aangeslagen, vervoegen die zich bij ons en vragen beleefd of wij willen ruilen. Ach, waarom niet, het zijn allebei Skoda’s en onze chauffeur is een ongeschoren chagrijn.
Wij lopen dus naar de voorste Skoda en schuiven naar binnen achter de chauffeuse die nog steeds luid zit te mopperen. Zij wil weten welk kamernummer we hebben. Uh? Vierhonderddrie mevrouw. Quatrecenttrois? Oui, oui, quatre cent trois. Het stelt haar gerust en mij ook want ik zie ondertussen dat er bij haar maar 6 euro op de teller staat. Toch even gauw zes euro verdiend.
Nog steeds luidkeels mopperend en foeterend op mensen die maar doen wat ze willen en alle werken in uitvoering waar ze last van heeft, draait ze via de Bastille de Rue Rivoli op en begint die te volgen. Hoewel ik Parijs niet heel goed ken, is dit volgens mij toch niet de weg naar de Tour Montparnasse waar La Coupole niet zo ver van verwijderd is. Al spoedig staat de teller bij haar ook op 12 euro en we slaan scherp linksaf een nauw straatje in en een poort onderdoor. Tot mijn verwondering manouevreert zij de Skoda via eenrichtings pijlen langs de gebouwen van het Louvre. Leuk om die ook even te zien, maar voor de zekerheid vraag ik haar of dit wel de kortste weg is en of ze wel weet waar La Coupole is, u weet wel op de Boulevard du Montparnasse, niet ver van de Tour…
Nu is zij opnieuw beledigd en ze verhoogt het volume van haar voortrazend stemgeluid. Jaja dat weet ze wel, wat denk ik wel, dat zij dat niet weet meneer? Zij weet het precies, zij kent de weg, en ze kan de gps niet volgen (dat is mij al opgevallen) vanwege al die opbrekingen en omleidingen! Nog een geluk dat ze ons niet uit haar Skoda zet. Na nog tien minuten omrijden stopt ze triomfantelijk voor La Coupole en ze weet haar Skoda exact voor de ingang te parkeren, knap stukje werk, dat moet ik haar nageven.

Om kort te gaan, er stond dus 28 euro op haar teller toen we een half uur te laat binnenkwamen. Dat lijkt niet zo erg. Maar bij La Coupole ben je dan al lang je tafeltje kwijt, daarin zijn ze streng en dat kunnen ze zijn want er zitten continu een stuk of twintig mensen aan de bar te wachten op een vrijkomende plek. Maar wij komen helemaal uit Holland en hebben ruim van te voren via internet gereserveerd en na enig zoeken blijken we in de computer te zitten en krijgen we alsnog een tafeltje toegewezen.
Mooi. Leuke avond. Achter een varen tegenover mij zit een vent die mij bekend voorkomt. En vice versa. We knikken naar elkaar en de hele avond beloeren we elkaar omdat we niet weten wie wie is. Voor het overige: prima. Een aanrader, hoewel de rekening natuurlijk niet 28 euro was. Als u dat soms dacht.
De tweede 28 euro komt namelijk als ik de foto’s van het etentje, met mijn geliefde prachtig uitgelicht tegen het blauw van de ‘Coupole’, wil downloaden van de Nikon camera. Ik heb het Nikon usb kabeltje niet paraat. En Nikon heeft een geheel eigen ministekkertje dat je niet zomaar even bij de computerwinkel haalt. Ja, via het internet is zo’n kabeltje op te sporen en het kost bijna 6 euro. Maar… daar komen dan nog tweeënhalve euro portokosten bij. Ja zeg, dat is duur zeg.
Ik bel de beste fotozaak van Hilversum en verdomd, na lang zoeken in de kelder blijken ze zo’n kabeltje in voorraad te hebben. Eéntje slechts. Reserveer die maar voor mij, ik kom hem ophalen als ik in de buurt ben. Goed. ’s Middags moet ik toch die kant uit voor boodschappen, dus naar de fotowinkel waar ik de bedienende jongeman uitleg dat er een kabeltje voor mij klaar ligt. Hij kan het bijna niet geloven, maar na enig gesnuffel in een kastje vindt hij inderdaad het kabeltje, met mijn naam op een papiertje. Goed zo. Bij de kassa haalt hij het dingetje langs de scanner en noemt een bedrag. Ik versta acht euro, verdorie net zo duur als via internet met de post erbij. Uit mijn portefeuille pak ik een tientje. De jongeman wacht geduldig en ik ook en uiteindelijk, na nog even wachten, zegt hij “het is achtentwintig euro meneer”.
Achtentwintig euro??! Voor zo’n usb kabeltje?
Ja meneer.
Via het internet kost het nog geen zès, roep ik ontredderd.
Ja meneer, maar dit is Nikon.
Enfin, ik neem dat kabeltje natuurlijk toch maar mee en de foto’s blijken leuk. Maar het toch al niet goedkope etentje bij La Coupole heeft me nu twee keer 28 euro extra gekost. Twee keer hetzelfde getal…Toeval? Op welk nummer zit dat restaurant eigenlijk op de Boulevard du Montparnasse?

Christian, augustus 2014

Conversatie.

Dit schreef ik in 1970 en ik vind het nog steeds leuk!

Conversatie.

Goedemorgen.
Ook goeiemorgen, wat een weertje hè?
Juist. Ik zal even een raam open zetten, want morgen komt er weer een dag en dan moeten we klaar zijn voor het gaat donderen.
Gaat u zitten.
Ik zie geen stoel.
Prima. U bent dus gestruikeld over een aardappel?
Dank u, mijn stoelgang is in orde, maar ik heb wat last van klitwortels en haaruitval.
Gaat u toch zitten.
Uw schoot is onverbeterlijk, dank u.
Hebt u de afgelopen dagen nog gesnorkeld?
Mijn vrouw houdt helaas niet van erwtensoep, maar vertelt u eens, hoe zit dat met die aardappel?
Een heikel punt ja. Het wereldvoedselprobleem zit mij tot hier begrijpt u, het komt mij de strot uit.
De temperatuur van het zwemwater is op dit moment uitstekend.
Daar kunnen we natuurlijk lang en kort over praten, maar als er op Mars ook geen water is, waar blijven we dan?
Schoenen met hoge hakken lopen minder prettig.
Draagt u schoenen met hoge hakken?
Nou u het zegt.
Maar om op het wereldvoedselprobleem terug te komen, het is een probleem.
Een probleem ja. Ik voel mij de laatste tijd ook niet lekker.
U bent dus gestruikeld over een aardappel?
We zullen zien, we zullen zien, zo’n vaart loop het niet. Ik neem de tram meestal.
Openbaar vervoer, dat is de oplossing.
U moet niet te ver gaan.
Ik heb laatst eens nagedacht.
Heel verfrissend ja. Snorkelen doet de mens goed.
Vindt u het erg als ik van uw schoot af ga?
Ga uw gang, doe of u normaal bent.
Wat een weertje hè? U mag gerust uw stropdas afknippen. Ik doe mijn lange broek uit.
Gezellig. Maar om op uw probleem terug te komen, hoe ver is het?
Het is zwemmend niet te doen.
Rugslag of schoolslag?
Het schort aan de opleidingen ziet u.
Ach, we komen er wel ook al zijn we er nog niet. Zwemt u rechts of links?
Er zit een behoorlijk gat in uw onderbroek, daar kunt u last mee krijgen.
Bedoelt u rechts of links?
Politiek is niets voor mij, wij nemen altijd de fiets, fietsen is fijn, maar fietsenmakers zijn tegenwoordig moeilijk te krijgen.
Stratenmakers zijn ook maar mensen.
Vindt u het erg als ik deze punaise uit het raam werp?
Ach zat u op een punaise?
Het is pijnlijk, de prullenbak is vol en om op het schoeiselprobleem terug te komen, rookt u?
Gaat u even liggen, ik zal de deur open doen en de vliegenvanger wat lager hangen. Het zijn krengen.
Inderdaad, gelijk hebt u, ik zou het ook niet doen als ik u was.
U draagt trouwens een leuke onderbroek, heeft uw vrouw die gebreid?
Insteken, doorhalen en af laten glijden, wij moeten elkaar eens diep in de ogen kijken want zo kan het niet langer.
Wat heeft uw voorkeur, een kanariepiet of een kanarieparkiet?
Ach elk vogeltje gaat van zijn stokje als het zaad gelegd is. Nu maar afwachten.
Wat u zegt.
Medezeggenschap is mooi maar als de winkels dicht zijn koop je er niets voor.
Nou, zo erg is het niet, ik zal u geen oor aan naaien.
Prima.
Het wereldnaaiprobleem is ook een probleem, trouwens.
Nu u het zegt, gisteren zag ik nog een koppel schijtlijsters.
Hemeltergend, wat een rotzooi tegenwoordig.
Slaapt u goed?
Slapeloze nachten, ook een probleem.
Jazeker, ik kan er niet buiten. Hoor ik daar een toeter?
Jawel, die slopers zijn wel aardig maar je moet ze leren kennen.
Hoe ver moeten we nog gaan? Het wordt bodemvissen.
Kruis of munt, om het even. Het valt niet mee om de eindjes om uw nek te knopen.
Ach, laat maar zitten.
Ik ben mijn toekomst bij de geboorte al kwijt geraakt. Warm hè?
Verschrikkelijk.
Ach we moeten er niet zo zwaar aan tillen. Ik voel een windje aankomen.
Ga uw gang, maar doe de deur dicht voor de tocht.
Het lucht wel op.
U zegt het en niemand denkt het, waar een bil is is een weg.
Die slopers zijn duur tegenwoordig, het is slopen of bankieren.
A propos, hebt u nog die fraaie rugslag?
Het gaat de goede kant uit.
Kiezen we nu voor rechts of voor links?
Lood om oud zilver, rust roest nietwaar.
Als het zo doorgaat zet ik even een muziekje op.
Gezellig.
Om op het wereldvoedselprobleem terug te komen, wij hebben het maar goed nietwaar?.
Ja gelukkig.
We zien elkaar nog wel eens. Afscheid valt zwaar.
Scheiden doet leiden.
Ach u hebt daar gestudeerd?
Wij weten niet wat er eerst was, de kip of de ei.
Leiden ontzettend in last ja.
Goedemorgen.
Nou goeiemorgen dan maar weer.

Christian
1970

Gestrekt wakker liggen.

Door de twee brede openstaande deuren van mijn slaapkamer overzie ik bijna de helft van mijn woonkamer en verder, door de glazen deuren van de schuifpui een afgebakend stukje van de buitenwereld. De hemel is gestreept door luxaflex en zonlicht valt soms, op een willekeurige dag in smal gesneden reepjes op de huizen in de verte waarin ongetwijfeld mensen moeiteloos bewegen. Zo is de wereld overzichtelijk geworden vanuit het bed waarop ik min of meer gestrekt en ook verplicht de dag doorbreng. Het meest in beeld is het plafond en als je er lang naar staart zie je erachter de hemel waarin wij hopelijk straks terecht komen.
Rechts staat de televisie met erboven een kleurrijk schilderij van Jack de Rijk, waarschijnlijk voorstellend twee buurvrouwen in gesprek over alledag, in de ochtend, want zij schijnen schaars gekleed te zijn voor wie dat wil zien. Mijn venster op de wereld, een zwart vierkant met een rood lichtje, want je kunt het niet verwerken dat zo’n venster de hele dag elektronisch open staat. Gelukkig dat ik nu een hernia heb en niet dertig jaar geleden toen er nog geen afstandbedieningen bestonden. Ik heb net nog even via CNN gezien hoe groot en gevaarlijk de wereld is. Eurosport toonde gisteren flitsen uit Champions League finales met zeer fitte en onbreekbare voetballers. Graag zou ik een tijdje in de music factory willen wonen, want alleen ernaar kijken en luisteren veroorzaakt het wonderlijk fenomeen dat je niets meer hoort of ziet op het laatst.
Links aan de wand bij de deur naar de badkamer hangen drie foto’s ingelijst. Die deur heb ik trouwens meestal open zodat ik bad en wastafel kan zien waar je normaal gesproken de ochtendstop maakt vanuit je bed op weg naar de wereld, maar nu in mijn geval op weg naar mijn bed. Enfin, de linker foto is de trouwfoto van mijn ouders, in feite het begin van mijn huidige gestrekte leven. Ernaast een foto van mijn vader, nog vrolijk ongehuwd, met een groep vrienden sigaretten rokend en zich niet bewust dat dit, onder andere, zijn leven ging bekorten tot veertig plus. Het is maar goed dat je niets vooruit weet, het is al erg genoeg dat je zoveel achteraf weet. Erboven hang ik als vijfjarige bruidsjonker afgebeeld in een smetteloos wit geplisseerd bloesje op een lange zwarte broek waaronder hoogglimmende lakschoenen. Ik leun duidelijk geregisseerd zogenaamd ontspannen tegen een pilaar; een goed beschouwer kan zien dat deze regie niet zonder tegenwerking geweest is. De lakschoenen zijn namelijk van een ouder nichtje geleend en knellen enigszins. Die dag trouwde het jongste zusje van mijn vader, het bruidsmeisje dat op de huwelijksfoto van mijn ouders nog zo onbevangen en verwachtingsvol in de lens kijkt.
Verwachtingsvol is iedereen denk ik wel in het begin. In het positieve bedoeld natuurlijk, want geen mens is vol verwachting voor de shit waardoor hij of zij later wordt getroffen. Ikzelf had bijvoorbeeld nooit verwacht toen ik daar tegen die pilaar leunde, dat ik zestig jaar later wel zes ponskaartjes van gerenommeerde ziekenhuizen zou bezitten. Maar goed, ik leef nog en inmiddels al ruim twintig jaar langer dan mijn vader en toch ook al meer dan dertig jaar langer dan mijn broertje, terwijl die zelfs zeven jaar jonger was dan ik. Mijn moeder heb ik inmiddels zeer kort geleden in leefjaren verslagen, dus zo gek ben ik nog niet bezig geweest in dit gezin.
Terneer geveld op een bed heb je tijd om na te denken, vooral ’s nachts, probeer dat maar eens. Wie ben ik, of wellicht beter gezegd, wie was ik eigenlijk behalve de vader van twee prachtige zoons die vol verwachting aan hun carrière lopen te trekken en in de gelukkige omarming leven van prachtige meiden die minstens zo verwachtingsvol zijn. Dat gaat wel goed, althans, dat verwachten wij. Die jongens hebben al lang geen vaderhand meer nodig, daar heb ik zelf wel voor gezorgd. Want dat doe je als ouder, vanaf dat ze kunnen lopen begin je met het losmakingproces. ’s Morgens vroeg gehaast op weg naar de crèche, auto fout parkeren en flink doorlopen met naast je die kruimel die buiten adem hijgt “pappa, handje, handje..” “Nee kerel, jij kan best alleen lopen.” Na zulke hardvochtige opvoedkunde kan ik nu bij zo’n jongen moeilijk om een handje gaan liggen zeuren, bij wijze van spreken dan. Moeders zijn anders met die losmaking bezig, het duurt langer, vaak tot aan hun verscheiden en soms zelfs lukt het helemaal niet. Dan moeten de kinderen het zelf doen als ze daaraan behoefte gevoelen. Er bestaan kinderen die op oudere leeftijd daar dan zo moe van zijn geworden, om los te komen van die moeder, zoiets als kauwgum verwijderen van onder je schoenzool, dat ze die moeder niet meer willen zien. Dit zijn uiteraard uitzonderingsgevallen.
Wat ook heel prettig gaat -tenminste in mijn geval- als je toch maar ligt te liggen, dat is terugrekenen. Ik doe dat bijvoorbeeld graag met auto’s. In welke auto reed ik toen ik mijn vrouw leerde kennen?(Felicia). Of toen ik haar met de babybaasjes uit het ziekenhuis ophaalde?(Traction Avant, Giulia 1.6) Of die keer dat ik een drive-in show organiseerde – die had je in de jaren zeventig – en na afloop ’s nachts met de danseres in de duinen terechtkwam?(Berlina 2.0) Je kunt periodes in je leven en zelfs veel momenten terugkoppelen naar de auto die je toen bezat. Tenzij je natuurlijk je hele leven met de trein hebt gereisd, dan moet je iets anders bedenken ( de treinkaartjes bewaren bijvoorbeeld, die pasten vroeger precies in een luciferdoosje). Terugrekenen is vooral een goede tijdspassering als je ’s nachts wakker ligt, dan heb je wat te doen, het scherpt je geheugen (goed tegen Alzheimer) en werkt veelal beter dan schaapjes tellen. Ik heb al heel wat terug gerekend en bezit een geheugen als een autokalender, echt waar. Er zijn bovendien twee opties; je kunt leuke momenten of zelfs periodes als je die hebt meegemaakt terugrekenen, dan is wakker liggen ook niet zo erg, èn je kunt rotmomenten terugrekenen. Met de tweede optie weet je zeker dat je wakker blijft liggen. Ik herinner mij bijvoorbeeld nog dat ik rond mijn 50e in de auto (Thema Turbo) op weg naar huis ineens dacht: verrek ik ben volwassen! Later bleek deze gedachte overigens nergens op gestoeld, godzijdank. Volwassen worden moet vreselijk zijn. Je begrijpt de mensen niet die het als Doel nastreven. Zo had mijn vriendin, die ook niet volwassen is, ooit enige jaren een relatie met een 22 jaar jongere notaris, die toen al volwassen was en zich pensionering op zijn 50e ten doel stelde. Nee, een rotter moment dan volwassen worden kan ik mij niet voorstellen.
Je hebt dus twee opties, maar het gekke is dat de meeste mensen de neiging hebben om terug te rekenen naar rotmomenten, althans voor zover ik weet in Nederland. Dat heeft met Calvinisme te maken. Schuldgevoelens. Al die rotzooi maar wéér een keertje boven tafel halen zodat we er weer eens opnieuw goed beroerd van kunnen worden. Je kunt het vergelijken met enquête commissies. In huwelijken wordt trouwens ook gezamenlijk veel teruggerekend en niet alleen ’s nachts in bed. Echtelieden die om de beurt een ouwe koei uit de sloot halen totdat de stank van die kadavers niet te harden is en een van de partners wegloopt.
Zo kom ik weer bij mezelf terecht; getraind als ik ben in terugrekenen kon ik adequater met die ouwe koeien overweg dan mijn – inmiddels ex – vrouw. Training is alles, als je iets wilt bereiken. Wel wil ik hier overigens aan toevoegen dat mijn vrouw, met wie ik minstens twintig jaar gelukkig ben geweest (we kunnen het straks nog even hebben over de definitie van geluk), nadat de jongens op eigen benen liepen het eerder genoemde losmakingproces niet in de hand wist te houden en als een soort grote schoonmaak meteen maar alles begon los te maken dat haar in de geringste mate beknelde. Daar behoorde ik ook bij, hoewel ik dat in het begin van het proces niet door had en dan kwamen dus die ouwe koeien geheel mismaakt en chronologisch in onnavolgbare tijdzetting op tafel. Daar was geen bijsturen aan. Bovendien bleek ik mijn gehele leven niet gegroeid, hoewel ik dat in het begin ook niet door had, maar inmiddels geef ik dit volmondig toe aan wie het maar horen wil. Ik snap niks van het leven. Ik stel ook al lang geen doelen meer want er komt toch altijd iets tussen; de beurskoersen donderen in mekaar om maar iets te noemen, nou gooi dan je Estate Planning – zo heet dat tegenwoordig – maar in de papierversnipperaar en beheers je om niet de adviseur te vermoorden die jou de beleggingshypotheek of het aandelen leaseplan heeft verkocht met het Doel – jouw doel – om geld te verdienen inplaats van het met bakken te zien vervliegen. Zo had ik mezelf bijvoorbeeld nooit ten doel gesteld om te trouwen en dan weer te scheiden. Wie wel trouwens. En zeker had ik nooit het doel om op mijn ouwe dag nog eens laaiend verliefd te worden, god zal me sparen, daar gaat je rust en je vrijheid, daar wil je nog niet eens aan denken als je ’s nachts wakker ligt. En wat gebeurt? Inderdaad. En zij ook, gelukkig net zo heftig zodat we samen veranderden in onbezonnen kinderen en – ja hoor – weer doelen gingen maken. Samen dit, samen dat, samen vooruit en snel want veel tijd hebben we niet meer. Ik heb haar na de kennismaking mijn ponskaartjes laten zien( ik had er toen pas vier), maar liefde maakt blind, verdomd als het niet waar is. Zij is acht jaar jonger, maakt nog een handstand overslag en rent en vliegt met armen vol schilderijen die zij maakt, gedreven op weg naar de roem en glorie die haar allemaal nog ten deel moet vallen. Een druk meisje, heeft slechts één ponskaartje, nog vrijwel nieuw. Zij weet nog niet het verschil tussen temazepam en diazepam, eerlijk niet. Nou moet ik toegeven dat ik inmiddels een geoefend kenner ben van uppers, downers en stillers. Dit is gekomen nadat ik ontdekte dat ik niet van elastiek was, toch nog maar zo’n tien jaar geleden. Had ik ineens een zware hersenschudding – waarmee ik overigens bekend was, want ik loop nogal eens met mijn kop ergens tegenaan – en een whiplash. Nou, dan leer je het alternatieve circuit van wondergenezers goed kennen evenals de namen van eerdergenoemde middelen ter bestrijding van pijn en ander ongemak. Ik speelde golf in die tijd, competitie zelfs, waartoe ik steeds voldoende Voltaren in de golftas diende te hebben. Mijn beste partij heb ik overigens gespeeld in Portugal (Vilamoura één, Old Course, voor de kenners), met een Valium 5 mg en een Voltaren 50 mg. Anderen vallen hiervan abrupt staande plekke in slaap. Mocht je ooit een whiplash krijgen, ga niet naar bijeenkomsten van whiplash patiënten, want dan word je nooit meer beter. Ze praten je de WAO in, of erger. Nooit zoveel mensen bij elkaar horen klagen. Goed, het is rot, het doet pijn, je wordt moe en in het begin wist ik zelfs het verschil niet meer tussen links en rechts. Wilde ik links iets pakken, begon mijn rechterhand te bewegen. Maar, het wordt beter en beter, hoewel nooit meer goed, dat is wel jammer. Ik heb er bijvoorbeeld een gestoorde gehoorzenuw aan overgehouden zodat ik altijd krekels hoor. Met goede wil brengt dit je soms in vakantiestemming, maar meestal niet. Tja, dat begon dus zo’n jaar of tien geleden, die ellende. Daarvoor nooit iets gehad, afgezien dan van de geboorte van vijf prachtige grote galstenen die vrijwel tegelijkertijd met mijn eerste zoon ter wereld kwamen. Verder echt nooit iets. Goed, een blinde darmoperatie. En een keertje amoebe dysenterie in Afrika en kinderziekten natuurlijk, maar verder? Niks aan de hand. Tot begin jaren negentig, toen raakte ik aan vervanging toe.
In de zorgsector is iedereen aardig voor je en je krijgt altijd aandacht, dat is wel fijn. Een enkele keer, als je echt even aandacht nodig hebt, is er niemand bereikbaar, dat is minder fijn. Het heeft onlangs nog de grootste moeite gekost om ’s nachts een geneesheer aan mijn bad – ja bad – te krijgen toen ik daar balkend van de pijn niet meer uit kon omdat mijn linkerbeen geamputeerd leek. Even toelichten: ik was van pijn in bad gekropen, denkend aan Archimedes, maar zelfs die gewichtloosheid hielp niet meer. Ik wist toen nog niet dat ik een hernia had, dat werd mij later in het ziekenhuis verteld. Zo kom ik bij het stellen van diagnoses. Mij was verteld dat er iets scheef zat tussen bekken en heiligbeen, niet zo erg, dus elke keer als ik dacht het kàn wel weer begon ik teveel te bewegen. Zenuwslopend bleek achteraf, letterlijk. Zo was er ook een professor Schouwenburg in het AMC, inmiddels met pensioen – een assistente zei dat hij met emiritaat was, alsof hij naar het midden oosten was vertrokken – en die professor opereerde mij flink aan een wonderlijke bult die bij mijn rechterslaap gegroeid was. Ontstaan na (weer eens)een hersenschudding, dus in het begin aangezien voor een stootbult (hematoom). Na afloop van de 4 uur durende operatie kwam de bult binnen de kortste keren weer terug. Maak je geen zorgen zei de professor, en dat geloof je dan, het is lichaamseigen weefsel. Nog een paar controles en enkele MRI-scans ( waartoe je geheel vastgesnoerd op een rails in een stalen koker wordt geschoven en een half uurtje de meest oorverdovende ronkende en brommende geluiden hoort) later moest ik mij nog steeds geen zorgen maken en nooit meer terug komen. De professor kreeg genoeg van mij. Ik wilde namelijk elke keer een soort garantiebehandeling, de bult was immers ondanks al zijn graaf- en snijwerk niet verdwenen, nee ogenschijnlijk zelfs groter geworden. Maar, als je heel vaak naar jezelf in de spiegel kijkt lijkt alles te veranderen, dus ik was natuurlijk niet objectief. Desalniettemin had ik gruwelijke gevolgen gezien van ondoordacht snijwerk, bij de echtgenoot van mijn schoonmoeder die even een bultje in zijn nek liet weghalen. Dat bleek later een melanoom (kwaadaardige kankersoort) en de goede man was een half jaar later dood. Over diagnose gesproken. Enfin, inmiddels leer ik een huidarts kennen in verband met een ander ongemak waartoe ik een ponskaartje ontving voor de afdeling radiologie van het UMC, ook een mooi ziekenhuis trouwens. Deze huidarts, Kees van Ginkel, hield mij halfjaarlijks onder controle. Alles goed, alles gaaf, hoewel ik in mijn wang een rare dikke bult voelde. Wang is ook huid, dus op mijn verzoek kijkt en voelt Kees en denkt – diagnose – een opgezette speekselklier. Zou kunnen, want de emeritus professor van het AMC had ook gewag gemaakt van mijn speekselklieren en had er zelfs een weggenomen. Toch op dringend advies van Kees maar even laten nakijken door een KNO specialist. Schouwenburg valt geëmeriteerd af, maar gelukkig ken ik privé een gerenommeerd KNO arts, werkzaam in het Anthonie van Leeuwenhoek ziekenhuis (ha, alweer een ponskaartje). Eerst natuurlijk weer een MRI-scan en dan de boodschap: het is positief. Vergis je niet, in een ziekenhuis is positief niet positief. Schouwenburg had zich vergist, het weefsel kan weliswaar lichaamseigen genoemd worden, maar dan als eufemisme voor tumor. Niet helemaal zo goedaardig als eerdergenoemde emeritus professor mij had willen doen geloven. Goed, dat wordt dus snijden zegt mijn bevriende KNO arts, want daarvoor zitten wij hier beroepshalve. En dat wordt geen eitje, want er is al eens gesneden en niet zo zuinig ook, zij het onvoldoende. Mijn god, paniek in de familie, vrouwen in tranen, somberheid alom en ikzelf ook niet de vrolijkste meer. Wat denk je? Na veel overleg met specialisten wordt er niét geopereerd. Het middel zou erger zijn dan de kwaal, die omschreven wordt als ‘weke delen sarcoom’, een groeisel dat nog langzamer groeit dan een kasplantje in de kou en zich bovendien vrijwel nooit uitzaait, voor zover medisch bekend althans. Radiologie is nog een optie. Ook op deze afdeling wordt over mijn aloude bult lang vergaderd met hetzelfde resultaat; middel erger dan de kwaal. Conclusie van alle artsen; we doen niets, we zijn gewoon pakweg zeven of acht jaar te laat. Die Schouwenburg had zijn werk beter moeten doen. Of zoals mijn bevriende KNO-arts het formuleert; de diagnose is veranderd, maar de behandeling blijft hetzelfde…
Is een mens dan opgelucht? In het geheel niet!
Liever had ik van niets geweten. Gewoon onwetend ongeneeslijk ziek zijn en lekker doorgaan met zuipen en feestvieren en liefhebben enzo. Nu kreeg ik er een dagtaak bij; studie biomoleculaire geneeskunde via het internet. Wat je niet allemaal kunt doen aan je eigen ziektes is in een paar pagina’s niet te beschrijven.
Nooit heb ik zoveel vitamines, mineralen en geheimzinnige wonderdranken tot mij genomen als in deze periode. Maar allengs slijt zo’n toewijding aan zelfmedicatie en verval je weer in de gebruikelijke wijnen, bieren en koffie. Zeker als na geruime tijd blijkt, na de zoveelste scan, dat het sarcoom zich rustig houdt.
Je hebt geluk, zeggen ze dan. En verdomd het is waar; je hebt geluk als je gezond genoeg bent om te leven, zelfs al lig je noodgedwongen gestrekt.

Loosdrecht najaar 2002 – najaar 2004.

Help

Het hete water van mijn bad
Mijn lichaam pijnloos licht
Zo ook mijn hart
Neem terug mijn fouten lieve heer
Help mij slechts een weinig
Opdat ik mijzelf repareer

Geen branie meer staat in mijn kruis
Dat pijnlijk zwaar te dragen is
De horizon ligt bij mij thuis
Waar tijd aan het vervagen is

Hoe primitief geworden is mijn doel
De kleine vlucht van bed naar stoel
Een meter heen twee meter terug
Met mijn hele leven op mijn rug

December 2002
Hernia te Loosdrecht

Zes ponskaarten

Sinds ik welgeteld zes
ponskaarten bezit
Van zeer gerenommeerde
ziekenhuizen in het land
Eet ik meer fruit en groente ook
Slechts licht gekookt
En ben gestopt met roken
Terwijl drank gematigd is
In plaats van sterk nu rijk
Aan allerhande vitaminen
Gezonde sappen toverdranken
Beloften van de producenten
Vele malen groter dan hun koers
Op de effectenbeurs doet vermoeden
Vitaminebronnen voedingssupplementen
Alles zonder toevoegingen
Uitgezonderd toegevoegde waarden
Die de normen overstijgen
Van deze virtuele wereld
Zo vol doortrokken
Met de blijdschap der gezondheid
Mijzelf aanziend in de spiegel
Vraag ik mij af
Wat spiegel ik mij voor
Het eind komt zichtbaar nader
Voorzegd door microscoop en scan
De beelden die ik ken
Bestaan al lang niet meer
Hoe lang nog denk ik
Elke keer als ik al weer
Mijn ogen open
Hoe lang nog zal dit gebrekkig voertuig
Mijn vreugde en verdriet nog dragen
Hoe lang al wetend
Dat oneindigheid zo eindig is

Loosdrecht. januari 2003

Ach… wat zeurde ik eigenlijk. Later werd ik nog geopereerd aan diverse huidkankers, aan het netvlies van mijn ogen en kreeg ik hormoonbehandelingen en vijfendertig bestralingen wegens prostaatkanker. Anno 10 jaar later heb ik genoeg ponskaartjes voor een spelletje poker.

Naar de garage in Moncarapacho.

Op een dag begint de goede oude Volvo plotseling water te morsen. Als we terugkomen van boodschappen doen heeft hij een grote plas gedaan op de glanzende vloer van de prachtige royale parkeergarage onder het ‘Ria Shopping’ winkelcentrum in Olhao, waar je zo heerlijk gratis kunt parkeren. Jeetje waar komt die plas vandaan? Willemine is onmiddellijk bereid om half onder de Volvo te duiken – het is tenslotte haar auto – om de pijnlijke plek te identificeren. Moeilijk te zien. Er is ergens water vandaan gekomen, maar nu komt er niets meer. Ik heb inmiddels even mijn vinger in de vloeistof gestoken en stel proevend vast dat het koelvloeistof is. De Volvo verliest koelvloeistof, maar niet als hij rustig stilstaat. Geruststellend probeer ik Willemine uit te leggen dat een auto een koelsysteem heeft, om de motor te koelen, en dat in dit systeem druk wordt opgebouwd als de motor warm wordt. Als de druk oploopt en je hebt ergens een lek, dan zie je het resultaat onder de auto. Op de terugweg naar huis koop ik twee liter koelvloeistof van BP, voor de zekerheid. Duur spul trouwens, anti-roest en anti-vries en nog meer goede eigenschappen die je in dit Zuid-Portugese klimaat niet nodig hebt. Vriezen doet het hier sowieso nooit. Vroeger gooiden we toch gewoon water in de radiateur?

De volgende ochtend rijd ik naar de garage in het dorp. Deze is gevestigd in een smal straatje, naast de bakkerij. Ik ken deze garage niet omdat ik voorheen naar een concurrent ging voor kleine onderhoudswerkzaamheden, zoals olieverversen en ruitenwissers vernieuwen. Helaas is deze uitstekende garagist overleden, door een noodlottig ongeval op een van de gevaarlijke regionale wegen.
Deze garage, die nu de enige is in het dorp, heeft geen naam, maar wordt gekenmerkt door een verweerd Shell embleem boven de deur. In het smalle straatje staan allerlei zakelijke auto’s en autootjes geparkeerd, waaronder ook een prima onderhouden Datsun vrachtwagentje uit de jaren zestig, met mooie hardhouten schotten rond de achterbak. De eigenaar is Diogo Alves zoals de belettering rondom aangeeft. Geen naam om trots op te zijn, want menige Portugees gruwt nog van zijn misdadige praktijken in het Lissabon van begin vorige eeuw. Hij roofde van rijk en arm, sneed mensen de keel af, gooide arme wasvrouwtjes bij het Aquaduct over de muur en overviel met zijn bende de noodlottige bewoners in hun eigen huis op klaarlichte dag. Met zijn vriendin en handlanger werd hij uiteindelijk ter dood veroordeeld, dat wel.
Deze Diogo lijkt mij vredelievend. Hij heeft een schitterend krullerig logo met een D en een A, ongetwijfeld zelf ontworpen en handelt in Moveis, meubelen. Achter de voorruit liggen de folders, al járen zo te zien want ze zijn totaal verbleekt door de zon. Ik parkeer half in het krappe inritje en loop de donkere garage binnen. De overgang van het felle buitenlicht naar deze duisternis maakt mij een moment blind, maar ik zie links naast een geopende motorkap een kluitje mannen staan.

‘Bom dia, is de chef er ook?’ zeg ik tegen de mannen.

Ja de chef is achterin.
In de verte, zeker vijftig meter verderop, ontwaar ik in de donkerte tussen wat geparkeerde auto’s uit vervlogen jaren een figuur die met opgeheven arm naderbij komt.
‘Daar komt de chef’ annonceren de mannen.
De chef komt met kleine snelle, maar elegante pasjes naderbij. Hij draagt weliswaar werkkleding, maar deze is smetteloos. Zijn gezicht plooit zich in een aimabele glimlach en we schudden elkaar de hand en noemen onze namen. Hij heet Hannibal en is kleiner dan zijn naam doet verwachten. En niet dik zoals de mannetjes die hier rondhangen. Zijn donkere haar heeft hij zorgvuldig gekapt, met krullen in zijn nek. Helemaal niet het type van de vette monteur. Ik leg hem uit dat de Volvo lekt en met een gastvrij gebaar nodigt hij mij uit de auto naar binnen te rijden, wat nog niet eenvoudig is omdat de ingang – zwartgeel gestreept aan beide kanten – tamelijk nauw is voor zo’n enorme garagewerkplaats.
De Volvo laat braaf, als bewijs een flinke plas op de vloer lopen. De vloer die, zoals ik nu zie, betegeld is met roodbruine tegels van Portugees marmer, zover het oog reikt. Ach ja, hij heeft waarschijnlijk een oom die vroeger een steengroeve had. Of beter gezegd, zijn opa had die oom, want inmiddels is de prijs van dit marmer te hoog voor garagevloeren. Zo te zien is er sinds opa deze garage opende geen werkster met een dweil langs geweest.

Nadat ik de motorkap voor hem heb geopend, duikt de chef met een looplamp onder de auto, zorgvuldig de gelekte koelvloeistof ontwijkend. Mijn ogen zijn inmiddels aan de halve duisternis gewend en ik bewonder de omgeving. Zelden zo’n grote garage gezien, met zoveel rotzooi erin. De ruimte is kolossaal, hoog, diep, breed. Geheel achterin, waar het zeer donker is, want er zijn slechts twee kleine ramen en er wordt duidelijk op de elektriciteitsrekening bespaart, daar geheel achterin staan twee bruggen. Op een ervan bevindt zich een klein vrachtwagentje en ik zie dat een monteur eronder aan het werk is. Op de andere brug rust een wrak dat er ooit nog zelfstandig is opgereden. Tegen de verre achterwand zijn werkbanken te onderscheiden en heel veel kartonnen dozen. Hier kwam de chef vandaan. Rechts langs de lange zijde is een soort vide op een meter of tweeënhalf hoog. Er ligt oud verpakkingsmateriaal opgestapeld, karton, plastic, lege flessen, kortom een grote vuilnisbelt waaraan jaren gewerkt is. Op hetzelfde moment zie ik een monteur te voorschijn komen uit de smeerkuil, die rechts naast de ingang is. Hij heeft een stuk uitlaatpijp bij zich en weet dit met ongekende precisie, hetgeen de nodige ervaring verraadt, in de vide te werpen. Daarna verdwijnt hij in het kantoor, dat onder de vide is gevestigd en ooit een groot raam had dat uitkeek in de werkplaats. Het raam is verwijderd, wel zo handig want nu toont het als een groot uitgeefloket. Nieuwsgierig kom ik naderbij en zie dat het kantoor geheel gevuld is met van alles dat nuttig kan zijn of is geweest voor een auto. Onder het verdwenen raam staat een stalen bureau, waarachter een versleten stoel. Op het bureaublad is in het midden een ruimte vrij gelaten voor een groot papieren blad waarop iedereen zijn notities heeft geschreven. Links zie ik alle jaargangen van de handboeken voor de garagist, op boekenplanken die tot een hoogte van minstens drie meter langs de muur zijn getimmerd. Overal hangen, staan en liggen dozen en doosjes met onderdelen, voor zover deze niet gewoon op de grond liggen. Het is een voorbeeld van een ingeleefd kantoor, waar nimmer een organisatiedeskundige aan te pas is gekomen.

Als ik bij de Volvo terugkom heeft Hannibal inmiddels ontdekt dat er sprake is van een lekkende slang. Een zeer gecompliceerde slang die zich in bochten wringt en bovendien een zijslang blijkt te hebben alsof die eraan vast is gegroeid. De slang is fraca ofwel digerigo, kortom rot. Moet een nieuwe komen, die moet worden besteld. Hoelang gaat dat duren? De chef vermoedt wel een paar dagen. Jee wat nu? Misschien kan ik een provisorische reparatie maken, oppert de chef. Inkorten? Nee, heeft hij al geprobeerd, het rotte stuk is te lang, dat gaat niet lukken.
Als ik samen met hem somber onder de motorkap staar, veert hij ineens op en beent met energieke kleine stapjes naar zijn kantoor zonder raam. Hij blijft lang weg, dus ik ga kijken en ontdek hem achter in het kantoor bij de berg materialen, waaruit hij een krom stuk koperen leiding te voorschijn tovert. Tevreden grijnzend verdwijnt hij naar de werkbank in de verte en ik zie dat hij een stuk van de koperen leiding afzaagt. Hiermee komt hij terug bij de Volvo waar hij het verteerde stuk slang wegknipt en er het afgezaagde koperen pijpje voor in de plaats brengt. Hij knikt tevreden, het past. Zorgvuldig zet hij de boel goed vast met slangklemmen.
‘Goed’ zegt hij. ‘Zo kunt u ermee rijden, start even de motor.’
Hij loopt naar een hoek van de werkplaats en komt terug met een plastic emmertje water. Zorgvuldig giet hij het water in de container van het koelsysteem. Dan terug voor nog een emmertje water en nog drie keer terug voor drie emmertjes water en dan is het koelsysteem gevuld.
‘Het werkt’ zegt hij, ‘maar het is tijdelijk, een provisorische reparatie begrijpt u, zo kunt u er even mee rijden, maar er moet een nieuwe slang komen’.
Ik ben het met hem eens en hij bevestigt nogmaals dat het geen probleem is om deze te bestellen.
‘ Wat is het voor auto?’ vraagt hij.
‘ Volvo’ zeg ik.
Ja dat had hij al gezien. Type bedoelt hij.
‘ Een Volvo 960 meen ik, een Polaris…’
Of ik maar even het boekje wil pakken? Ik haal het uit het handschoenenkastje en hij is er blij mee, hoewel het in het Nederlands is geschreven. Met het boekje in de hand gaat hij naar zijn kantoor en komt terug met een klein schrijfblokje en een potloodje. Hoewel de pagina volgeschreven lijkt met zinnen die later doorgestreept zijn, kennelijk werkzaamheden die verricht zijn, is er nog net een centimeter vrij onderaan de bladzijde. Hij buigt zich onder de motorkap, zichzelf bijlichtend met de werklamp, en begint nauwgezet het typenummer van de auto over te schrijven in het bloknootje. Het zijn veel cijfers en letters en hij telt ze twee keer na. Klaar. Hij gaat de slang bestellen en belt mij als deze binnen is.
We schudden handen en ik vraag hoeveel hij van mij krijgt. Niets natuurlijk, dit is immers een noodreparatie, betaling komt straks wel in orde als hij de nieuwe slang monteert.

De volgende dag, in de namiddag, word ik gebeld op mijn mobiele telefoon. Hannibal de garagist. Of alles goed gaat met de koeling en of ik alsjeblieft wel regelmatig even het waterpeil wil controleren. Ik ben bijna ontroerd door zoveel klantvriendelijkheid en roep wel drie keer dat zijn noodreparatie fantastisch werkt. Ja maar… werpt hij tegen, het kan echt niet zo blijven, dat moet ik goed begrijpen. Hij heeft de nieuwe slang al besteld.

Vijf dagen later – ik ben de slang eigenlijk al vergeten – belt Hannibal. De slang is binnen. Mooi, ik spreek af dat ik meteen de volgende ochtend langs kom en dat vindt hij prima. Om half elf rijd ik de Volvo weer naar binnen, na twee keer steken want het straatje staat nog voller dan de vorige keer. Chef Hannibal komt te voorschijn vanachter uit het donker en er staan weer diverse mannetjes in groepjes te kletsen. Er komt er een, er gaat er een weg, hallo goede morgen, handen schudden en de toestand in de wereld en Moncarapacho bespreken en ondertussen toekijken hoe de twee monteurs hun werk doen.

Hannibal begroet mij op zijn aimabele manier en toont de nieuwe kronkelslang met bijslang. Zo kan alleen Volvo ze maken. Voordat hij begint meld ik dat er nog een paar kleine dingen moeten gebeuren, zoals het derde remlicht dat al een jaar niet werkt, de armsteun rechts die loszit en steeds op de grond dondert, de dikke rode elektriciteitskabel die afgelopen winter is aangevreten door een rat die de accu als nest had ingericht en het linker parkeerlicht, dat ik nooit gebruik maar dat desalniettemin behoort te werken.
Komt goed, zegt Hannibal. De zon schijnt en ik wandel het dorp in. Ben met een uurtje terug, zeg ik en Hannibal vindt het goed. Hij hangt alweer met zijn vriendelijke gezicht onder de motorkap. Na een espresso en een taartje (Bica en Pastel de Natas, samen nog geen 1 euro vijftig) op het terrasje van de bakker, ga ik weer eens binnen in de garage kijken. Hannibal vind ik in zijn kantoortje. Hij heeft een grote plastic doos omgekeerd op zijn stalen bureaublad en zoekt ijverig in de berg schroefjes en moertjes. Verstoord kijkt hij op, ik ben natuurlijk te vroeg terug. Schroefjes zoeken gebaart hij en toont mij er een die hij kennelijk al gevonden heeft. Even later heeft hij ook een tweede te pakken en loopt weer met die typische vlugge pasjes naar de Volvo om de armsteun te gaan vastschroeven. Hij kreunt en moppert, want het is een ongemakkelijk klusje waarbij hij met zijn gekrulde haren tussen de voorstoelen geklemd raakt. Maar het lukt en daarna nog even het derde remlicht in orde maken. Dit lukt minder, daar moet de assistent monteur aan te pas komen, die dan ook nog maar even het parkeerlichtje meepakt. Hannibal staat er trots bij te kijken, toch maar mooi weer even die Volvo in topconditie gebracht.
Ik vraag hoeveel hij van mij krijgt en hij nodigt mij uit in zijn kantoortje, waar hij de schroefjes aan de kant schuift en met een stukje potlood op zijn bloknootje begint te rekenen. Hij toont mij de inkoopnota van de rubberslang; duur vindt hij. Maar daar kan hij ook niks aan doen, zevenenzestig euro vijftig, het is een boel geld dat geeft hij grif toe. Na enig rekenwerk toont hij mij zijn briefje en ik zie dat hij nog dertig euro opgeteld heeft bij de prijs van de slang. Voor het werk, legt hij uit. Ik geef hem honderd euro en daar is hij zeer content mee.

Boa tarde, zeggen de mannen die de reparaties hebben bijgewoond. Boa tarde!

Een week later ga ik even een boodschap doen en rijd over de zandweg de heuvel af. Als ik bijna aan het eind ben, ongeveer een kilometer van mijn huis, hoor en voel ik een tik tegen mijn rechtervoorwiel en meteen weet ik dat het niet goed zit. Lekke band. Dat risico loop je hier met al die stenen langs de weg. Gelukkig sta ik vlakbij de asfaltweg naar het dorp, op een vlak stukje, zodat het niet moeilijk is om de krik goed neer te zetten. Moeilijker is het om de krik te voorschijn te halen, waartoe eerst de inhoud van de bagageruimte geleegd moet worden. Zorgvuldig leg ik het reservewiel onder de zijkant van de auto. Heb ik lang geleden geleerd van een expert. Mocht de auto van de krik vallen, dan valt hij maar een klein stukje want het wiel vangt hem op. Nadat ik de moeren heb verwijderd kan ik rukken en trekken wat ik wil, maar het wiel wil er niet af. Jeetje, dit heb ik nog nooit meegemaakt, meestal valt zo´n wiel gewillig in je armen. Na nog enkele uitputtende pogingen geef ik het op. Wiel zit vast, ook zonder moeren. Goede raad is duur, het huis is een kilometer heuvelop, het dorp is zes kilometer verderop. Dan komt de ingeving. (Die komt altijd als je maar geduld hebt!) Ik realiseer me dat Liberta, onze hulp, vandaag aanwezig is, met haar autootje. Willemine gebeld. Het kost even wat uitleg om te melden dat ik machteloos onderaan de heuvel sta met een lekke band en dat zij met het autootje van Liberta naar mij toe moet komen, zodat wij samen naar de garage in het dorp kunnen rijden.

Jajaja natuurlijk kan ik wel een wiel verwisselen, maar het wiel zit vast, het lekkebandwiel wil niet loskomen. Ik krijg hem er niet af!

Enfin, Willemine komt en klaagt dat het autootje van Liberta geen stuurbekrachtiging heeft, hetgeen het rijden op een zandweg niet eenvoudiger maakt. Samen toeren we naar de garage van Hannibal, maar die is er niet. Wel de eerste monteur. Ah! De Volvo! Lekke band, wil niet los? Onmiddellijk laat hij alles uit zijn handen vallen en grijpt een vuistje – zo´n stevig klein mokertje – en een vet stuk hout en gooit voor de zekerheid nog wat gereedschappen achter in zijn bestelautootje. Ik wenk Willemine dat zij wel kan gaan en samen met de monteur rijden we terug naar Volvo. Het reservewiel ligt er nog, op dezelfde plek. Godzijdank, want zij had mij voorspeld dat zo´n mooi wiel met een nieuwe band erom gefundenes fressen zou zijn voor een passerende zigeuner.
De monteur pakt het stuk hout, zet dit achter het onwillige wiel en geeft er twee harde klappen tegen met zijn vuistje. Het wiel geeft zich onmiddellijk gewonnen. In een handomdraai zet hij het reservewiel er voor mij op en nodigt mij uit om achter hem aan te rijden naar de garage. Daar gekomen monsteren we beiden de lekke band, maar niets te zien. Totdat hij een scheurtje ontdekt in de wang. Ja, wangen zijn dun, legt hij uit, die gaan gauw kapot. Maar, misschien is het te repareren.

In Nederland zou je in zo´n geval meteen een nieuwe band moeten kopen, twee eigenlijk want je kunt niet één voorband vernieuwen en de andere niet.

Repareren? Als Nederlander heb ik er een hard hoofd in. Ja zegt de monteur, we gaan het volgende week wel bekijken, als de baas er weer is. Ik leg uit dat ik drie weken naar Nederland ga. Des te beter vindt hij. Kunnen ze er op hun gemak mee aan de slag. Het mooie lichtmetalen Volvo wiel wordt schuin tegen de wand gezet en ik kan gaan.

Drie weken later, als ik weer terug ben in Portugal, bel ik de garage. De monteur neemt op en legt mij in rap Portugees van alles uit dat ik niet kan volgen en als ik zeg dat ik om elf uur langskom, roept hij dat dit niet kan. Of ik na de lunch kan komen, rond een uur of twee? Ik voel hem al aankomen, natuurlijk geen donder gedaan aan die band en nu nog even gauw naar een bevriende bandenman. Om twee uur sta ik voor de garage en mag meteen naar binnen rijden. Mijn wiel staat op de plek waar het drie weken geleden ook stond. Enfin, ik stap uit en zeg boa tarde tegen de rondhangende kijkmannetjes (twee maar) en tegen de slungelachtige monteur in opleiding die iets ondefinieerbaars staat te doen in het halfduister. Zo achteloos mogelijk wandel ik naar mijn wiel. Verrek zeg! De band, mijn eigen oude vertrouwde band, is keihard opgepompt!
De monteur komt te voorschijn en glundert. Ja, mooi hè? Hij pakt het wiel alsof het zijn geliefde huisdier is en toont mij de wang. Ik zie een zwarte plak rubber als een pleister op de wonde. Gevulcaniseerd, zegt hij trots. Je maar… is dat wel sterk genoeg, sputter ik. In Nederland mag zoiets volgens mij niet eens van de wegenverkeersdienst. Ha, sterk? Aan twee kanten gevulcaniseerd meneer, aan de binnenkant zit ook zo´n plak rubber, dat is kwaliteit. Prima reparatie. Ik geloof hem, hoewel ik mij dit soort reparaties vaag herinner uit mijn vroege jeugdjaren.

Mooi, dank je, goed werk, zeg ik prijzend. Erg prijzend, ter compensatie van mijn eerder gevoelde gebrek aan vertrouwen in de Portugese garagecultuur. Moet ik betalen als de baas er is of kan het nu ook? Ja het kan nu ook: vijftien euro. Vijftien euro? Is dat inclusief alles? Ja. Of ik een bonnetje wil. Nee, ik kan het toch niet van de belasting aftrekken haha…

Ik geef hem twintig euro en rijd fluitend op mijn gerepareerde wang naar huis.

Christian
februari 2013

Een zondag naar de markt in Portugal.

Muziek op de markte 2013-01-13
In Portugal staat de markt nog middelpuntig in het leven. Ondanks de verschijning van enorme supermarkten van Auchan, Intermarché, Aldi en Lidl en locale grootheden zoals Pingo Doce (zoete druppel), Jumbo, Continente en Pão de Açúcar (suikerbrood), heeft de markt zijn levenskracht behouden.
Hier komen in alle vroegte de boeren en tuinbouwers, de vissers en handelaren hun waren uitstallen.
Elke stad en elk dorp heeft zijn vaste overdekte markthal. Deze gebouwen zijn vaak monumentale staaltjes klassieke architectuur. In Olhao aan de haven troont een tweelinggebouw met pikante torens en een skelet dat door de heer Eifel zelf ontworpen lijkt en in het hart van Loulé vind je een markthallenpaleis in Moorse stijl met pompoentorens en puntbogen. Helaas is dit gebouw door restauratiewoede enigszins te mooi geworden en is de heerlijke chaos binnen vervangen door een toneel van strakke rijen verkoopstalletjes. Verdwenen zijn de oude kaasvrouwtjes, de kledenverkoopsters, de verweerde boertjes met hun slakken in een plastic teiltje (caracóis) of met een bakje schelpdieren (ameijoas). De kleine nering is verjaagd uit dit paleis dat moet concurreren met de moderne shoppingcentra die inmiddels hier en daar zijn verrezen, en die – toegegeven – eveneens architectonisch niet onaantrekkelijk zijn als monumenten van de moderne vooruitgang. Portugal heeft shoppingcentra die de American dream naar de troon steken, in Lissabon vind je de grootste shoppingmall van Europa en in het zuiden, in de Algarve, heeft een onooglijk dorp als Guia internationale faam gekregen door een shoppingmall die enigszins aan Disneyland doet denken. Hier komen de gezinnen op zondag verpozen in een prettig constant klimaat, niet te warm niet te koud, geen wind en overal terrassen en planten, hoewel die vaak van plastic zijn. Ruimtelijkheid, licht en lucht, glazen plafonds en leuke winkels, heel veel leuke winkels met heel veel kleding en schoenen en heel veel uitverkoop. De voedselpleinen in deze winkelparadijzen zijn uitgebreid, naast de klassieke koffietentjes, vaak een eilandje in de drukte, waar je voor 50 of 60 cent de heerlijkste espresso krijgt, zijn er restaurants en snackbars in overvloed. Niet alleen de bekende hamburgertenten, maar ook speciaalzaken, zoals een soeprestaurantje, een vis- en garnalen tentje, een Japanse sushibar of een Italiaans restaurant. Kwaliteit van zeer matig tot redelijk goed en altijd verrassend voordelig. Bij de Japanner in Ria Shopping Olhao kun je bijvoorbeeld voor 8 euro net zoveel lekkere schoteltjes van de lopende band pakken als je opkunt.
Maar de ware Portugese markt is toch de buitenmarkt, de zogenaamde vlooienmarkt op een groot vaak zanderig plein bij een kerkhof of nabij een vervallen sportaccommodatie. In de locale kranten worden deze weekendmarkten geannonceerd en het volk uit de gehele omgeving trekt er massaal naar toe. Bij zonsopkomst worden de tenten in elkaar gezet, klinkt het gehamer waarmee de stalen pennen in de grond worden geslagen om de scheerlijnen vast te zetten en kreunen en brommen de zware motoren van de enorme trucks, die hun trailers parkeren waarin straks de restaurants geopend worden. Rondom het dorp heerst al vroeg de chaos. Politiemannen met lichtgevende gele hesjes proberen de verkeersstromen in goede banen te leiden en de smalle straatjes en rustieke hoekjes worden voor alle zekerheid gesloten voor gemotoriseerd vervoer. Gezinnen in oudere auto’s komen van heinde en verre en zoeken een parkeerplaats, ergens op een stoep, in een olijfboomgaard, of op een braakliggende zandvlakte (vaak het voetbalveld) die voor het doel is opengesteld.
Het volk is divers en naast de oude garde is ook de jeugd goed vertegenwoordigd. Je ziet authentieke vrouwen in het zwart met strooien hoeden en hoofddoeken – meestal gecombineerd – en mannen op hun zondags in hun trouwpak met vest, maar evenzo de moderne jongens, met spijkerbroeken die van de kont glijden en waarvan het kruis tussen de knieën hangt. Jonge meiden flaneren in aalgladde nylonachtige gympakjes die pronte bilpartijen accentueren, hun oma’s dragen zelfgebreide veelkleurige vesten en zwaar rokende mannen kleden zich sportief in slobberige joggingbroeken en leren jacks. Maar, over het algemeen overheerst toch de degelijke burgermanskleding van nette mensen op zondag.
Aan het begin van de markt, bij de entree zou je kunnen zeggen, voor zover deze markten een entree hebben, vind je de bedelaars en de gebakkraampjes. In gloeiende olie worden deegwaren gebakken, in hoefijzervorm, als staven of als ringen, die daarna door een mengsel van kaneel en suiker worden gehaald. Een lekkernij. Voorts de schelpdieren en slakken, in bakken en teiltjes en daarnaast de aardbeien die hier het hele jaar door verkrijgbaar zijn, omdat ze in plastic kassen worden gekweekt. Kisten vol, uit Spanje en eigen land. Een euro de kilo. Om één uur, als de markt afloopt, zijn de aardbeien bijna altijd overal uitverkocht. Daar moet je wel rekening mee houden. Mocht je gereedschap nodig hebben, welk gereedschap dan ook, het is hier verkrijgbaar in grote hoeveelheden, van het kleinste zakmesje tot de grootste pikhouweel. Evenals de koperen destilleer toestellen om de ‘medronho’ te stoken, het Portugese vuurwater dat getrokken wordt van een soort wilde aardbeitjes die in het achterland volop aan de struiken hangen. Deze aardbeitjes gisten zo sterk, dat menige geit (echte liefhebbers van deze vruchtjes) dronken van de heuvel is gevallen. En natuurlijk is er veel kleding. Tenten vol lingerie, sjaals, doeken, draperieën, jurken en broeken, veel spijkerbroeken van de bekende merken, veel namaak van de bekende merken en ontzettend veel schoenen. Daartussen natuurlijk de mandenmakers met vlechtwerk in elk model en formaat. En Portugees aardewerk, zelfgebakken en beschilderd. En op uitgespreide doeken de uitstallingen van de zolderopruimingen en de gekopieerde Cd’s op mp3formaat. Het is niet te geloven wat die handelaren allemaal bewaren en elke keer weer zorgvuldig inpakken in plastic vuilniszakken en kartonnen dozen. De rotzooi die zij uitstallen doen denken aan het Amsterdamse Waterlooplein in de jaren vijftig van de vorige eeuw.
In deze tijden van recessie en zakkenvullers zorgt zo´n markt voor de relativering. Mijn echtgenote doneert aan een zielig oud vrouwtje, dat in een onmogelijke houding op het beton ligt en een plastic koffiebekertje omhoog houdt, een euro. Dat is hier erg veel. Verderop wil zij wel drie kleine plantjes kopen voor in de tuin – waar we al veel plantjes hebben – en het prijskaartje vermeldt 2,40 per stuk. Het zijn er slechts drie, de hele voorraad, dus Willemine biedt zes euro. Het plantenvrouwtje dat ooit in Engeland geboren is, begint omstandig te rekenen en komt uit op zesvijftig. Nee zegt Willemine, dat is veel te duur. We lopen door en hoewel Portugese handelaren en handelaarsters je dan achterna komen, want zes euro is toch best aardig, laat het oud-Engelse vrouwtje het afweten. Verderop vind ik in een grote doos met hang en sluitwerk twee roestige ringen met antiek beslag voor op ons oude bureau, waarvan de deurtjes dergelijk beslag ontberen. Het is een handjevol niks, op een zolder gevonden, dus ik zoek in mijn portenmonee en vind 60 cent. De handelaar kijkt zuinig, waarop ik mijn kleingeld in zijn hand omkeer en tot bijna tachtig cent kom. Hij knikt tevreden, obrigado. Wat is de waarde nog van geld?
Hier op de markt kun je ook de statige zigeunervrouwen bewonderen, kleurrijk gekleed in hun lange rokken en veelkleurige sjaals. De ruggen kaarsrecht, dat moet ook wel om de enorme buiken met daarbovenop de borsten te torsen. Zelfs op jeugdige leeftijd lopen ze al met de buik vooruit, vaak ook omdat er een baby in zit. En over baby’s gesproken; de hele uitzet kun je hier kopen, baby- en kinderkleertjes bij de vleet, hoewel niet altijd getuigend van goed smaak. De zigeunerkindertjes spelen tussen de scheerlijnen van de kramen en proberen ondertussen de uitgestalde waren te verplaatsen. Natuurlijk vind je de meeste kinderen rondom de vrouw met de ballonnen en bij de mannen die speelgoedhondjes verkopen, die echt keffen en ondertussen proberen van een dienblad te klauteren waarbij ze omvallen en zichzelf weer op de pootjes zetten. Dat gaat maar door, totdat de batterijen leeg zijn. Zo zijn er ook autootjes die voorturend omkeren als ze tegen een opstakel rijden.
Fascinerend is de standwerker, die van zijn trailer, een kanjer van een wagen, een toneel heeft gemaakt door de zijwand deels omhoog te klappen als een baldakijn. Hij staat daar hoog boven zijn publiek, in een decor van handdoeken en beddengoed. Om zijn nek heeft hij een standaard die de microfoon exact voor zijn mond houdt. Wat kan die man praten zeg. Hij ratelt aan één stuk door en zijn spraakwaterval klinkt – dat moet gezegd – prachtig uit de luidsprekers op het dak van zijn wagen. Hij spreekt goed verstaanbaar Portugees en articuleert elk woord als een volwaardig toneelspeler. Alleen al voor die stem blijf je gefascineerd staan luisteren. Hij voegt slopen en lakens en dekbedden bij elkaar met behulp van de aangever, die er op commando nog een lakentje bij doet. De hele stapel, mijne dames en heren, met nog drie handdoeken erbij, nu voor tien euro, wie, ja wie? Hoppa, gretig grijpen omstanders de pakketten uit zijn hand. Hier is je euro nog wat waard!
Even verderop signaleert een opstijgende rookwolk de aanwezigheid van restaurants. De wagens, tenten, barbecues, terrassen en zonneschermen zijn min of meer bij elkaar gegroepeerd op een apart deel van het uitgestrekte terrein. Het loopt tegen de lunch, dus het is druk. Voor Portugezen is het middagmaal de hoofdschotel van de dag. Zelfs nu de economie niet aanmoedigt tot gastronomische uitstapjes, zijn de eetlokalen rond het middaguur nog altijd goed bezet en ook hier op de markt neemt men de tijd voor het middagmaal. Op de rokende barbecues, vaak met het formaat van een kleine locomotief, liggen de kippen en de speklappen te grillen. Deze gerechten (frango en entremeada) vinden gretig aftrek. Evenals de wijn en de aguardente en medronho. Omdat er nabij deze markt – in Estoi – een verwaarloosde paardenrenbaan is, met vervallen grandeur uit vervlogen tijden, is er ook paardenvolk op de markt aanwezig. Trotse koetsiers zitten hautain op hun tweewielige koetsjes en ook de ouderwetse Portugese kar op hoge wielen, die je meestal bij de antiquair ziet staan, rijdt hier nog rond.
De meeste marktrestaurants hebben een enorme keukenwagen annex bar. Rondom zijn uitgebreide terrassen uitgezet, met plastic tafels en stoelen. Hier zit je voortreffelijk, naar keuze in of uit de zon – Portugezen meestal uit de zon – en de bediening is keurig, veelal door verweerde mannen in voorschoot. Je tafeltje wordt gedekt met een papieren kleedje (oppassen dat het niet weg waait) en je krijgt een mandje gesneden brood en een schaaltje olijven en meestal ook nog gesneden worteltjes ingelegd in olie en azijn.
Wij bestellen drie speklappen, hardgebakken op de gril, lekker zout en knapperig, met een glas wijn erbij – nou ja, zeg maar een paar glazen wijn erbij want de enthousiaste bediening schenkt royaal. Het is enorm druk rondom de keukenwagen en je moet rond lunchtijd je best doen om een tafeltje te bemachtigen. In de buurt blijven rondhangen en als een havik erop afduiken als je ziet dat mensen het plan hebben om weg te gaan. Bestellen vergt ook enig eigen initiatief. Vang een van de hardlopende mannen onderweg op, terwijl ze met pastic bordjes en bekertjes langs de tafeltjes manoeuvreren. Trek hem aan z´n arm en wijs: we zitten daar! En dan meteen wijn bestellen, want als je de wijn eenmaal hebt komt de rest vanzelf. Dit is onthaasten op de zondag. De zon schijnt en er is genoeg te zien om je heen. Willemine ontdekt vlak achter ons, in zo´n onbestemde uitstalling van zoldervondsten, gelukkig nog een oude kan, een porceleinen wasbak en een vaasje van voor de revolutie. Dan komt het plastic bord met de hardgebakken speklapjes, hapklaar in stukjes gesneden met een houten prikkertje erin geprikt. Haphap mmm, wat is dit toch smerig lekker, vooral met een stukje huisgebakken brood erbij, wat olijven en een plastic bekertje tot de rand gevuld met wijn. We bestellen nog twee keer en nadat we drie bekertjes wijn op hebben, komt de vroljke bediende die iedereen groet en voortdurend plezier in zijn leven lijkt te hebben nog eens ongevraagd langs met de fles. En dat alles uiteindelijk voor de somma van tien euro. We rapen onze plastic zakken bij elkaar – honing, vaasje, terracotta kannetje – en we wandelen, enigszins onvast moet ik toegeven, terug naar de afdeling planten om nog wat te kopen voor de tuin. Maar niet bij dat vervelende Engelse vrouwtje, vindt Willemine. Er is nog aanbod genoeg, want de tuiniers zijn altijd zo´n beetje de laatsten die opdoeken. Elke Portugese markt heeft een hoog tuingehalte, want Portugezen zijn gek met plantjes, niet alleen voor hun moestuin, maar ook voor de sier. En voor het fruit natuurlijk. Alle fruitbomen die je kunt bedenken, kun je hier kopen in grotere of kleinere afmetingen. Het fruit zit er soms al aan en in het geval van – bijvoorbeeld- een klein sinaasappelboompje (40 euro), liggen er drie knotsen van sinaasappelen aan de voet, ter illustratie van de toekomstige oogst. In het verlengde van de plantenuitstallingen vind je de oogst, de groenten en fruit verkopers. Twee kwartjes voor een kilo sinaasappelen, appels, peren, vijgen en noem maar op, plus natuurlijk aardappelen, courgettes, aubergines, wortelen (enorme winterpenen!) en wat er nog meer van het land komt. Ingelegde olijven, ja en honing, van de alffarobeira, van de lavendel, van de citrusbomen.
Als je vaak naar deze markten gaat, in Fuzeta, Almancil, Estoi, of Quelfes of waar dan ook in de Algarve, kom je dezelfde kooplui tegen, die meereizen met de markten. Elke keer stallen ze ’s ochtends vroeg hun hele hebben en houwen uit om in de voormiddag de spullen weer in hun wagentjes en busjes te stouwen. Bij het scheiden van de markt kun je nog wel eens voordelig iets op de kop tikken. Zo bezit ik 14 delen van Agatha Christie, prachtig gebonden in rood kunstleer, goud op snee, een sieraad voor de boekenplank. Na enig onderhandelen mocht ik ze meenemen voor vijfentwintig euro, inclusief de plastic krat waarin ze verpakt waren. Helaas, mijn geliefde Willemine is niet zo handig in die dingen. Zij kleedt zich om te beginnen te mooi, weliswaar kunstzinnig, daarvoor is zij tenslotte kunstenares, maar toch duidelijk ook getuigend van een zekere luxe. Dan ziet zij twee ouwe keramiek schaaltjes met een bloemmotief en dan weet de koopman al dat hij beet heeft. Die vraagt ijskoud 8 euro per schaaltje. Ik ben te laat. Afdingen lukt al niet meer en als ik tegen de man zeg dat het voor mij niet meer hoeft en aanstalten maak om door te lopen, ziet hij grijnzend de aarzeling van mevrouw. Nou ja, die schaaltjes moeten dus worden aangeschaft en met wat moeite weet ik de prijs naar 7 euro te krijgen, waarbij de verkoper zuchtend toegeeft alsof hij mij zijn winst inlevert. Willemine kijkt opgelucht. De verkoper, een donkere man met stevige buik en een forse zwarte snor, wikkelt de schaaltjes in krantenpapier en stopt ze in zo’n fletskleurig plastic zakje waarmee je hier op de markt iedereen ziet rondlopen. Deze is blauw, maar ze zijn er ook in roze, zachtgroen en vuilgrijs. Willemine neemt het zakje blij in ontvangst. Naast haar staat een jonge vrouw, die haar in het Engels toefluistert: ‘u hebt veel te veel betaald mevrouw! ‘
Maar dat had ik ook al gezegd.

Op de Portugese markt is je euro een ouderwetse daalder waard, als je niet oplet.

Christian,
Maart 2012.

1955. Het jaar van mijn waarheid.

Citaat

Mijn vader overleed in 1955.

Doodgaan is een nare zekerheid, maar we rekenen er meestal op dat dit gebeurt als we oud zijn. Wat is oud? Mijn vader was vierenveertig jaar en ik herinner mij dat ik, zelf nog geen achttien, dit al behoorlijk oud vond.

Oud is relatief. We relateren alles altijd aan de levensduur van de mens; honderd jaar is dan al heel oud. Vroeger vonden primitieve mensen zesduizend jaar bijvoorbeeld héél oud, zo oud als de wereld. Tegelijkertijd vonden ze het gewoon dat Methusalem negenhonderdnegenenzestig jaar werd en dat Noach nog kinderen kreeg rond zijn vijhonderdste levensjaar. Maar goed, dat was een ander mensenras, dat waren de mensen van voor de zondvloed, die slecht waren en dus door God verzopen werden.

Tegenwoordig rekenen we dankzij meneer Hubble terug tot de oerknal; zeventien miljard jaar. En volgens de laatste M-theorie van de kosmologen en wiskundigen is dit minder dan een flits in het ruimtetijdbeeld van de miljarden universums die bestaan. Dus wat zitten we hier op dit aardkluitje ijdel te doen, alsof wij mensen er iets toe doen, alsof leven en dood belangrijk zijn.

Mijn vader was al bijna twintig jaar ziek en had eigenlijk zullen overlijden op zijn zevenentwintigste, vrij kort na mijn geboorte. Maar door een medisch onverklaarbaar wonder ging hij niet dood maar herleefde nadat artsen hem in arren moede een ruggenprik hadden gegeven. Je moet nagaan dat we in 1939 leefden, nog maar kort nadat Hubble het bewijs had geleverd voor de big bang, die tot dan toe alleen in theorie bestond. Ik bedoel maar, de wetenschap stond in de kinderschoenen, ook medisch gezien. Wie had toen de computer kunnen voorspellen? De tablet? De nanotechnologie?

Mijn vader werd in december 1954 opgenomen in het Wilhelmina Gasthuis met als diagnose pleuritus. Hij hoestte zich een ongeluk. Opgewekt en vol goede moed zat hij rechtop in bed op een zaal met mannen die er ogenschijnlijk slechter aan toe waren. Mijn vader was erg goed in ‘het zich groothouden’. Fysiek had hij wat dit betreft veel mee. Als jongen, van scholen gestuurd, kwam hij te werken bij zijn vader in de zaak, een aannemersbedrijf. Stenen sjouwen, steigers beklimmen, vrachtwagens besturen en veel feestvieren met vrienden waartoe hij over voldoende zakgeld beschikte. Verpleegsters vielen voor mijn vader, evenals buurvrouwen. Als wij op zaterdagavond naar het Zuiderbad gingen, wij samen, hij en ik in een kleedhokje, de intiemste momenten die ik met hem heb meegemaakt, dan keken de mensen naar zijn gespierde lijf, zijn strakke buikspieren, spierballen, afgetekende billen in zijn zwembroek. Trots was ik. Het water klapte open als hij erin dook. Zo wilde ik ook worden en vanaf jonge leeftijd oefende ik, waardoor ik tijdens gymnastiek een van de besten was en in het Zuiderbad met ware doodsverachting zweefduiken maakte van de hoge duiktoren.

Mijn vader verkocht teakhouten deuren en andere houten bouwmaterialen. Begin jaren vijftig bezocht hij de wederopbouw op de fiets en op woensdagmiddagen fietste ik vaak met hem mee. Het was een sensatie toen hij de fiets verruilde voor een auto, een donkergroene Skoda. Wat een prachtige wagen. De enige auto bij ons in de straat. Nu kon ik op woensdagmiddagen mee in de Skoda en mocht ik onderweg, schuin hangend op zijn schoot, het stuur bedienen. En later op een stil bouwterrein mocht ik kleine eindjes zelf rijden, tenslotte kon hij zelf ook al autorijden toen hij zestien was.

In december 1954 zat hij dus weer eens in een ziekenhuisbed. Hij was er altijd nog uitgekomen, dus maakte hij zich – althans in onze ogen – ook deze keer geen zorgen. Pleuritus. Ach, toen hij terugkwam uit Friesland in de winter van 1943 met een volgeladen fiets op massieve banden, met meel, boter, suiker voor zijn gezin, had hij immers ook pleuritus.

Voor de kerst ben ik weer thuis, zei hij. Maak je geen zorgen – dit tegen mijn moeder die zich wel degelijk zorgen maakte natuurlijk, omdat zij zowat haar hele huwelijksleven had opgetrokken met een zieke man die net deed of hij niet ziek was. Dat hij in die Skoda geen ongelukken heeft gemaakt is een wonder. Wij maakten bijvoorbeeld met het gezin een tochtje op zondag en mijn kleine broertje – toen een jaar of zeven – en ik zaten achterin en ik herinner mij hoe vaak mijn moeder dan boos, opgewonden, geëxalteerd mijn vader toeriep dat hij de auto aan de kant moest zetten.

“Joop! Joop!! Stop nou, zet de auto even aan de kant. Je moet suiker hebben!”

Mijn vader moest vaak suiker hebben. Voor ons kinderen was dat gewoon, maar het ging veelal gepaard met ruzie. Mijn vader zei namelijk altijd nee. Hij accepteerde zijn ziekte niet, dat snap ik nu ook wel. Hij had zwaar suikerziekte, gekregen toen hij net niet dood ging op zijn zevenentwintigste. Twee keer per dag de spuit insuline erin en als het ‘eten’ dan niet synchroon liep met de insulinetoevoer werd mijn vader ‘niet goed’ zoals mijn moeder dit benoemde. ‘Je vader wordt niet goed!’ gilde ze dan door de auto.

Suikerpatiënten kunnen in coma geraken. Het schijnt regelmatig te zijn voorgekomen dat mijn vader nog net zijn auto in Haarlem voor de deur van mijn oma – zijn moeder – kon parkeren, te laat voor de lunch en dus niet meer in staat om uit de auto te komen. Ook mijn oma was hierop getraind en hield elke dag rond lunchtijd de stoep voor haar deur in de gaten.

Mijn vader kwam met kerstmis niet thuis uit het Wilhelmina Gasthuis. De artsen hadden een stukje uit zijn hals gehaald, een kleine operatie waar zowel hij als wij het nut niet van inzagen. Communicatie tussen arts en patiënt was toen ongebruikelijk. De patiënt was onmondig, een lijdend voorwerp. Het was voor ‘onderzoek’, zoveel wisten we wel en omdat mijn vader opgewekt rechtop in bed bleef zitten en elke dag beweerde dat hij spoedig naar huis mocht, maakten wij ons geen zorgen, dat wil zeggen wij kinderen, want mijn moeder zal zich ongetwijfeld heel erg zorgen hebben gemaakt. Maar hij had gelijk, ergens in januari mocht hij naar huis. Op een woensdag, zomaar ineens. Hij kwam met een taxi en een brede grijns op zijn magere kop, joyeus in het pak, hoed een beetje scheef, daar was hij weer. Hem kregen ze niet klein!

’s Avonds zat hij weer oudergewoonte aan het hoofd van de tafel en Adriana, zijn gelukkige vrouw, had uiteraard heerlijk gekookt, met een lekker stukje vlees en een geurig soepje vooraf. Nou, de soep ging nog wel een beetje. Wij zaten met open mond naar zijn worsteling te kijken en dan grijnsde hij maar een beetje.

“ Ja het slikken gaat nog wat moeilijk… komt wel goed.”

Nooit had hij verteld dat hij in het ziekenhuis met veel moeite vloeibaar voedsel toegediend had gekregen. Het was erg om die grote man zo te zien knoeien, hij proestte en hoestte en schoof uiteindelijk machteloos zijn bord opzij.

“Het gaat even niet…” stelde hij vast.

Mijn moeder huilde, zachtjes, stille tranen kropen over haar wangen. Het eten bleef staan, mijn vader stond op, streek haar over het hoofd en liet zich – opvallend omzichtig – in zijn rookstoel zakken om een sigaretje op te steken. Dit was niet de bekende vader, die zich met een zwaai in zijn stoel wierp en mij om een vuurtje vroeg. Gewoontegetrouw haalde ik de aansteker van zijn bureau, waaraan hij iedere avond zijn rapporten schreef die ik dan nog net voor negen uur op de bus mocht doen, de brievenbus die toen nog achter op de tram hing en de post meenam naar het station. Mijn moeder ruimde de tafel af. Niemand had iets gegeten, eten zou te pijnlijk zijn geweest, dat voelden wij kinderen zelfs, onbewust. Mijn kleine broertje kwam welterusten zeggen, terwijl vader met zijn sigaret zat te frummelen. Roken lukte ook al niet erg.

“Ha witte” zei mijn vader, oudergewoonte. Maar Hansje klom niet, zoals gewoonlijk, op zijn magere knie, alsof het jongetje voelde dat dit teveel zou zijn. Hij hing een beetje verlegen tegen de broekspijpen van vaders goeie pak, terwijl die hem over zijn witblonde haren streek. Heel zachtjes, heel teder. Geen wild spelletje deze avond, geen uitgelaten gekraai, geen grappen en gekke bekken. Het was alsof mijn vader afscheid nam van Hansje, echt afscheid, dus meer dan welterusten en lekker slapen. Ik mocht de peuk uitmaken, een halve sigaret nog waaraan hij nauwelijks getrokken had.

Het leven was niet normaal, zijn thuiskomst niet het feestje waarop wij ons verheugd hadden. “Joop, je moet maar vroeg naar bed gaan”, zei mijn moeder. En het vreemde was, dat hij het hiermee eens was. Ik zie hem nog wat gebogen en vermoeid de kamer uitlopen in zijn mooie pak. Het was de laatste keer dat hij het droeg.

In de loop van de donderdagochtend verscheen mijn vader in zijn ochtendjas, zo te zien fris gewassen, haren gekamd en met de bekende grijns op zijn geschoren gezicht. Je vraagt op zo’n moment als zeventienjarige jongen niet hoe het met je vader gaat. Je bent blij als je hem ziet grijnzen en knipogen. Ha, dat gaat de goede kant op, je vader is je vader en neemt er een rustig dagje van. Pas ziek geweest. Voor de gelegenheid was ik trouwens thuis gebleven van school, om van zijn thuiskomst te genieten en het een beetje te vieren zoals mijn moeder zei.

Er stond een ontbijtje op tafel, met een zacht gekookt eitje waarvan hij zo hield. Manmoedig begon hij eraan, maar het was nog treuriger dan de avond ervoor. Lang zat hij met een hapje ei in zijn mond, om het dan uit te spugen en een slok thee te nemen die hij ook duidelijk niet doorslikte. Voor het eerst van mijn leven zag ik radeloosheid in de ogen van mijn vader. Hij knipoogde nu niet naar mij, maar keek als een angstig dier om zich heen. Hij zocht redding. Wat kon ik doen? Ik liep naar de zijkamer en ging achter de piano zitten, met mijn rug naar hem toe. Dit wilde ik niet zien. Mijn linkerhand speelde gedachtenloos het bluesschema, maar ik kon er met geen mogelijkheid de bovenhand bij bedenken. Het klonk als de dodenmars.

Achter mij hoorde ik mijn moeder met hem spreken, maar ik wilde het niet horen. Hun stemmen klonken bijna fluisterend en toen nam zij hem mee de kamer uit. Door de geopende deur kon ik hen door de gang zien schuifelen, hij zwaar leunend op haar schouder, terug naar bed.

Op vrijdag hebben we een bed in de woonkamer gezet, voor het raam. Daar zat hij tenminste niet zo alleen. Onze huisarts kwam, want de pijn begon onverdraaglijk te worden. Hij kreunde voortdurend en mijn moeder was in de weer met natte lappen en eau de cologne. Mijn god, mijn vader was erg ziek! Hij sprak geen woord meer, reutelde nu en dan en jammerde als een klein dier. Onze huisarts gaf hem een spuit morfine. Uw man heeft erg veel pijn, verklaarde hij. Als hij begint te kreunen kunt u hem gerust een injectie geven, kunt u dat? Nee, mijn moeder kon het niet, zij had haar hele huwelijk het injectieritueel meegemaakt, van pijnlijk dichtbij. Mijn vader met zijn setje voor zich op tafel. De watten, de ether, de alcohol, de capsules met insuline en de spuit. Het ene dijbeen, het andere dijbeen, de linkerarm, de rechterarm…de man zal vol prikken van twintig jaar injecties en mijn moeder kon het niet, kon daar niet nog een gaatje bij prikken in die huid die haar zo lief was.

“Zou jij je vader een injectie kunnen geven?” vroeg dokter Hartman – zijn ware naam en wat een goede naam! – aan mij en uiteraard zei ik ja. Ik had het hem honderden keren zien doen, vloeistof opzuigen, even de lucht eruit spuiten, huid schoonwassen met alcohol, naald schuin tegen de huid en prikken maar. Goed doorprikken en na afloop even een watje met alcohol op de huid drukken. Klaar.

Vanaf die ochtend was ik de verpleger. School was ver weg, het enige dat telde was het gekreun van mijn vader. Als hij zachtjes geluid begon te maken, moesten we eerst afwachten, totdat het kreunen luider en luider werd en je aan zijn gezicht kon aflezen dat hij pijn had. Dan ging de morfine er in. Twee, drie keer per dag. Vredig lag hij daarna in onze woonkamer en we deden alsof het gewoon was. Mijn moeder vond dat ik best piano mocht spelen en soms speelden we alletwee, zij beter dan ik want zij was tenslotte pianolerares geweest. We aten gedrieënlijk aan tafel, maar mijn moeder dekte ook voor hem aan het hoofd.. Zo werd het zondag en mijn vader kreeg familiebezoek uit Haarlem. Oma en opa – zijn ouders dus – zijn oudere broer oom Wim met tante Greet, zijn jongste zus tante Jo en haar man Jojo, zijn zwager Theo met oudste zuster tante Nel. Alsof het een verjaarsvisite was zaten ze rond de tafel aan de koffie en de taart die ze hadden meegebracht. Ik weet nog hoe hun luide stemmen mij ergerden. Hou je koppen dicht! Ik had het willen schreeuwen, maar we hadden afgesproken dat we gewoon zouden doen en dat deden zij tenslotte. In een hoekje van de zijkamer gezeten, achter het bureau van mijn vader, kon ik hem goed in de gaten houden, maar hij gaf geen enkel teken dat het rumoer hem hinderde.

Gelukkig bleef het bezoek niet lang, ze gingen na een uurtje weer weg, in optocht langs het bed van mijn vader; ‘dag Joop, hou je taai Joop, het beste Joop, sterkte Joop’. Maar Joop reageerde niet, die lag lekker in morfineland, daar had ik wel voor gezorgd, een zondagse dosis die had hij wel verdiend!

Ondanks zijn chronische ziekte had mijn vader een sterk lichaam, volgens dokter Hartman. ‘Anders had u hem niet zo lang bij u mogen houden…’ zei hij tegen mijn moeder. ‘Het is een wonder zo als uw man het heeft volgehouden, een sterke man’.

Mijn moeder huilde trots, ja zij had een bijzondere man, een sterke man, eigenwijs, lastig, ziek, maar een man waarop vrouwen jaloers waren als ze hem zwierig in zijn auto zagen stappen.

Bijna was zij hem kwijt geweest, een paar jaren daarvoor. In mijn herinnering een warrig verhaal, ik was pas dertien of veertien en buitenechtelijke relaties was geen onderwerp waarmee je als aankomende puber vertrouwd was. Vader en moeder waren in jouw ogen oudere mensen die – nou ja – vader en moeder waren. Geen mensen. Geen man, geen vrouw, geen seks. Dit waren de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen het boek “Het volkomen huwelijk” met schematische tekeningetjes, ongeveer het meest erotische boek was dat je als jongetje te pakken kon krijgen. Het lag in de linnenkast, onder een stapel lakens. De arts die het had geschreven, een zekere van de Velde, werd door schrijver Menno ter Braak een kruising genoemd tussen een seksuoloog en een gymnastiekleraar. Bijzonder boeiend vond ik de technische tekening van het vrouwelijke geslachtsorgaan, met genummerde onderdelen, zoals bij een ingewikkeld apparaat.

Op een middag rijd ik op mijn fietsje langs hotel restaurant Sweering op de hoek van de Nicolaas Witsenkade en het Oosteinde. De grote ramen bieden inzicht in het sfeerrijk verlichte interieur van het grand café – hoewel dit toen nog niet zo werd genoemd – en de bar. Tot mijn verpletterende verbazing zie ik in het voorbijrijden mijn vader daar binnen! En hij is niet alleen. Hij is vergezeld van een meisje met veel blonde krullen. Het duurt even voordat ik de bezinning krijg om te remmen en langzaam terug te lopen, vijftig meter naar dat grote allesvertellende raam. Maar, tot mijn opluchting is het café leeg. Niemand te zien. Heb ik mij dan zo vergist? Verbeelding? Hallucinatie? Maar er mankeert mij toch echt niets aan mijn ogen! Aan de andere kant, wat doet mijn vader daar. Hij is aan het werk, onderweg in zijn Skoda. Het is volstrekt onmogelijk dat ik hem heb gezien, vooral ook omdat ik nooit deze weg kies vanuit school. Toevallig rijd ik vandaag over de Weteringschans en het Oosteinde. Toevallig kijk ik naar binnen. Toevallig staat daar mijn vader met…

Gezichtsbedrog, zinsbegoocheling. Zulk toeval bestaat niet.

Desalniettemin fiets ik in zorgelijke stemming naar huis. Wat moet ik met hetgeen ik heb gezien of niet gezien? Mijn moeder vertellen? Ha, zij zal mij voor gek verklaren! Dit is natuurlijk ook te gek voor woorden, mijn vader met een meisje in een café. Hij gaat nooit naar een café. Ja, één keer in de week op donderdagavond, biljarten op de Ceintuurbaan bij Witteveen.

Er gaan een paar weken voorbij, waarin mijn vader gewoon op tijd thuis komt en op donderdagavonden gaat biljarten. Niets aan hem te merken. Alles gaat zijn gangetje en ik begin het meisje met de blonde krullen te vergeten. Een waandenkbeeld, ik heb me vergist, dat moet een andere man zijn geweest die toevallig van een afstand een beetje op mijn vader leek.

Dan op een donderdagavond barst de bom. Mijn moeder in alle staten, schreeuwen, krijsen, huilen. Ik kom te voorschijn uit mijn kamertje waar ik mijn huiswerk zit te maken om een scène te aanschouwen die klassiek is. De bedrogen echtgenote is er achter gekomen! Mannen zijn natuurlijk stom in dit soort akkefietjes, dat weet ik nu ook wel, maar toen vroeg ik mij af hoe mijn moeder hem had betrapt. Ook bij Sweering soms? Was zij toevallig ook langs dat grote raam gekomen? Maar het bleek anders te zijn.

“Jij stinkt elke donderdagavond naar de goedkope parfum, er zit lipstick op je overhemd, smeerlap, vertel mij maar niet dat je gaat biljarten. Ja, met je korte keu! Viezerik!”

Enfin, de aap was kennelijk uit de mouw gekomen en mijn vader ontkende niets. Hij stond er afwachtend bij en liet haar razen en tieren. Dus toch, dacht ik. Blonde krullen, er zullen wel gekrulde haren op zijn pak hebben gezeten.

“Mijn hele leven offer ik voor je op” vervolgde mijn moeder. “ Altijd zorgen, nooit geld, altijd loop ik je achter je kont aan, goed verzorgd is meneer, elke dag een schoon overhemd! En net nu het een beetje beter gaat, nu meneer een paar centen in zijn zak heeft gaat hij aan de haal met een meid, een hoer!”

Hier herinner ik mij dat mijn vader protesteerde. Het was geen hoer. Ik ben vergeten hoe het verder afliep, want het was schokkend om je ouders zo tegenover elkaar te zien staan. Ik trok mij stil terug in mijn kamertje en probeerde mij op het huiswerk te concentreren, terwijl in de woonkamer de schelle stem van mijn moeder nu en dan werd onderbroken door sussende moppergeluiden van mijn vader.

Vanaf die avond heerste er een ijzige stilte in huis. Er werd weinig gesproken, ook niet tijdens het eten dat mijn moeder op tafel kwakte. “Hier je eten. Kan die meid ook koken? Of kan ze alleen maar wat anders?”

Wij kinderen slopen zoveel mogelijk uit de buurt, want anders kregen we nu en dan een grauw. Wij zaten in de weg, levende symbolen van een huwelijksleven. Maar er was geen huwelijksleven meer. Mijn vader ging nu elke avond biljarten en als hij thuiskwam lagen wij al in bed.

Op een avond, na het eten, vader was al weg, het zal misschien een week na de explosie zijn geweest, ging de telefoon. In die tijd was zoiets nog bijzonder. De telefoon stond op het bureau van mijn vader en was een soort symbool van zijn zakelijk leven, hoewel ik hem nooit ’s avonds een zakelijk gesprek heb zien voeren. Helemaal geen gesprek. Maar goed, de telefoon ging en mijn moeder nam op. De stijgende verbazing was op haar gezicht goed af te lezen. Ik stond ernaast en hoorde een vrouwenstem, luid en duidelijk. Mijn moeder leek met stomheid geslagen en liet een tirade over zich heen spoelen, een klaterende woordenvloed die uit de zwarte hoorn sproeide.

“ Ja, dat is goed” zei ze uiteindelijk toen het stil werd aan de andere kant. “ Ja ja komt u maar, ja dat is het adres, nee hij is niet thuis, nee natuurlijk niet…”

Zij legde behoedzaam de telefoon op de haak en ging aan tafel zitten. Ik was nieuwsgierig, maar dorst niets te vragen. Dat hoefde ook niet, want zij draaide zich naar mij toe met een blik die een mengeling toonde van pijn en verwondering:

“ Haar moeder komt zo dadelijk hier, de moeder van die meid.”

Meer verklarende tekst was niet nodig. Inmiddels was ‘die meid’ een begrip geworden dat mijn moeder te pas en te onpas verwoordde met een gezicht alsof ze iets heel smerigs op haar tong proefde.

Een half uurtje later werd er aangebeld en boven aan de trap verscheen een vrouw, die er niet uitzag als een moeder, althans niet in mijn ogen. Zij leek nog wel jonger dan mijn eigen moeder! Een soort dame was het om te zien. Mijn moeder gaf haar vormelijk een hand en nodigde haar uit in de woonkamer. Stiekem installeerde ik mij in de zijkamer achter het bureau van mijn vader, maar dat had mijn moeder in de gaten en zij stuurde me weg.

“Ga jij je huiswerk maar maken. Dit is geen gesprek waar een jongen bij hoeft te zijn.”

Zij behandelde mij als kind, hoewel ik bijna net zo groot was als mijn vader en al dons op mijn kin begon te krijgen, om over het bosje haar onder mijn buik maar te zwijgen! Ik wist donders goed hoe mannen en vrouwen neukten, ik had de plaatjes goed bestudeerd.

De mevrouw, die dus de moeder was van het blond gekrulde meisje, bleef vrij lang op visite en met de deur van mijn kamertje op een kier en mijn oor een beetje in de gang kon ik nu en dan volgen waarover het ging. Het ging erover dat mijn moeder verdorie haar echtgenoot een beetje in de gaten moest houden! Die man zat achter mevrouws dochter aan, een net meisje van negentien jaar, wat moest die met een getrouwde man! Wilde mijn moeder scheiden? Nee, dat wilde ze niet. Nou dan, zorg dat die vent van jou met zijn poten van mijn dochter afblijft!!

De tekst werd gaandeweg ruwer, de toon luider, zodat ik het einde goed kon volgen. Bijna ruzie. Mijn moeder kwaad op de mevrouw omdat haar dochter achter getrouwde mannen aanzat en mevrouw kwaad op mijn moeder die verdomme moest zorgen dat haar man met zijn poten van jonge meiden afbleef. De gangdeur klapte hard dicht achter mevrouw en op de trap hoorde ik haar nog roepen.

“Hou die man van je thuis en zorg dattie van mijn dochter afblijft!”

Dit was niet het einde van het huwelijk van mijn ouders. Zij maakten het weer goed. Dat kon ook niet anders. Mijn vader, met zijn zieke lijf en zijn leren etui met injectiespuit en insuline, kon natuurlijk niet het leven leiden van een jonge god met een speelse meid aan zijn zijde. Ik gun het hem, nu nog, dat hij een paar jaar voor zijn dood nog een keertje leuk bezig is geweest. Ik weet hoe verfrissend zoiets kan zijn, voor een man. Of liever gezegd, voor een mens, want ook de vrouw heeft wel eens behoefte aan een versierd verzetje. Maar daar gaat dit verhaal niet over.

In het huwelijk had mijn moeder uiteraard alle macht in handen. Een gewone man kan al nauwelijks zonder zijn vrouw, laat staan een zieke man. Bovendien was zij gek op hem, dat is mij wel duidelijk geworden, bijvoorbeeld als zij jaren later naast mij in de auto zat en over mijn hand streelde die ik aan het stuur had. “Je hebt dezelfde handen…” zei ze dan en het deed bijna pijn haar dit zo zachtjes te horen zeggen.

Mijn ouders maakten het weer goed en gingen op vakantie, met de Skoda. Hun laatste vakantie. Er zijn veel zwart/wit kiekjes van hun reis, mijn vader op het spatbord van de auto, mijn moeder op de motorkap, zij samen langs de weg in een hooischelf of ergens op een klein terras met een karafje wijn.

“Hij was toen al erg moe” zei mijn moeder later.

Ik heb mijn vader ongeveer een week morfine mogen toedienen en ik hoop dat hij een mooie week heeft gehad, zijn laatste week. Ooit heb ik zelf in een ziekenhuis, na een pittige operatie, een paar dagen morfine gekregen en ik herinner mij de roze wolken en de ontroerende schoonheid van de verpleegsters. Mijn vader zal dus ongetwijfeld mooie dromen hebben gehad, want ik was niet karig met de spuit en dokter Hartman was een man met een hart. Uiteindelijk werd de ademhaling zwakker, elke dag een beetje, elk uur nog een beetje totdat hij aarzelend begon in te ademen alsof hij, diep in zijn droom, niet zeker meer wist hoe dit moest. Hij stopte nu en dan gewoon even en ging dan weer verder, tot opluchting van mijn moeder. Maar op zaterdagavond stopte hij definitief. We zaten samen, broertje al naar bed, te hopen en te smeken naast zijn bed. ‘Hé Joop! Ademen!’ Maar hij stopte voorgoed. Dit was dus dood, zo ging je dood, je stopte gewoon met ademen. Mijn moeder greep de telefoon in de zijkamer, alsof zij dit van te voren had ingestudeerd, en draaide een telefoonnummer. Van mijn oom Theo, bleek later. Die kwam meteen, dat wil zeggen, binnen een uur was hij er, helemaal uit Haarlem. Hij had een groot garagebedrijf en bezat voor die tijd snelle auto’s. Oom Theo legde mijn vader netjes recht in bed, schudde het kussen op en dekte hem zorgvuldig toe. Daarna ging mijn moeder koffie zetten.

De volgende dag, zondag, kwam de rest van de familie en net als de vorige keer zaten ze rond de tafel te kletsen, met koffie en taart, alsof het overlijden van echtgenoot, broer, zoon en zwager gezellig was. Goede reden voor een familiebijeenkomst, gezellig om elkaar weer eens te zien. Mijn moeder vroeg of ik piano wilde spelen en ik speelde het Nonnenkoor (uit de kast van opa) omdat mijn vader dit mooi vond, vooral als mijn moeder erbij zong. Maar dat deed zij nu niet. Er zijn foto’s in oude albums waarop je hen beiden ziet, zij piano spelend, hij half over haar heengebogen samen met haar de muziek lezend en zingend.

Hoe het met de crematie verder geregeld werd, dat weet ik niet. Kan mij daar niets van herinneren. De herinnering komt pas weer als we in een klein en somber zaaltje zitteen van het crematorium in Driehuis-Westerveld. In 1955 nog niet met de grandeur en lichtvoetige ruimtelijkheid van tegenwoordig. Cremeren was in dat jaar eigenlijk nog illegaal en werd pas na de dood van mijn vader gelegaliseerd. Het verklaart misschien mijn herinnering aan de obscuriteit van het zaaltje.

Op een podiumpje met zwarte gordijnen stond de kist en een doodgraver vroeg met gepaste stem wie van de aanwezigen het woord wilde voeren. Het was een vreselijk moment. Want niemand stak zijn vinger op, het bleef muisstil in dat zaaltje met familie en wat vrienden en kennissen en hier en daar hoorde je gekuch en geschuifel van voeten. Wat er toen gebeurde zal ik niet gauw vergeten. Mijn vriend Joop – dezelfde naam! – stond op en liep naar het katheder.

Joop was vanaf mijn twaalfde, op de middelbare school, mijn boezemvriend. Hij was de zoon van arme mensen die een alkoofwoning bewoonden in de pijp, bij de Albert Cuyp markt, nu een incrowdbuurt, toen pure armoede. Omdat Joops ouders hem niet konden meenemen op vakantie, want ze gingen nooit op vakantie, mocht hij ‘s zomers met ons mee naar het huisje dat we ergens hadden gehuurd in een bos of aan een strand. Hij en ik gingen daar dan op de fiets naar toe, wat soms een dag fietsen was, maar in die jaren was je als jongen ongeveer vergroeid met je fiets. Je deed alles op de fiets. Heen en weer naar Zandvoort, meisje op de stang, geen probleem hoewel je een paar keer moest afstappen omdat zij stijve billen kreeg. Op vijftienjarige leeftijd fietsten Joop en ik naar zuid Luxemburg, door de Ardennen op twee herenrijwielen met terugtraprem en een extra gemonteerde handrem op de voorband, want in die heuvels had je extra remkracht nodig. Wij lieten ons met de gevulde fietstassen aan de bagagedrager, als een steen de bergen afrollen. Onverantwoord, maar spannend, temeer daar deze snelle afdalingen de beloning waren van een ongelofelijk zware ploetertocht bergop. Het was onze eer te na om af te stappen en te lopen.

Het was heel dapper van Joop om daar op dat podium te gaan staan, in dat zaaltje, naast mijn vader. Een jongen van zeventien jaar. Dat de broer, zwagers, zusters en anderen zich niet rot schaamden! Ik kon het niet, zei de broer. Nee, ik kon het niet, zei de zwager. Enfin, Joop kon het wel en nadat hij gesproken had, kon ik het ook. Wij hebben samen mijn vader uitgeleide gedaan, met een goed verhaal, over zijn enthousiasme, zijn mooie trap met voetballen, zijn handigheid tijdens het kaartspel.

Vierenveertig was ook mijn moeder toen hij overleed. En omdat die speelse man pas een paar jaar serieus geld verdiende en daarvoor een wisselvallige carriére had gemaakt, met ziekte en faillissement waar natuurlijk ook nog de oorlog tussendoor was gekomen, kortom omdat het nog maar zo kort echt góed ging was er van pensioen nauwelijks sprake. Hoewel mijn vader bij zijn leven de kroonprins was van de houtwarenfabriek in Noordwijk, bleek hij na zijn dood door beide fijnchristelijke eigenaren snel vergeten. Mijn moeder kreeg nog een paar honderd gulden en daarna hoorde ze nooit meer iets. Met een kind van elf en haar oudste zoon in het laatste jaar van de middelbare school, zag haar toekomst er niet florissant uit. De overheid was nog niet zo scheutig, een uitkering bestond niet. Ik citeer hier de conclusie uit een rapport van de Sociaal Economische Raad, uit 1957:

Conclusie.
Uit de gegevens over de totale inkomenspositie van de

weduwen en van de inkomensbronnen, meent de raad te mogen

concluderen dat in zeer veel gevallen door het overlijden van de

echtgenoot het inkomen geheel of grotendeels wegvalt en dat

meestal noch door inkomsten uit bedrijf of beroep, noch door

inkomsten uit vermogen of uit publiekrechtelijke of privaatrechtelijke weduwenvoorzieningen,

voor deze inkomensvermindering een redelijk te achten compensatie wordt verkregen.

Hij acht derhalve de behoefte aan een weduwen- en wezenvoorziening aanwezig.

Mijn moeder moest zelf in bovengenoemde behoefte voorzien, want de weduwen en wezenvoorziening zat nog in de pen. Zij vond een baan als verkoopster, eerst bij V&D en later bij de Bijenkorf. Voor mij werd de oplossing gevonden middels een carriére in de zeevaart. Hiervoor kon een renteloze studiefinanciering worden aangevraagd bij een Stichting die banden had met de toenmalige Kweekschool voor de Zeevaart (nu Hogere Zeevaart Academie). Deze school was een internaat, dus ik was meteen uit de weg en uit de kost. Als bètaleerling met vijf jaar middelbare opleiding kon ik de studie op het internaat in één jaar doen, waarmee je overigens vooral in het begin een vervelende uitzonderingspositie bekleedde en bijvoorbeeld van het biljart werd geweerd en nimmer in het schoolbasketbalteam of het schoolorkest werd verkozen. Wij zogenaamde D-klassers waren in de ogen van de gewone jongens – die over het algemeen niet konden of wilden leren en uit gegoede families kwamen – brave sukkels. Dit betekende dat je als D-klasser brutaler, eigenwijzer, luider, flinker moest zijn dan andere jongens om geaccepteerd te worden en verschoond te blijven van billenwassen in de wc’s waar menige D-klasser door een groep ouderejaars met zijn kop in een van de kleine plees geduwd werd. Het waren van die kleine pispotjes met op beide randen een ruwhouten zitbalkje en ze stonden op een rijtje in de vrije granieten ruimte. Privacy was gering op dit internaat. We sliepen op zolder in stapelbedden met ernaast een stalen kast voor je spullen en de D-klas hoek blonk bijvoorbeeld uit in het laten van knalharde scheten die door de slaapzaal echoden.
Goed, ik was dus onder de pannen en mijn broertje zou naar de Mulo gaan. Het werd een lijdensweg voor mijn moeder, want die jongen raakte lelijk losgeslagen, zo zonder vader die hij – denk ik – vreselijk miste. Hij was ‘die witte’, de oogappel van zijn vader. En net als zijn vader werd hij van school gestuurd, van alle scholen om precies te zijn, de Mulo, de Ulo en wat er nog meer aan middelbaar uitgebreid onderwijs voorhanden was in de jaren vijftig. Hans ging op zijn veertiende aan het werk, loopjongen bij de krant de Telegraaf. Ik kon mij daar niet mee bemoeien, want ik zat op zee. Als ik thuis kwam van een reis, als stuurmansleerling, kreeg ik de gejammerde klaagzang van mijn moeder over mij heen. Maar wat kon ik doen? Ik kocht een HMW brommer om mij tijdens mijn verlof snel te kunnen verplaatsen en die brommer verhuurde ik aan mijn kleine broertje als ik weer naar zee moest. Hij kon het betalen, hij verdiende bij de Telegraaf bijna net zoveel als ik ( 135 gulden in de maand).
Om meer financiële armslag te krijgen had mijn moeder de zijkamer laten dichttimmeren met een dubbel zachtboard wandje en wat isolatiemateriaal, zodat zij deze kamer kon verhuren. Een divanbed erin, twee rookstoelen (één van mijn vader) en een eikenhouten salontafel plus het fraaie bureau maakten er een sjieke herenkamer van. Via een agentschap verwierf zij haar eerste commensaal, de heer Rath, een stille Oostenrijker die iets zakelijks te doen had in ons land. Herr Rath was een uiterst beschaafde man en droeg dure pakken en een fraaie camelkleurige winterjas en een paraplu. Je hoorde hem zelden of nooit. Hij schoof bijna onzichtbaar het huis in en uit op weg naar zijn geheimzinnige bezigheden. ’s Avonds, als zij uit haar werk kwam, kookte mijn moeder een potje eten voor de man en ’s ochtends voor zij de deur uit ging kreeg hij een eenvoudig ontbijt. Met herr Rath heb ik weinig gesproken, maar het bijzondere is wel dat hij mij het adres gaf van Nederlanders die in Buenos Aires woonden. Deze Argentijnse havenplaats was een vaste bestemming van de Koninklijke Hollandsche Lloyd, de maatschappij waarbij ik in dienst was als stuurmansleerling. De familie Peltenburg in Buenos Aires woonde op een riante boulevard, in een luxe appartement zoals ik van mijn leven nog nooit had gezien. De zoon Peltenburg, die denk ik een jaar of dertig was, nam mij een weekend mee naar de pampa waar zij een huis hadden, een boerderij. Hij ving daar een kip die hij voor mijn ogen slachtte en op een vuur roosterde. Ook organiseerde hij een demonstratie stieren vangen door de gaucho’s, woeste ruiters in leren rijbroeken, die werptouwen hanteerden met een gemak waar cowboys nog wel iets van kunnen leren. Trouwens hun techniek was stukken handiger dan de lasso; zij hadden ‘bolas’, gevlochten leren touwen met aan het uiteinde twee of drie houten ballen of leren zakjes gevuld met zand. Die slingerden ze dan rond de achterpoten van de wegrennende stieren, die onmiddellijk als een blok tegen de grond gingen en klaar lagen om gebrandmerkt te worden.
De ruimte op de pampa is enorm. ’s Nachts staat er een hemelkoepel zo hoog en weids als ik zelden ergens heb gezien, zelfs niet op zee. De zuidelijke sterrenhemel is een flonkerende boog van licht, als Gods eigen glazen stolp waaronder wij in nietigheid een kippetje eten. Hoe klein ben je dan als mens.
Herr Rath was in onze ogen een groot man. Mijn moeder en ik dachten dat hij bij de geheime dienst werkte. Wellicht een medewerker van Simon Wiesenthal, op jacht naar ex-nazis. Simon was immers ook een Oostenrijker, woonachtig in Wenen en herr Rath had een duidelijk joods voorkomen. Ja, eigenlijk waren we ervan overtuigd dat herr Rath achter de misdadigers van het derde rijk aan zat! ’s Avonds heel laat hoorden we hem wel eens zachtjes telefoneren. De telefoon op het bureau van mijn vader was namelijk bij zijn huur inbegrepen en het gebruik ervan was door hem als eis gesteld. Hij belde vrij veel, maar werd zelf nooit gebeld. Omdat herr Rath zo’n prettige huurder was en op tijd betaalde, besloot mijn moeder dat ze nog wel zo’n commensaal erbij wilde hebben. Een buitenlander die goed betaalde voor een tijdelijk onderkomen in Amsterdam. Het bed in de woonkamer was na Joops overlijden blijven staan (waar moest het anders heen), zodat zij daarin van hem kon dromen en haar eigen royale slaapkamer met tweepersoons bed kon inrichten als tweede herenkamer. Mijn broertje, die bengel die maar deed waar hij zin in had, behield het kamertje waarin we vroeger samen sliepen. Geen idee waar mijn moeder het meubilair vandaan haalde, maar de slaapkamer die ooit ouderslaapkamer was, werd een herenkamer. Het gedroogde bruidsboeket verdween van de muur boven het bed. Waar zou het gebleven zijn?
Via het agentschap meldde zich al spoedig een huurder voor deze mooie achterkamer, in de gestalte van een grote luide Duitser, herr Kuhn. Dit was onhandig van mijn moeder, zij had kunnen begrijpen dat de stille voortsluipende herr Rath – als een spin in zijn web – niet zat te wachten op een luidruchtige Duitser. Maar herr Kuhn was een goede Duitser, zo benadrukte mijn moeder later tegenover mij. Hij was van de ‘wiedergutmachung’ en kwam geld uitdelen aan oorlogsslachtoffers. Hij stond dus aan dezelfde kant als herr Rath, dacht zij. Zij praatte voor zichzelf de mannen naar elkaar toe, alsof het vrienden zouden kunnen worden, een gemeenschappelijke taal delend en beiden bezig met goede naoorlogse activiteiten. Mensenkennis bezat mijn moeder kennelijk niet, ofwel het huurinkomen verblindde haar zicht op de situatie. Rath en Kuhn, stil en klein versus luid en groot. Beiden kregen nu hetzelfde potje voorgeschoteld en een gelijkwaardig ontbijt, maar waar herr Rath nimmer ook maar de geringste negatieve opmerking had gemaakt over het voedsel, bulderde herr Kuhn zijn onvrede door het huis. Hij had voortdurend klachten, weliswaar met een goedmoedige bullebakachtige jovialiteit, maar toch.
Herr Rath, die de oudste rechten bezat en de brullende Duitser als indringer zag in zijn domein, ergerde zich overduidelijk, zodanig dat het mijn moeder opviel. Geen klacht kwam over zijn lippen, maar hij was vaker afwezig en liet regelmatig zijn ontbijt onaangeroerd staan. Mijn moeder vertelde dat herr Rath altijd eerst voorzichtig om een hoekje van zijn deur gluurde, alvorens hij als een schicht het huis verliet.
Van enige toenadering tussen de mannen was geen sprake. Mijn moeder had dit verkeerd ingeschat, maar er was niets meer aan te doen en omdat zij een doorzetster was deed zij alsof er niets aan de hand was en verhoogde de kwaliteit van het eten. De maaltijden werden zo goed en overvloedig, dat herr Kuhn, de veelvraat en lekkerbek, niets meer te klagen had en herr Rath het meeste liet staan.

Een jaar varen als stuurmansleerling was in 1955 geen pretje. Dit was een zogenaamd praktijkjaar, waarin de leerling moest leren hoe het op een schip toeging, van onder tot boven en van links naar rechts. Dagenlang zat ik met een bikhamer het dek te bikken en als de zeeën hoog over het voorschip sloegen, bijvoorbeeld in de Golf van Biskaye, werd ik naar de ‘kabelgast’ verordonneerd, een oude zeerob met gelijkwaardige rang en gage als de bootsman en verantwoordelijk voor al het touwwerk en staaldraad aan boord. Het hok van de kabelgast, kabelgat genoemd, bevond zich in het vooronder, in de voorpiek van het schip, waar de zeeën als watervallen overheen kletterden. Het was een duister gat achter een waterdichte stalen deur, waar het stonk naar teer en olie. Op elke reuzengolf steeg de boeg na wat tegenstribbelen omhoog in de watermassa’s, waarna het schip een tijdje sidderend bleef hangen op de top van de golf om dan plotseling, toch nog onverwacht, omlaag te vallen, waardoor je voeten loskwamen van de glibberige ijzeren vloer. Een waterdichte manier om zeeziek te worden, wat dan ook met mij gebeurde. De kabelgast, rustig zware shag rokend, had geen medelijden. Hij joeg me weg, zodat ik al kotsend met levensgevaar tussen de overkomende zeetjes door naar de midscheeps rende. Uiteraard waren ook hier de waterdichte deuren goed dichtgekneveld, zodat ik wadend door het zeewater onder de reddingsloepen door naar achteren kroop. Ik vroeg me af of die sloepen op tijd te water zouden worden gelaten als het schip straks ging zinken. We hadden ze natuurlijk getest, tijdens de zogenaamde ‘sloepenrol’ waarbij op kalme zee met mooi weer geoefend werd in het beleven van een scheepsramp.
Denk nu maar niet dat iemand medelijden heeft met een stuurmansleerling die zeeziek is. Integendeel, het hoort zo. En je bent niet ziek, al zie je groen en geel en weet je van ellende niet waar je het zoeken moet. Net nadat ik eindelijk mijn kooi had bereikt, in de pijpenla die mij als hut was toegewezen en waarin naast de kooi nog precies voldoende ruimte was voor een aan de wand geschroefd tafeltje en één stoel, net nadat ik mij jankend op de harde matras had laten vallen, kwam de tweede stuurman binnen en vroeg wat ik daar deed. Ik moest mee naar de brug, want wij gingen een zonnetje schieten met het sextant, hoewel er nauwelijks zon te zien was in het grijze gordijn van regen en zeewater. Dit bleek het bijzondere van het praktijkjaar; de stuurmansleerling werkt aan dek met de matrozen mee, maar hij dient zich tevens regelmatig op de brug te vervoegen om mede de positie van het schip te helpen bepalen. Een hoop gedoe, drie stuurlieden en een leerling met sextanten en de tijdmeter aan het rekenen en de oudste had altijd gelijk. In mijn berekening had niemand interesse, hoewel ik wel altijd een kwartier eerder klaar was!
Op de brug en ook tijdens de maaltijden in de salon, moest de leerling schoongewassen in uniform verschijnen. In donkerblauw tot de Azoren, daarna in krakend helder wit met jasje toetop, zo’n tropenjasje met hoogopstaand kraagje. Een helse klus, die voortdurende verkleedpartijen. Zat je de hele ochtend in een kolenruim, of je zweette je een ongeluk bovenop het schavotje waar je de reling moest schilderen en dan moest je weer binnen tien minuten van matroos veranderen in officier, smetteloos schoon zonder vuil onder de nagels. Bijna ondoenlijk. Toen ik uiteindelijk besloot om de regels te veranderen en om twaalf uur in mijn vuile kloffie op de brug verscheen om een zonnetje mee te schieten, werd ik bijkans overboord gesodemieterd door de eerste stuurman, die zo kwaad werd dat hij met zijn trillende handen het zonnetje niet te pakken kreeg en we die dag het rekenresultaat van de tweede stuurman als juist moesten accepteren.
De eerste stuurman op deze oude praam genaamd Rijnland, ik meen van 1919, was – ik zeg het maar eerlijk – een boerenhufter. Je had in die tijd en misschien nu nog wel opleidingsinstituten voor de zeevaart in uithoeken van het land, zoals Terschelling of Harlingen. Officieren die daar hun opleiding hadden genoten hielden niet van Amsterdammers en zeker niet van D-klassers die op de deftige ‘Kweekschool’ voor rijkeluiszoontjes hadden gezeten. Zelf hadden ze – overigens net als die rijkeluiszoontjes – er natuurlijk járen over gedaan om die paar goudgalonstrepen op hun mouw te krijgen en dan kwam jij met behulp van een luchtvaartalmanak op de brug eventjes een sterbestek maken in minder dan de helft van de tijd die zij nodig hadden met hun antieke logaritmetafels. Oerconservatief die scheepvaart toentertijd. Tijdens de opleiding moesten wij nog leren hoe je de zeilen reeft van een driemast brigantijn, terwijl het schermen net een paar jaar voor mijn komst van het rooster was geschrapt. Op het internaat droegen wij ook nog lakense baadjes met een dubbele rij koperen knoopjes, zoals de officieren van de Onedin lijn. Wel mooi trouwens.
Maar goed, die luchtvaarttafels – de HO 214 tafels – mocht ik niet meer gebruiken, wij waren tenslotte geen vliegtuig.(Twee jaar later, toen ik derde stuurman was op de wilde vaart, had ik de nieuwere HO 249 tafels voor zon- en sterbestekken, alles vooruit berekend voor posities op deze aardbol. In een oogwenk zette je een plaatsbepaling in de zeekaart.)
Het was een verdomd arrogante autoritaire club op zo’n boot, de uitdrukkingen ‘op je strepen staan’ en een ‘streepje voor hebben’ werden mij dagelijks verduidelijkt. Ik heb het bij de Koninklijke Lloyd dan ook niet lang volgehouden. Mijn vader zou trots op mij zijn geweest, zo eigenwijs, eigengereid en halsstarrig ik het volhield om de regels aan mijn laars te lappen. Weliswaar was ik een zogenaamde ‘sterleerling’ en daarom uitverkoren om bij deze prachtige Koninklijke maatschappij te mogen varen, maar ze kenden natuurlijk alleen mijn cijferlijst. En niet mijn karakter haha. De incidenten volgden elkaar op. Bijvoorbeeld toen ik het nog langer verdomde om in het witte pak om twaalf uur naar de brug te komen om als vijfde wiel aan de wagen een zonnetje te schieten waarin niemand geïnteresseerd was. Ik bleef vaak bij de matrozen eten, dezelfde keuken, maar ruwere bediening en eetmanieren. Allemaal tegen de regels.
Het mooiste was, dat ik na mijn eerste reis nog bevorderd werd naar de mooiste boot van de vloot (de Basilea, een Zwitsers koopvaardijschip dat in charter voer, een verhaal op zichzelf want Zwitsers kunnen bijna net zo goed zuipen als Zweden, maar dit verhaal zet ik later nog wel eens op papier).
De Basilea was een supersnelle elegante vrachtvaarder met passagiersaccommodatie waarin tijdens mijn reis op deze boot een Amsterdams gezin vertoefde. Zij gingen emigreren naar Argentinië. Pa, moe en drie dochters die gezien mochten worden, vooral na de Azoren. De oudste dochter, ongeveer van mijn leeftijd, had het meisjeslyceum gedaan en kende veel mensen die ik ook kende en al spoedig kenden wij elkaar ook vrij goed. Dit was dus alweer tegen de regels.
Meteen na binnenkomst van mijn eerste reis – mijn conduitestaat was nog niet tot de hogere beslissingsbevoegde regionen doorgedrongen – werd ik bevorderd tot dienstdoend vierde stuurman, onder supervisie van een zogenaamde ‘supercargo’. Dit was een kapitein van de Lloyd, die toezicht hield op de Zwitsers en vooral op de lading die zij voor ‘ons’ vervoerden. Ook moest hij toezicht houden op mij. Dit kwam erop neer dat hij tijdens mijn wacht – ik liep zelfstandig wachten op de brug en had dus de volledige verantwoordelijkheid voor dit schip – onverwacht de brug op kwam om te kijken of we nog op koers lagen en niet ondertussen een vissersboot hadden geraakt. Voor deze controlerende bezoekjes had hij geen vast schema, soms kwam hij helemaal niet. ‘Alles goed boven leraar?’ ‘Jawel kapitein, alles ok’. En dan ging hij weer. Zo’n wacht duurde vier uur, voor geïnteresseerden: ik liep de achttwaalf wacht. Nou ja, liep… Op de brug stond namelijk een hoge stoel, zodat je ook zittend kon wachtlopen. Ik dus op die stoel. Kwam de supercargo boven:
‘Hé leraar, jij zit op de stoel!’
‘Jawel meneer’.
‘Die stoel is voor stuurlui.’
‘Jawel meneer.’
‘Kom er dan als de donder vanaf leraar!’
‘Jawel meneer. Maar… ik werk hier toch als stuurman?’
‘Hahaha!! Laat ik niet merken dat je op die stoel zit, begrepen!’
‘Jawel meneer.’
Hij weg, ik weer op de stoel. Kwam hij natuurlijk meteen terug om te kijken.
Dat hebben we ongeveer de hele reis volgehouden. Giftig werd die man ervan, ziedend, roodhoofdig. Maar wat kon hij doen? Zelf die wacht lopen, zittend op de stoel? Nee daar had hij geen zin in natuurlijk, hij had het druk genoeg met andere dingen. Hij kon mij niet ontslaan of overboord gooien, wat hij liefste wilde.
Tot overmaat van dwars kreeg ik een soort verhouding met eerdergenoemde passagieres en dit was al helemáál tegen de regels.
Na deze reis kreeg ik zogenaamde werkboten, waar veel te bikken viel – ja niet in de eetsalon! Verf bikken aan dek, kolenruimen schoonmaken in de haven zodat er weer graan kon worden geladen. Dan stond ik met een koperen schep tot mijn heupen in de gele korrels om de lading te verdelen. Dat graan kwam namelijk uit een silo via een pijp en als je het niet opzij schepte werd het een puntige toren. En als je niet opzij stapte werd je bedolven. Daar stond ik elke avond – er werd nog doorgewerkt in die jaren – met een stofkapje voor mijn gezicht, terwijl mijn collega’s (met de strepen) lekker aan het passagieren waren in mooie restaurants en wellicht daarna in obscure kroegen en bordelen. Overdag hadden ze bootwerkers voor de klus, ’s avonds was de stuurmansleerling de klos.
Vaak moest ik aan mijn vader denken. Die had dit nooit gepikt verdomme. En ik beloofde hem terplekke dat ik het ook niet veel langer zou pikken.
De climax in mijn carrière kwam echter wat later. Het was de gewoonte dat de schepen op de terugreis in Las Palmas tomaten laadden als deklading. Honderden, misschien wel duizenden kistjes tomaten. Die moesten geteld woorden, tomaten tallyen heette dit, in de scheepvaartwereld zit men niet om een verbastering van een taal verlegen (To tally up = optellen). Dus was ik aan de beurt. ’s Morgens om acht uur aan dek en kistjes tellen. De hele dag. Geen koffie pauze, geen lunch, nauwelijks tijd om een sigaret op te steken. Inmiddels had ik een goede relatie opgebouwd met de civiele dienst en kwam een steward mij koffie brengen en later broodjes. Die jongen kreeg er eerst van langs van de tweede stuurman en daarna van de hofmeester. Wie hem opdracht hiertoe had gegeven? Niemand dus. De tweede dag was er geen koffie en geen lunch en geen thee, enfin, er was ook geen schaduw maar wel héél veel kistjes tomaten. Ik pikte dus maar nu en dan een tomaat, totdat de tweede stuurman – die de wacht aan dek had – dit zag en mij van diefstal beschuldigde.
Moet ik verder gaan? Mijn maat was vol, al een tijdje zelfs. Dus ik zei:
‘Weet je wat dikkop? Ga jij hier maar tomaten tallyen. Ik ben klaar, ik neem ontslag.’
Je had zijn gezicht moeten zien. Sprakeloos. Ik heb hem met dat gezicht zo laten staan en ben op mijn gemak naar mijn hut gewandeld. Genoeg is genoeg.
Een half uurtje later kwam de eerste stuurman langs. Hij klopte zowaar beleefd op de deur. Wat ik mij in mijn hoofd haalde? Ik herhaalde mijn tekst en vroeg of ik mijn ontslag schriftelijk moest indienen. Nee, dat hoefde niet. Maar hij wist niet of dit zomaar kon, want zoiets had hij nog nooit meegemaakt. Wel werd er nu en dan een matroos of ander laag volk van boord gezet omdat er met messen werd gezwaaid of omdat iemand uren te laat bezopen van de wal kwam zodat de maatschappij honderdduizenden guldens verlies leed, dat soort dingen kende hij wel. Maar dan was hij de baas, of liever gezegd, de kapitein want die is net een soort Romeinse keizer aan boord.
Haha, nu was ik de baas.
De laatste dagen van de reis waren zeer ontspannend. Mijn vader klopte mij voortdurend op de schouder en ’s nachts, in die grote donkerte van het heelal, zag ik hem als mijn schepper – wat hij natuurlijk ook was – op mij neerkijken met een grijns zo breed als het Kanaal.
Hij had gelijk. Hierna heb ik nooit meer een mens boven mij gesteld gevoeld. Geen autoriteit, geen prins of koningin, geen godheid. Niemand hoeft mij te vertellen welke koers ik moet varen. Nou ja, uitgezonderd natuurlijk mijn vader!

Maart 2012
Christian