Met een ouwe Citroën heen en zonder terug.
On the road…
Jack Kerouack maakte iets los…
Eind jaren vijftig begon de wereld te veranderen. Begin van de seksuele revolutie, de emancipatie, geneugten van de consumptiemaatschappij en de kritiek daarop. De jeugd brak door met pop art van Warhol, Lichtenstein en Rauschenberg, met popmuziek van Jerry, Buddy en Elvis, de film noir schokte onze ouders met Asphalt Jungle en Les Diaboliques, we kregen Pleiners en Nozems, rock and roll en we lazen J.D. Salinger en Jack Kerouack wiens bestseller “On the Road” hele volksstammen jongeren in beweging zette, letterlijk. Sturm und drang liftte door Europa en als je jong was kon je eigenlijk niet meer thuis blijven zitten. Je moest bijvoorbeeld druiven plukken in Frankrijk en bordenwassen in Zweden en het onontkoombare reisdoel was de Noordkaap; daar moest je geweest zijn.
Ik was eenentwintig, Cees al drieëntwintig. We hadden elkaar ontmoet op de wilde vaart, hij 3e werktuigkundige en ik 3e stuurman. Cees vond dat hij een verkeerd vak had gekozen en ik was het wat mijn eigen keuze betreft volledig met hem eens. Hij was in zijn hart fotograaf en ik meende dat ik schrijver was, althans dit wilde zijn of worden. Wij werden aan boord van de tanker Dorestad – 20.000 ton, een klein tankertje volgens de normen van nu – dan ook als twee rare artiesten beschouwd, temeer omdat we elke nacht na onze wacht ( de ‘eerste wacht’ van 20 tot 24 uur) in mijn hut muziek maakten, hij op gitaar en ik op banjo, waarbij we uiteraard belastingvrij bier dronken, belastingvrije sigaretten rookten en gratis snacks aten die hij uit de koelkamer ontvreemdde, zoals kreeft, zalm, haring in tomatensaus en andere ingeblikte hapjes waartoe hij toegang had als verantwoordelijke techneut van de koel- en vriesruimten. Wij waren het er over eens dat het leven van de zeeman minder avontuurlijk is dan het klinkt, hoewel we in bijvoorbeeld Yokkaichi, een havenplaats in Japan, waar we een week lagen om olie te lossen en waar de meeste straten onder een versiering van baldakijnen, vlaggen en drakerige poorten nog nauwelijks geplaveid waren, redelijk avontuurlijk in de weer waren tijdens Japanse etentjes. Cees kocht daar overigens een volledig professionele fotografen outfit met – uiteraard – een Nikon kleinbeeld camera. Ik schafte een perfect nagemaakte Rolleiflex aan (Walzflex 6×6) waarmee Cees ook graag werkte. Aan boord van de Dorestad, waar Cees het hospitaal in gebruik had als donkere kamer, deden wij creatieve projecten, waaronder erotische fotomontages, vrouwelijke torso’s van gips, een korte tekenfilm (we hadden uiteraard in Yokkaichi ook een 8 mm filmcamera aangeschaft) en vooral veel fotografisch gemanipuleerde tekeningen waarbij ik gedichten schreef. Wij waren eigenlijk kunstenaars. Cees verbrak, na een korte stop in Rotterdam waarbij hij een paar dagen met zijn verloofde op vakantie ging en mooie foto’s maakte van het toentertijd spraakmakende Atomium op de Expo ’58 in Brussel, zijn verloving. Mijn geliefde had mij inmiddels al per brief laten weten dat ze niet op een zeeman bleef wachten, dus we waren geheel vrij om kunstenaar te zijn.
Begin 1959 besloten wij om een tijdje niet meer te varen. We hadden een beetje geld gespaard en inmiddels Jack Kerouac gelezen, dus we namen ontslag bij de maatschappij en kochten een auto. Het werd een Citroën Traction Avant Normale uit 1949, die Cees in de Haag had ontdekt en die altijd beschaafd was bereden door een oudere dame, volgens Cees met chauffeur. Om de zwarte koets wat op te vrolijken beschilderden we de wieldoppen in kleurige segmenten, als een rad van avontuur zou je kunnen zeggen. Rijdend vertoonden de wielen dan één kleur, alle vier verschillend, een kunstzinnig effect. De afspraak was dat we om beurten de auto een week in bezit hadden. De uitwisseling was omslachtig maar ook leuk. Vrijdag reed ik naar de Haag waar ik het weekend bij hem bleef logeren op zolder in het grote oude huis waarin hij met zijn intellectuele moeder woonde. Vrijdag en zaterdag liet hij mij het nachtleven van de Haag zien, ’s zondags bracht hij me terug naar Amsterdam, bleef dan soms na het stappen bij mij slapen of reed op maandagmorgen vroeg, na koffie te hebben gedronken in het café op de hoek van de Amstelstraat dat om zes uur openging voor de marktkooplui van het Waterlooplein, terug naar de Haag. Het volgend weekend werkten we een soortgelijk programma af waarbij Cees Amsterdam leerde kennen. Na bezoek aan Eylders, Reinders, Alto en de Bamboobar eindigden we altijd in onze sociëteit de Kiekeboe die voor leden in principe de hele nacht open was. Op een keer zat ik aan de bar met twee mooie meiden die de familienaam Hameetman droegen. Twee zusters, een blond, een donker. De blonde liet zich Adèle noemen – later bekend geworden als Bloemendaal – en zij is de enige vrouw in mijn leven die vond dat ik een ‘zeemansblik’ had. In de Kiekeboe maakten wij ook een vriend die zichzelf journalist noemde, een zekere Henk, altijd model gekleed in pak met das. Deze Henk was bereid de benzine te betalen als hij mee mocht rijden naar Stockholm, waar hij van plan was carrière te maken.
Na deze inleiding, die in realiteit maanden duurde en veel van ons spaargeld kostte, werd het tijd om op reis te gaan. We besloten de auto een grote beurt te geven, waartoe wij een ‘kuil’ mochten graven op het terrein van de familie van Wijk, toentertijd eigenaren van de Cinetone studios en belendende percelen. Ongelukkigerwijze bestond deze familie uit onder andere twee aantrekkelijke meisjes, die het uiteindelijke vertrek nog danig hebben opgehouden. Vooral Cees, na zijn verbroken verloving nog wat zoekende, kon zich moeilijk losmaken van de lieftallige, maar ondeugende en nogal bijdehante Bepje die hem, met haar zeventien jaren, geheel in haar greep kreeg maar daar zelf tamelijk losjes over deed, wat het losmakingproces voor hem trouwens iets makkelijker maakte. Zij stuurde hem niet weg, maar stimuleerde zijn vertrek wel. Mijn geliefde was ouder en wijzer, met haar kon je over dit soort reizen verstandelijk praten; zij had Kerouac ook gelezen.
Uiteindelijke besloten wij te vertrekken op 17 mei 1959. En omdat we vroeg zouden vertrekken, wilden we vroeg naar bed. Het voorgaande maakt begrijpelijk dat dit niet lukte, we konden onze levenswijze van de maanden ervoor niet ineens drastisch wijzigen en bovendien hadden we ook nog een afspraak met Henk in de Kiekeboe. Hij moest ons nog uitleggen waar we hem konden ophalen, op weg naar Stockholm.
Zondag 17 mei.
We vertrekken om kwart voor tien uit Amsterdam, na Henk te hebben opgehaald ergens in nieuw west. De dobbelstenen hebben bepaald dat ik de eerste honderd kilometer rijd. (Genoteerde kilometerstand 27059.) Naast mij sukkelt Cees vrijwel meteen in slaap en op de achterbank zit Henk te snurken, in pak met das, regenjas keurig op schoot en zijn aktetas met verschoning naast zich. Via Oldenzaal, waar we nog even 12 liter smeerolie inslaan, rijden we Duitsland binnen. We maken ons even zorgen als we de douanepetten zien, want achter de bekleding hebben we vijf pakjes zware van de Weduwe verstopt, maar de controle verloopt voor Duitse begrippen tamelijk oppervlakkig.
Het lukt ons om op de meeste wegen de snelheid rond de 85 km per uur te houden, zodat we lekker opschieten. Het wordt lastiger als we rond zeven uur Hamburg verlaten en het schemerig begint te worden en we de koplampen ontsteken die tot onze verrassing op ongeveer vijf meter voor de auto rechts de berm blijken te verlichten. Oorzaak: onze laatste aanrijding waarbij onder andere een spatbord verkreukeld is geraakt. Weliswaar hebben we dit weer vrij netjes uitgedeukt, maar we vergaten om de koplampen op de spatborden bij te stellen. Na wat buigen en trekken krijgen we iets meer licht voor de auto op de weg, maar harder dan vijftig kunnen we in het donker niet. Om kwart voor tien bereiken we met een sukkelgangetje de grens, waar de Deense douaniers, anders dan hun Duitse collega’s, onverwacht argwanend zijn. Alle koffers en tassen moeten uit de auto. Nadat wij ze hebben open gemaakt, keren de ijverige grenswachten ze ondersteboven. Binnen in de auto wordt hier en daar de bekleding losgepeuterd en de vloermatjes en kleedjes ondergaan een nauwkeurig onderzoek. Tot onze verbazing stuiten ze niet op de Weduwe en kunnen wij met onze contrabande de grens over, een hele opluchting want we hebben gehoord dat tabak in Scandinavië erg duur is. We wisselen 100 gulden voor 135 kronen en bevinden ons in Denemarken, hartstikke donker, stille weg, Flensburg nog ver weg. Henk is inmiddels wat narrig geworden en wil naar bed. Dus gaan we voor hem op zoek naar een slaapplaats, want zelf hebben we door een kleine aanpassing van de voorstoelen middels een ijzerzaag en een paar stalen pijpjes onze auto van slaapbanken voorzien. Na nog een klein uurtje te hebben voort gehobbeld, komen we langs een hotelletje dat er niet te duur uitziet. Helaas, geen kamer vrij. In arren moede nemen we maar een kop koffie in de gelagkamer en daarna een biertje en daarna een goede aquavit en nog een en zo komen we op vriendschappelijke voet met de hotelier en mag Henk, gratis, op de sofa blijven slapen. Onder voorwaarde dat hij om zeven uur opgeduveld is. Wij parkeren onze auto achter het hotel in een schapenweitje en komen tot de ontdekking dat het pompje – speciaal aangeschaft voor het oppompen van de luchtbedden – waardeloos is, zodat we onze eerste nacht op zelfgeblazen alcoholdampen moeten slapen.
Maandag 18 mei.
Om zeven uur staat Henk, opgewekt in pak met das en positief gestemd zoals altijd, op de auto te bonken. Hij brult dat de koffie klaar staat. Wij komen uit de slaapzakken en ontdekken dat er ook koeien in het schapenweitje zijn geweest en dat dit de gezonde landelijke geur verklaart die sterker is dan de vertrouwde benzinegeur van onze Citney. Cees heeft het aan zijn schoenen en op zijn slaapzak, die gelukkig legergroen is. Enfin, na de koffie naar de melkboer vlakbij voor melk en boter en om 08:40 op weg naar Stockholm. Kilometerstand 27767.
Om 11:35 zijn we bij het pontveer over de Grote Belt dat op ons overkomt als een modern vliegveld met betonbanen en tankwagentjes die af en aan rijden. Rond twaalf uur vertrekt de pont en een klein uurtje later zijn we aan de overkant, waar we nog zo’n drie uur moeten rijden in vreselijke regen- en hagelbuien naar het volgende pontveer van Helsingfors naar Hälsingborg (nu Helsingør en Helsingborg). Aan de grens deze keer geen douaneproblemen, maar wel het nadrukkelijk advies om toch vooral links(!) te rijden. Volgens Cees valt dat erg mee, maar hij heeft makkelijk praten want ik zit aan het stuur en hij geeft voortdurend irritante aanwijzingen. In een gestage motregen bereiken we rond half acht Ljungby en de kilometerteller vertelt dat we 478 km hebben afgelegd. Met al die pontverbindingen is Denemarken geen land om snel op te schieten. We gaan weer op zoek naar een slaapplaats voor Henk en na enige, voor Henk’s budget te dure, adressen vinden we een cafeetje dat er zo onooglijk en armoedig uitziet dat we aanvankelijk menen met een onbewoonbaar verklaarde woning van doen te hebben. Er blijkt echter een oud vrouwtje in te huizen dat het gerimpelde hoofd boven water tracht te houden (woorden van Cees) met de verkoop van koffie en oud brood en de verhuur van kamers. Zij ontvangt Henk met open armen; hij is die nacht haar enige klant en gezien de kwaliteit van het gebodene waarschijnlijk ook dit jaar. Het lukt ons ’s avonds nog om een redacteur van het plaatselijke nieuwsblad te pakken te krijgen en bij hem enige interesse te wekken voor foto’s en een kleine reportage over Amsterdam. Hij wil een afspraak maken voor de volgende ochtend, maar als hij hoort in welk hotel wij logeren ziet hij van verdere onderhandelingen af.
Dinsdag 19 mei.
We zijn gisteren voor ons doen vroeg in de slaapzakken gekropen; in Ljungby ging om tien uur het licht uit. Toch worden we pas laat wakker en rond tien uur zitten we aan de zwarte koffie en horen dat Henk prima geslapen heeft in een krakend hemelbed. Daarna wil Citney niet starten, dus moeten we op zoek naar een garage. Er komt een monteur die vaststelt dat de accu niet wordt opgeladen, waarna hij met behulp van een Bahco – die we zelf natuurlijk ook hebben – de dynamo zodanig verstelt dat de aandrijfriem weer op spanning komt. Onze werktuigkundige Cees staat er wat knullig bij te kijken en we betalen beschaamd de éne kroon die deze reparatie moet kosten. Voort gaan we weer over heuvels en door dalen langs het overweldigend mooie Vätternmeer op weg naar Jongköping (jungsjeuping). Hier wisselen we bij een bank onze laatste honderd gulden en hierdoor overmoedig geworden gaan we op zoek naar een café – konditori – om met koffie en smörrebröd geld over de balk te smijten. We komen terecht in een eethuis, aan de buitenkant goedkoop maar vanbinnen duur, waar we niet meer terug kunnen als we eenmaal zitten en de geuren hebben opgesnoven. We gaan ons te buiten aan een warme maaltijd – de eerste in drie dagen – met heel veel aardappelen en iets dat ons aan biefstuk doet denken. Voldaan, goed volgegeten, schrijven we onze namen met een dankwoord in het gastenboek. En omdat aardappelen in Jongköping voordelig zijn, slaan we een flinke zak in. Daarna verder naar Stockholm. Het enige oponthoud onderweg wordt veroorzaakt door Cees die een foto wil maken van de ondergaande zon boven een meertje, terwijl de zon steeds maar niet wil ondergaan. Uiteindelijk is het acht uur op de klokken van de twee torens van de Högalidskyrkan (Ivar Tengbom 1916-1923) als we Stockholm binnen rijden over een zesbaans(!) snelweg. Na op goed geluk een afslag te hebben genomen komen we in een brede straat, waar een café ons wenkt. We parkeren voor de deur en gaan naar binnen voor een kop koffie. Nou, het blijkt dat koffie hier niet de meest geliefde drank is. De rokerige ruimte zit vol met stevige drinkers die kleine glaasjes en bruine flessen koesteren. Dit is kennelijk een van de alcoholistencentra waarover we gehoord hebben. Tóch bestellen we koffie en Henk gaat een van zijn goede relaties bellen om, zoals wij aannemen, voor ons een slaapplaats te regelen plus toekomstige journalistieke opdrachten. Hij komt terug met slecht nieuws; hij mag een nachtje logeren bij iemand die hij kent, maar wij moeten maar in de auto slapen vindt hij. Het goede nieuws is dat hij een afspraak heeft gemaakt met een redacteur van een – volgens hem – belangrijke krant, de volgende dag om 13 uur. Nou ja, onderdak vinden in zo’n grote stad lijkt ons niet moeilijk. Maar dat valt tegen. We ondervragen politieagenten, taxichauffeurs, we gaan naar de stationsinformatie en informeren overal naar mogelijke slaapplekken in artiestencentra en zo belanden we uiteindelijk op Kungsträdgården, waar we bij ‘Piccolino’ een man met een enorme baard zien. Henk, die zich wat schuldig voelt, stuift er meteen op af terwijl hij uitroept “Ha een artiest! Die weet vast iets.” Maar in de eerste plaats blijkt het geen artiest en vervolgens weet ook deze baardmans niets beters voor ons te verzinnen dan het adres van ‘Af Chapman’, dat we al vaker aangereikt hebben gekregen. ‘Af Chapman’ is een driemaster die als jeugdherberg ligt afgemeerd aan Skeppsholmen, een eiland tegenover de oude stad (Gamlastan). We parkeren in de buurt waarbij we voor de zoveelste keer de uitlaat verliezen en boeken voor vijf nachten twee stapelbedden, voor de prijs van 60 kronen, vooruit te betalen.
Woensdag 20 mei.
We worden om acht uur gewekt en nadat we ons voor het eerst weer eens echt gewassen hebben, is het mijn beurt om de uitlaat te repareren. Dit is snel gedaan – ervaring – met behulp van wat ijzerdraad en na het ontbijt trekken we de stad in met camera en bloknoot om een mooie reportage te maken. We zwerven een paar uur kriskras door ‘Gamlastan’ en zijn om één uur op de afgesproken plek om de redacteur te ontmoeten. Die is er om twee uur nog niet, zodat we Henk vervloeken en maar weer verder lopen waarbij ik de volgende aantekeningen in het dagboek maak(sic):
< “Om te beginnen is Stockholm vreselijk duur, tenminste, voor ons, toeristen uit een arm land. Hierdoor treft men een opvallend aantal jongeren uit ‘vreemde landen’ in restaurants en hotels, waar zij zich achter de bordenwasmachine een weinig geld staan te vergaren. Hiervoor is een werkvergunning nodig, die in verband met de toenemende werkeloosheid moeilijk te verkrijgen is en dan alleen nog voor bordenwasser, tuinman of landarbeider ( studenten 3 mnd, anderen 1 mnd). Heel onprettig is ook dat men geen goedkope eethuisjes e.d. vindt. Voor artiesten en studenten bijvoorbeeld is het enige goedkope adres het Leger des Heils! De stad is in drie delen gedeeld; het centrum ligt in de oude stad (Gamlastan) op een eiland in de Östersjön waar ook het paleis te vinden is. De stad heeft volgens zeggen ruim 1.000.000 inwoners, van wie ca. 400.000 in de buitenwijken huist. Uitgaansleven is zeer beperkt; alleen in de dure restaurants treft men nachtclubs aan die tot vier uur open zijn en voor de rest sluit vrijwel alles rond 11 tot 12 uur. ’s Zomers gaan de jongeren (teenagers) naar Tivoli en Skansen waar men kan dansen (10 öre per keer) en waar allerlei kermisattracties te vinden zijn (Djürgården). Grote cabarets zijn o.a. Blanche, Orpheus, Volcan, Casino, Porta de l’Este , maar allemaal zeer prijzig. Opvallend is verder het grote aantal theaters, schouwburgen en musea waaruit men welhaast moet concluderen dat de Stockholmers zeer cultureel zijn…”
Zo draaft mijn referaat door met enigszins archaïsch taalgebruik (ik las toen graag Victor van Vriesland). We blijken bijvoorbeeld onder de indruk van het Nordiska Museet, Zweden’s grootste museum dat toen al zo’n 700 jaar bestond, met voor de ingang een groot standbeeld van een zekere generaal Oxelstjärna die tijdens de Noordse Oorlogen(1654-1658) zegevierde in de slag bij Warschau. Over het verkeer zijn we lovend; keep your lane, veel fly-overs en veiligheidsgordels in de meeste auto’s!
Ik vervolg met de letterlijke dagboektekst:
”Stockholm ademt gezondheid en welvarendheid. Vele parken, plantsoenen, beelden enz., goed geklede en gevoede mensen, vrijwel geen zwervers en elegante en vaak mooie vrouwen. Echter, niet iedereen is blond (ca. 70%), maar wel bijna allemaal blauwe ogen (toevallig onze voorkeur). Verder struikelt men over de imposante gebouwen, allemaal stijl Paleis op de Dam, terwijl op ’t ogenblik ook vele nieuwe wolkenkrabbers worden gebouwd, met de belangrijkste in Söder Malm (34 verdiepingen) die als zetel der belastingen gaat fungeren! De Zweden leven goed, te vergelijken met Amerika, met ijskasten, televisies, auto’s enz. Voor dit goede leven moet men maandelijks ca. 1200/1500 kronen verdienen. Voorts vindt men ontzettend veel restaurants, omdat de Zweedse vrouw niet zo huishoudelijk is en de zakenman weinig tijd heeft. Ook grappig zijn de vele bloemenmarkten. Wat betreft de slechtigheid: er is verslaafdheid aan verdovende middelen (meisjes van 15-16 jaar) en er zijn alcoholisten die zo hun eigen centra hebben en o.a. onder de bruggen liggen…”
De Zweedse welvaartsmaatschappij was in de jaren vijftig spraakmakend en voor avontuurlijke jongeren was dit hèt land waar je op z’n minst een keer geweest moest zijn, al was het – wat de jongens betreft – alleen maar voor de mooie meiden. Het beeld van rijkdom, land van melk en honing, werd bevestigd door hen die er geweest waren. Zweden had natuurlijk de 2e wereldoorlog niet meegemaakt, althans was niet bezet geweest en had als neutrale staat geen schade opgelopen. Na de oorlog dus geen wederopbouw, geen puinruimen, geen armoede.>
Donderdag 21 mei.
Met een werkvergunning voor bordenwasser op zak kun je – volgens zeggen – overal met gemak 400 kronen in de maand verdienen. Dus gaan wij ’s ochtends om negen uur eerst naar de ‘Kriminalpolisen’ voor de werkvergunning, die aan Cees wordt uitgereikt voor drie maanden terwijl ik per vergissing anderhalve maand krijg toebedeeld, wat ik later gelukkig nog heb kunnen veranderen. Gewapend met dit belangrijke document is ons eerste doel restaurant Catalin, omdat we daar gisteren hoorden dat er misschien een plek voor ons is. Helaas, als we aankomen blijkt de plek al vergeven, en het ergste is, aan een Hollander! Maar we krijgen wel een lijstje adressen van andere restaurants met het advies om het daar maar eens te proberen. Na een paar vruchteloze sollicitaties hebben we in de middag succes bij Santa Clara. Cees kan meteen om 4 uur ’s middags aan de slag in de pannenspoelerij, waar voor mij geen plek is. Ik mag pas de volgende dag komen, wat een beetje tegenvalt maar achteraf een meevaller blijkt, want ’s avonds komt Cees gesloopt uit de spoelerij. Terwijl Cees werkt, ga ik nog wat restaurants langs om te kijken of ik niet een beter baantje kan vinden dan pannen spoelen (ik heb ze even mogen bekijken, het zijn enorme tienpersoons pannen!)en verdraaid, bij restaurant Wasa op de Vasagatan heb ik succes; ik kan de volgende dag van 10 tot 10 aan de afwasmachine. De keus is niet moeilijk want bij Santa Clara krijg ik maar 6 werkuren aangeboden en ik weet hoe zwaar die pannen zijn. Terug dus naar Santa Clara waar ik Cees in de nattigheid met een waterspuit zie zwoegen om – ook hem – te vertellen dat ik interessanter werk heb gevonden. Daarna wandel ik met een opgeruimd gemoed naar Kungsträdgården, waar ik een kop thee bestel op het artiestenterras tegenover Karel XII en in gesprek raak met een stel mensen waaronder enkele mooie meisjes. Later gaan we met het hele stel naar een Löwenbrau tent, waar Hannes – een Oostenrijkse idealist die liever nooit meer over de oorlog praat en ook bij Santa Clara werkt – me een biertje aanbiedt. Omdat de meisjes niet erg toeschietelijk zijn en voornamelijk met elkaar in het Zweeds converseren heb ik er al gauw genoeg van. Bovendien heb ik geen geld voor een biertje – of eten – en Hannes vindt, ondanks zijn Oostenrijkse schuldgevoelens, kennelijk één rondje wel genoeg. We vertrekken samen om nog een straatje om te wandelen en om 10 uur ben ik aan boord. Eindelijk komt Cees na elven binnen strompelen. Hij vraagt niet hoe mijn dag geweest is.
Vrijdag 22 mei.
Cees schrijft in het dagboek dat hij ’s ochtends om negen uur weer vol enthousiasme naar de pannenspoelerij is gegaan. Hij heeft weliswaar bezwaren tegen het lage niveau van dit werk, maar benadrukt het voordeel van gratis voedsel en tussen de maaltijden door drie tot vier liter volle melk. Als hij om vier uur klaar is gaat hij de stad in om foto’s te maken. Onderweg mag hij niets consumeren – eten doe je maar tijdens je werk, hebben we afgesproken – dus hoewel hij vrij is om zich te verpozen, vermaakt hij zich niet echt. Tenslotte gaat hij maar naar Af Chapman om te douchen en te rusten en wat in ons dagboek te schrijven terwijl hij op mijn terugkomst wacht. Om half elf kom ik thuis van mijn eerste werkdag; twaalf uur aan de afwas gestaan van restaurant Wasa. We praten nog wat bij totdat de ‘moeder’ van dit schip ons om elf uur naar bed stuurt.
Zaterdag 23 mei.
Om negen uur worden we zoals gebruikelijk van boord gejaagd. Voor mij niet erg, want om 10 uur begin ik aan de afwas van Santa Clara. Cees moet zich zien te amuseren tot ’s middags vier uur als zijn afwaswerk begint. Hij zoekt dus – zoals hij zelf schrijft – zijn heil maar weer op straat, gewapend met zijn camera. Uiteraard komt hij terecht bij Piccolino waar hij een kop koffie neemt, een zelfverwennerij die hij mij later eerlijk opbiecht. Achter de bar staat een Hollander die hem veel over Stockholm kan vertellen en met name het probleem van de alcoholisten uitvoerig en kleurrijk schildert en Cees zou geen fotograaf zijn zonder onmiddellijk de populaire zuiplocaties te willen bezoeken die bij “Slüssen” liggen. Het lukt hem om daar wat foto’s te schieten – niet zonder levensgevaar, zoals hij het omschrijft – totdat hij uiteindelijk wordt omringd door een vijftal weliswaar waterig, doch ook erg dreigend kijkende manspersonen (zijn eigen woorden) en de aftocht kiest. Hij is rond drie uur bij onze werkgever, dus heeft ruimschoots tijd om zich vol te eten alvorens hij zich (juichend, schrijft hij) op de afwas werpt. Ik zie hem heel even in het voorbijgaan, want om 16 uur eindigt mijn dienst en verlaat ik – even juichend – het pand om mij met ‘dodelijk vermoeide ledematen’ naar ons tijdelijk verblijf op de boot te haasten en daar een half uur totaal uitgeput en wezenloos in mijn kooi door te brengen. Maar, slapen mag niet, want ik heb mijn ‘vrije’ avond! Dus ga ik douchen, trek mijn ‘beste pak’ aan en ga omstreeks 7 uur op weg naar Djürgården, waar zich de pretparken Skansen en Tivoli bevinden. Rond acht uur ben ik bij Tivoli en zoek de duurste portier uit, in het meest imposante uniform met het meeste goudgalon. Nonchalant toon ik mijn perskaart. De man begint meteen te buigen en als een vorst schrijd ik het vermaak tegemoet(sic)…
Tivoli blijkt, enigszins tegenvallend, een gewone kermis te zijn, met schiettenten, spookhuizen en dergelijke en twee dansvloeren (één voor oude stijl en één voor moderne stijl), waar men, na voor 40 öre een kaartje te hebben gekocht, één dans mag maken. Dit doe ik natuurlijk niet, gezien onze financiën. Ik slenter wat rond, bewonder de jongleurs, sprekende olifant en ander boeiend divertissement en nuttig een ‘varm korv med bröd’ en rond half tien verlaat ik doodmoe het pretpark om de lange weg terug te gaan. Als ik langs het Nordiske Muset loop kom ik in gesprek met een gemoedelijke Zweed die in gebrekkig Engels bereidwillig inlichtingen verstrekt over zijn stad. Al pratend verzeil ik weer in het centrum van de oude stad waar hij me uitnodigt voor een drankje. Hij voert mij mee naar een buitengewoon duur uitziend hotel, waar hem door een consciëntieuze portier de toegang wordt geweigerd, omdat ik geen das draag. Zo gaat het drankje mijn neus voorbij. Wij nemen afscheid, hij gaat alleen naar binnen langs de groetende portier en ik loop het hele eind terug naar het schip waar ik uitgeput aankom en Cees mag begroeten die net zo uitgeput is als ik, maar dan met een andere oorzaak.
Zondag 24 mei.
Zondag voor ons géén rustdag. Gisteren was de laatste dag dat we op het schip mochten verblijven, zodat we vanavond in de auto zullen moeten slapen. Hiertoe gaan we eerst maar eens op zoek naar een geschikte plek. Na enig rondrijden vinden we die plek op een rustige parkeerplaats langs het Norr Mälar Strand, van waar het slechts een half uur lopen is – flink doorlopen – naar het restaurant. Vandaag hebben we dienst tot middernacht; Cees begint om 12 uur en ik om 14 uur en we zorgen natuurlijk dat we op tijd zijn om eerst flink te eten. Na het werk lopen we terug naar onze nieuwe slaapplaats waar de slaapzakken al klaar liggen om er meteen in te duiken.
Maandag 25 mei.
Cees heeft dienst van 9 tot 15 uur dus hij moet al vroeg op. Ik blijf lekker nog wat liggen en ga daarna op mijn gemak naar het grootste gebouw van Stockholm om te vragen of wij, als buitenlandse studenten, niet wat minder belasting mogen betalen. Er wordt namelijk bijna 30% ingehouden op de Kronen die wij in het zweet onzes aanschijns verdienen. Belastingvermindering blijkt mogelijk, maar niet makkelijk. Het schijnt gepaard te moeten gaan met vele officiële moeilijkheden zodat het wel even zal duren voordat we er profijt van hebben. Na deze vermoeiende expeditie en een voettocht van een uur heen en een uur terug, bereik ik Santa Clara waar ik aan de machine mag. Cees verdwijnt om 16 uur van het afwastoneel, nadat hij eerst natuurlijk nog even zijn buik heeft volgepropt, om op avontuur te gaan in de stad. Als ik ’s nachts om één uur bij de auto kom ligt hij al te knorren.
Dinsdag 26 mei.
Zelfde programma als gisteren. Ik slaap lekker uit en informeer bij de belastingen hoe het ermee staat. Afwachten is het devies. Het gaat regenen en niet zo’n beetje ook, zodat Cees zijn hele vrije middag in de auto moet zitten kniezen en ’s avonds, als ik opgewekt van mijn werk kom (het is dan net een beetje droog geworden) daar nog steeds zit, in een niet al te beste stemming. Ik begrijp het en nadat we in de zakken zijn gekropen besluiten we om niet de geplande veertien dagen in de horeca werkzaam te blijven en er donderdag mee op te houden.
Woensdag 27 mei.
Ons besluit van gisterenavond heeft Cees in een betere stemming gebracht. Hij verdwijnt in een redelijk goed humeur op weg naar het restaurant. In het dagboek schrijft hij dat zijn prettige stemming al snel verdwijnt als blijkt dat het vandaag de drukste dag van de week is en de vuile vaat zich zo hoog opstapelt dat hij steeds verder achterop raakt en als een razende moet werken om niet onder de afwas ten onder te gaan.
Hij schrijft in het dagboek:
“Pas na vier uur sappelen krijg ik de kans om mijn eerste sigaret te roken (en dat wil een heleboel zeggen!). Het is waarschijnlijk dan ook goed te begrijpen dat ik me geweldig opgelucht voel als ik om 15 uur mijn voorschoot in een hoek smijt. Aan de kassa wordt mij, als loon voor de afgelopen vijf dagen, 80 kronen in de hand gestopt, waarmee ik blij de straat op huppel. Ik realiseer me dat ik de laatste dagen weinig foto’s heb gemaakt, dus ga ik goedgeluimd de stad in om de verdere middag en avond treffende plaatjes te schieten. Als ik ’s avonds om elf uur bij de auto kom is Christian er al, met 85 verdiende kronen. Voordat ik nu verder ga met notities zou ik eerst een korte verhandeling willen geven over de welvaart der Zweden in het algemeen en met name in verhouding tot onze betrekkelijke armoede, maar omdat dit niet binnen het kader van dit dagboek past beperk ik me tot het weergeven van onze mening… Wij menen dat onze verdere reis naar het Noorden beter door welgestelde Zweden gefinancierd kan worden, dan door onszelf.”
Rond elf uur ’s avonds gaan wij er op uit om benzine te vergaren, gewapend met twee jerrycans en een stuk tuinslang van ca. 2 meter. Deze attributen hebben wij uit Nederland meegenomen onder het motto je kan nooit weten hoe het van pas komt. Het blijkt nog niet eenvoudig te zijn om benzine uit andermans Zweedse Saabs en Volvos te hevelen. In de eerste plaats moeten we constant op onze hoede zijn voor voorbijgangers – die gelukkig niet zo talrijk zijn op ons parkeerterrein – en in de tweede plaats blijkt dat veel Zweden hun benzinedoppen op slot te doen. Ten derde zit er vaak te weinig benzine in de open tanks om lekker te kunnen hevelen. Je komt dan niet verder dan een mond vol. Maar uiteindelijk hebben we toch na anderhalf uur ongeveer 25 liter bij elkaar gezogen. We roken voorzichtig een sigaret om de benzinesmaak weg te blazen en gaan verder op zoek naar passende auto’s. En zie, na een hoop vruchteloos gezuig vinden we tenslotte een Ford Taunus met volle tank, die ons welwillend de ontbrekende liters levert. Inmiddels is het drie uur ’s nachts en de hemel wordt al weer licht, zodat we met een voldaan gevoel besluiten om te gaan slapen. We rijden naar een buitenwijk waar we een uitermate rustig en gunstig plekje voor de nacht vinden. We poetsen onze tanden, kruipen in de slaapzakken en slapen al spoedig de – volgens Cees – slaap der onschuldigen.
Donderdag 28 mei.
Als we om een uur of elf wakker worden, blijkt ons rustige plekje te zijn veranderd in een drukke parkeerplaats waar auto’s af en aan rijden. We moeten dus omzichtig te werk gaan en niet meteen met slaperige koppen en de slaapzak om de schouders te voorschijn komen. We willen niet opvallen en zeker geen achterdocht wekken. Het duurt dus even voor we reisvaardig zijn, opgefrist en aangekleed met een opgeruimd interieur. We gaan eerst de fotoafdrukken ophalen bij de fotozaak waar Cees negatieven heeft ondergebracht van “Amsterdam bij nacht”, want we hebben de hoop niet opgegeven dat wij als bijverdienste hier en daar geïllustreerde verhalen over Amsterdam kunnen slijten. Tegen twee uur rijden we Stockholm uit op weg naar het Noorden.
Voorbij Söderhamn vinden we een mooi kampeerplekje midden in een woest bos. We verzamelen brandhout en maken een vuurtje om koffie te zetten voor bij het avondmaal dat bestaat uit brood met boter. Het is mooi weer en nog volop dag, zodat we besluiten een flinke boswandeling te maken op zoek naar de elanden die hier veel voorkomen, naar men zegt. Maar de enige beesten die zich laten zien – en voelen – zijn muggen, ongelofelijk grote agressieve muggen, zodat we uiteindelijk de elanden maar laten zitten en hardlopend naar de auto terugkeren om in de zakken te kruipen.
Vrijdag 29 mei.
We worden, zoals gewoonlijk de laatste dagen, pas laat wakker. Dus eten we snel een stuk brood en gaan full speed op weg naar Ljusdal. Dit plaatsje is in ons schema terecht gekomen omdat er een correspondentievriendinnetje schijnt te wonen van mijn (jonge) broertje Hans. We gaan haar de groeten brengen. Hij heeft ons een fotootje meegegeven dat niet helemaal scherp is, dus we weten niet hoe zij eruit ziet. Ze is in ieder geval minstens zes jaar te jong voor ons. We volgen een zeer slechte weg door een prachtig landschap en om ongeveer half drie zijn we in Ljusdal. Nu nog het adres zien te vinden, dat in Tolhabo ligt, volgens de informatie die we hebben meegekregen. We nemen aan dat dit een dorpje of een wijk in de buurt is en om de weg te vragen gaan we naar het politiebureau, waar we voor de deur kunnen parkeren. Binnen heerst een serene rust; er zit een politieman wat slaperig achter een bureautje bij een glazen deur. Hem vragen we waar Tolhabo ligt. Vreemd genoeg heeft hij er nog nooit van gehoord! De glazen deur gaat open en collega’s schieten te hulp. Iedereen is nu klaarwakker, er komen dikke boeken aan te pas en landkaarten en uiteindelijk ontdekken de bereidwillige dienders dat Tolhabo een dorpje is in zuid Zweden, ergens bij de meren die we lang geleden gepasseerd zijn, 2000 kilometer geleden om precies te zijn. Dit is natuurlijk een teleurstelling, maar gelukkig hebben we als reserve ook nog het adres van Rob’s ‘penfriend’ Eva. Rob is een vriendje van Hans en gezien deze vriendschap hadden we aangenomen dat de meisjes allebei in Ljusdal wonen. Enfin, we hebben hoe dan ook één adres in dit stadje: op weg dus naar Eva. Helaas, het zit tegen, er is niemand thuis. Wel een mooi huis, beetje een villa in een buitenwijk, aantrekkelijk genoeg om straks of morgen nog een poging te wagen….
Wordt vervolgd in boekvorm… wie dit wil kan dit boek nu al bestellen. Uiteraard verluchtigd met foto’s! Komt uit voorjaar 2012.
Hierna nog enkele fragmenten uit het dagboek.
Maandag 20 juli.
Onze stalen zwarte Citney werkt onder de brandende steppenzon als een barbecue. Ondanks 38 uur zonder slaap, kunnen we het niet langer slapend uithouden dat ruim twaalf uur. Het riviertje lokt. We denken aan zwemmen, nou ja, pootje baden, maar de watertemperatuur doet ons terugschrikken. We maken koffie op een vuurtje en eten een boterham. Om half twee rijden we weer richting Noordkaap. Nu verandert het landschap snel; van de kale troosteloze steppen komen we in een prachtig bergachtig landschap, waar Citney vrij steile klimmetjes te verwerken krijgt. De trouwe vierwieler houdt zich kranig, tot onze voortdurende opluchting, en ook de versnellingen werken prima hoewel je bij het terugschakelen beter maar kunt ´dubbelklutsen´ met een dotje tussengas om al te veel gekraak van tandwielen te voorkomen. Bovendien ontdekten we meteen na de start met de nieuwe bak dat er geen neutrale stand in zit, waardoor je op het gevoel z´n ´vrij´ moet zoeken. Voordeel hiervan is dat je met een lichte tik op het handvat in het dashboard van z´n twee naar z´n drie kunt schakelen. Hij glijdt erin als het ware. Enfin, we bereiken goed geluimd het fantastische Lyngenfjord, dat met spiegelend donkerblauw water uitnodigt tot een duik. We rijden halverwege rond dit imposante fjord met in de verte de besneeuwde toppen van de Lyngense bergen die aan de Zwitserse Alpen doen denken, en parkeren op een mooie plek tussen de rotsen. Snel uitkleden en in onze blote konten springen we in het diepe kristalheldere water, dat behoorlijk koud is, veel kouder dan het onder de stralende zon toont. Vlug zwemmen we een rondje en klimmen er dan uit om ons in de weldadige zon te laten drogen. Het is een vorm van spontaan naturisme, ingegeven door dit zo pure stukje van de wereld waar de mens nog niks verpest heeft. Dan rijden we verder en om precies zes uur arriveren we in Lyngseidet, waar we de pont naar de overkant moeten nemen. De dienstregeling vertelt dat de eerstvolgende om acht uur gaat, dus zoeken we een Konditori op en gaan aan de koffie. Als we daar zo ontspannen zitten, blijkt ons dat het in Noorwegen een uur later is dan in Zweden, zodat we maar een uurtje hoeven te wachten. We rijden als een van de eersten de pont op, maar nauwelijks staan we goed geparkeerd of we komen erachter dat we een fototoestel kwijt zijn. Dat is schrikken, de fototoestellen zijn ons gereedschap, onze broodwinning, zo voelen we dit tenminste al hebben we er nog geen cent mee verdiend. In een flits herinnert Cees zich dat hij het plan had om een foto te maken op de zwemplek, maar dat dit niet door ging omdat hij zelf ging zwemmen en toen, denkt hij, heeft hij het toestel waarschijnlijk even neergelegd in plaats van het op te bergen in de auto op de plek waar het hoort. Dit is behoorlijk balen, een woord dat toen nog niet bestond maar wel redelijk onze stemming vertaalt, want we kunnen niet meer van de pont af en zijn dus genoodzaakt het vaartochtje heen en terug te maken. Twee keer een uur varen! Maar, zoals altijd schikken we ons in het lot en als ouwe zeerobben genieten we van de boottocht met de bejaarde dieselpont. Helaas, vrouwe Fortuna heeft het niet zo met ons vandaag, want bij het afrijden van de pont weet Cees een andere auto te raken, met als gevolg een geringe lakschade – aan de andere auto. De bestuurder, een oudere Noor met het uiterlijk van een visserman, wil dat wij op de politie wachten. We leggen hem uit dat we hiervoor geen tijd hebben vanwege het verloren fototoestel. Wij moeten terug naar de andere kant. Onze uitleg van dit, voor ons, dramatische verlies brengt een groeiend begrip in de man teweeg en hij besluit met ons mee terug te varen om aan de overkant de politie te verwittigen van het ongeval. Zodoende varen we gezamenlijk terug met de Lyngenferja en zijn om half elf terug in Lyngseidet. We besluiten dat ik het toestel ga zoeken en dat Cees de schade afhandelt. Voor mij betekent dit twee keer 55 kilometer rijden over rommelige onverharde wegen waarop 50 kilometer per uur al een duivelse snelheid is. Ondertussen rijdt Cees met de aangereden vriend naar het politiebureautje waar een – volgens hem – soort sheriff een verklaring optekent. Wat hiervan het gevolg is, vermeldt het dagboek niet. Het kost in ieder geval geen geld, anders hadden we dit wel genoteerd. Om half twaalf is Cees klaar met de formaliteiten en ontmoet hij Jan Kip, de uitvinder van de Kip caravans. Volgens de notitie van Cees ‘een eigenwijze heer die Kipwagentjes ter wereld brengt met namen als Krielkip en Leghen en zelf in een overmaats Kippenhok reist’.
< Jan Kip bouwde de eerste Kip caravan in 1947 voor zichzelf. Hij had een bedrijf in Hoogeveen, waar boerenkarren, aanhangwagens en dergelijke werden gebouwd. Kip werd een begrip in de kampeerwereld en wereldberoemd in Nederland. In 1959, toen Cees de heer Kip tegenkwam, bestond het bedrijf 25 jaar en waren er 25 speciale jubileumcaravans gebouwd met de naam Kip Rivastella. Waarschijnlijk reisde Jan Kip met zo´n exemplaar, dat door Cees met enige walging werd omschreven als een overmaats Kippenhok.>
Het boterde kennelijk niet tussen beiden, want Cees schrijft in het dagboek dat de heer Kip er vreemde ideeën op na houdt. Nadat Jan Kip zich in zijn caravan heeft teruggetrokken ontmoet Cees een Noorse soldaat. Samen weten ze de meisjes van een reeds lang gesloten Konditori te bewegen voor hen koffie te zetten. Als ik rond twaalf uur terug kom vindt ik hen gezellig koutend in het nachtzonnetje zitten. Mijn exercitie is geslaagd, want de camera lag inderdaad op een rots bij de plek waar wij te water gingen. We vieren het heuglijke feit van de terugkeer van de verloren camera met de meisjes van de Konditori die prima koffie hebben gemaakt en als extraatje een maaltje garnalen hebben gebakken. Wat een feest, het leven is weer op orde en om half een parkeren we de auto op nog geen 20 meter van de aanlegsteiger en kruipen voldaan in de zakken.
Dinsdag 21 juli.
Om tien voor zeven schrikken we wakker omdat de pontbaas heftig op de ramen staat te bonken. Hij gebaart dat we nu moeten komen omdat hij anders zonder ons vertrekt. We zijn inmiddels getraind in het razendsnel rijklaar maken van de slaapwagen en om vijf voor zeven staan we keurig op de pont, een beetje suffig met de slaap nog in de ogen. Achter ons rijdt de heer Kip zijn Kipkarretje de pont op en het valt ons op dat hij er niet uitziet als de frisse uitgeslapen ideeënman die hij gisteren beweerde te zijn. We nestelen ons in de ´koffiekamer´, waar we na drie koppen koffie en een smörgås aardig opkikkeren en als de pont om acht uur aanlegt rijden we opgewekt richting Hammerfest. Zo vroeg zijn we zelden op weg gegaan. De route volgt de fjordenkust zodat we grote bochten maken, maar omdat de weg vrij goed berijdbaar is schieten we toch lekker op. Onderweg stoppen we op de mooie plekjes voor een foto en ontmoeten in een klein gehucht een visserman die ons uitlegt hoe je stokvis maakt van kabeljauw, hij hangt de schoongemaakte karkassen van de vissen als wasgoed aan een drooglijn. Citney doet ondertussen goed z´n best, hij neemt vrijwel alle hellingen in z´n drie, zelfs als we op een gegeven ogenblik ruim tweeduizend meter hoog zitten. De uitzichten zijn meesterlijk, schrijven we met uitroepteken in ons dagboek. In de dalen hebben we tamelijk droef weer met miezerige regen en zware wolkendekens, maar zodra we door die dekens heen breken als door een vette mist, worden we door de zon begroet en hebben we uitzicht over een wolkenlandschap dat eruit ziet als een donsdeken waardoorheen de bergen pieken met hun besneeuwde toppen. Het is een nieuwe beleving; we hebben het warm terwijl om ons heen de sneeuw er koud bij ligt. Helaas blijven we niet boven de wolken. We dalen er weer doorheen naar de gewone wereld waar de fjordenkust er nu tamelijk vijandig uitziet en niet uitnodigt tot een zwempartij. Zo komen we langs het dorpje (stadje?) Alta dat bekend is geworden door W.F.Hermans in het fascinerende muggenboek ´Nooit meer slapen´. Er is niets te beleven in Alta, we zien zelfs geen konditori dus rijden we door rond het Altafjord. Gelukkig brengt de zon langzamerhand meer warmte en de wolken smelten weg zodat we in stralend mooi weer op weg zijn naar het noordelijkste punt van Europa. Bij Leirbotn verlaten we de kust en de rest van de middag rijdt Cees over stoffige zandwegen door de kale onbewoonde steppe, terwijl ik slaap. Uiteindelijk bereiken we de kust weer bij Skaïdi, een gehucht waar drie vissers wonen en langs de fjord gaan we richting Kvalsund en Hammerfest. De weg is erg bochtig met veel blinde hoeken en om één van die hoeken komt ineens een Franse tegenligger slordig slippend op ons af gieren. Hij rijdt veel te hard in z´n nieuwe Renault en laat mij twee keuzes; of ik raak hem of ik raak de rotsen aan mijn rechterkant. Ik kies voor de laatste optie en hoor een paar heftige klappen. Cees die was ingedommeld is meteen klaarwakker en als ik de auto vloekend heb stilgezet is hij het eerst buiten. De Fransoos is gewoon doorgescheurd, parbleu! De schade valt gelukkig mee, wonderlijk genoeg blijkt alleen de rechter spatlap te zijn weggerukt en kunnen we het enigszins verbogen spatbord gemakkelijk in model terugduwen. Opgelucht vervolgen we de reis en omstreeks vier uur bereiken we het pontveer bij Kvalsund, waarna we na een kort vaartochtje het laatste stukje afleggen naar Hammerfest, naar men zegt de meest Noordelijke stad ter wereld, waar we om vijf uur binnenrijden. We zoeken de ´tentenplaats´ en parkeren Citney op een goed bereikbaar plekje, waarna we deze Noordelijke Stad in trekken. Nou, Hammerfest heb je snel gezien. Het meest opvallende vinden we de zomerse sfeer in dit peuterige stadje met verspreid staande kleurige houten huisjes op de rotsen. Op een centraal gelegen plein spuit een fontein met Italiaanse bravoure en kleine meisjes spelen in het water. Dit verwacht je eigenlijk niet. Verder is er niets te beleven. We slenteren langs de vissershaven en beklimmen een héél hoge berg, waar bovenop een Business-Lap blijkt te huizen, die ons twee kronen vraagt om op zijn terrein te mogen teneinde van het uitzicht te genieten. Als Cees zijn camera in de aanslag legt, vraagt de Lap nog een kroon. Elke foto kost een kroon. Cees weet echter handig een paar clandestiene kiekjes te nemen, onder andere van een hier rondgrazend rendier dat kennelijk bij de Lap thuis hoort. Terug op de kampeerplaats maken we een vuurtje om koffie te koken op de Zweedse manier. Om 10 uur liggen we al in de zakken.
Woensdag 22 juli.
Een drukke dag voor de boeg, want we willen informatie verzamelen voor een goed verhaal over deze streken. Om elf uur, later dan de bedoeling was, komen we uit de zakken en na ons te hebben gewassen – er is zelfs warm water! – eten we een boterham en gaan op weg naar de bibliotheek. Deze blijkt ´s zomers gesloten. Als alternatief kiezen we de “tourist information” waar een bijzonder aardig meisje alle tijd voor ons heeft. Zij vertelt alles wat we willen weten, bijvoorbeeld dat we met de boot van de Hurtigruten lijn rond de Noordkaap kunnen varen naar Kirkenes maar dat de boot niet stopt bij de kaap. En dat in Hammerfest bijna 5500 mensen wonen. En dat het een ijsvrije haven is dankzij de warme golfstroom.
< Hammerfest was oorspronkelijk een nederzetting van het Saami volk. In de 17e eeuw werd er al een kerk gebouwd en in 1789 kreeg Hammerfest stadsrechten om de handel in het noorden te bevorderen. In deze tijden was Hammerfest vooral een plek waar jagers en vissers woonden – het stadswapen toont een ijsbeer op rood veld – en er was handel in zeehondenbont en zelfs ijsberenbont. Expedities naar jachtgebieden rond Spitsbergen vertrokken van hier. Midden 19e eeuw nam Tromsö de handel over en werd Hammerfest voornamelijk vissershaven, met export naar Rusland. In 1891 brandde het stadje volledig uit en tijdens de herbouw had Hammerfest de eer om de eerste Europese stad te zijn met elektrisch licht. In 1945 werd de stad opnieuw met de grond gelijk gemaakt, nu door de Duitsers. Na de tweede wereldoorlog bloeide Hammerfest door de vestiging van de grote Findus Visfabriek, die echter rond het millennium gesloten werd.>
Het aardige meisje raadt ons aan om vooral de visfabriek te bezichtigen, waarvan zij beweert dat het de grootste van Europa is. Zo komt het dat we een half uur later een ander meisje ontmoeten, dat alles weet van vis en visverwerking, maar geenszins doet denken aan een viswijfje. Zij ontvangt ons allervriendelijkst, vooral nadat Cees met zijn perskaart heeft gezwaaid (ik was de mijne vergeten). Er komt in deze bijna onbereikbare uithoek weinig pers uit Nederland, krijgen we de indruk. Hoe dan ook, het meisje gaat praten met haar directeur en komt terug met de – ook voor haar – prettige boodschap dat zij ons alles mag laten zien, van de fabriek dus, en dat Cees zelfs foto´s mag maken, mits hij ze alvorens ze te publiceren éérst ter goedkeuring voorlegt aan de Findus directie. Onder haar leiding dolen we twee uur door de fabriek, waar het – hoe kan ´t ook anders – naar vis stinkt. Het werkvolk bestaat voornamelijk uit vrouwen in rubberen schorten, met blauwwit gestreepte hemden en een wit mutsje op het hoofd. Plus natuurlijk waterdichte laarzen, want het is een waterige boel hier in de fabriek. De kabeljauwen komen links binnen en worden aan de lopende band gefileerd tot visfilets die rechts in de diepvries verdwijnen. We snappen heel goed dat Findus hier op deze rotspunt een fabriek heeft neergezet, want de kabeljauw leeft als ´t ware voor de deur in het diepe koude water dan de fjorden. De Lofoten vormen een van de grootste vanggebieden en volgens onze charmante gids wordt er meer dan honderdduizend ton per jaar verwerkt, niet alleen kabeljauw, maar ook schelvis, wijting en andere vissen die in de Noordelijke zeeën wonen. Zoals makreel. Maar die vis wordt niet door Findus in de diepvries gelegd begrijpen wij. Enfin, het is vis voor en vis na en we zijn blij dat we eindelijk in de kantine terechtkomen waar we ons – voor onbegrijpelijk weinig geld, schrijft Cees – tegoed doen aan koffie en koek. Hartelijk nemen we afscheid van het vismeisje en maken maar weer een rondje door Hammerfest en komen terug bij het meisje van de Informatie om nog wat feiten te vernemen over deze Noordelijkste stad van Europa, waarover we toch eigenlijk wel een mooi verhaal willen maken. Maar veel meer dan de visfabriek heeft zij niet te bieden. Hammerfest valt tegen, klinkt avontuurlijker dan het is. Om vijf uur zijn we helemaal klaar, moe en onvoldaan trekken we ons terug in het ´kafetaria´ van deze stad. Hier worden we aangesproken door een baardig manspersoon (woorden van Cees) die evenals Cees uit den Haag blijkt te komen. Dat wordt dus Haagse bluf, compleet met accent. Zij wisselen informatie uit over straten en pleinen, over café´s en andere banaliteiten, wat de man ertoe brengt ons te vertellen dat hij hier in de Jeugdherberg woont en dat dit absoluut een aanrader is en dat wij, als we daar zin in hebben, er ook kunnen komen wonen. Nu zijn ´jeugdherbergen´ in deze streken niet wat wij in Holland daar onder verstaan, met een vader en een moeder en corvee en vroeg naar bed, kortom met van die kinderachtige regels om niet te spreken van een jeugdonderdrukkend regiem, nee, hier zijn de jeugdherbergen meer een toevluchtsoord voor doelloze reizigers die toevalligheid als reisdoel hebben. Jeugd speelt geen rol. Herberg des te meer. De Hagenees neemt ons mee en gedrieënlijk stappen we even later de herberg binnen, waar we tot onze verrassing worden begroet door een oude bekende die we in Stockholm ook al tegen kwamen. Hij is een wat oudere man met een kale kop en slordige baard die ons al verklapt heeft dat een normaal leven niks voor hem is omdat hij niet tegen dwang kan. Hij is dus wereldreiziger en filosoof geworden, hij volgt zijn gevoel en schrijft ondertussen een boek dat gebaseerd is op de theorie van de levensboom. Om zijn vreugde over onze hernieuwde kennismaking tot uitdrukking te brengen, gaat hij terstond vis voor ons bakken. Als tegenprestatie offreren wij een paar aardappels uit de grote voorraad die we hebben geleend van het Standard Hotell en een uurtje later zitten we aan een vorstelijke dis die ook andere bewoners aantrekt. Een stevig meisje van zestien jaar, geheel alleen uit Duitsland komen fietsen, kijkt zo hongerig dat we nog een paar extra aardappels koken. We zitten in een ruwhouten huiskamer met banken en tafels die vettig glimmen en ouder zijn dan de meeste bewoners hier, met aansluitend de grote keuken met stenen spoelbakken en een rijtje gas komfoors die waarschijnlijk door goedwillende donateurs zijn geschonken. Hier en daar brandt een kaars en de overige verlichting bestaat uit een paar simpele lampen die van het plafond hangen. Kortom, minimale luxe, maximale gezelligheid. De oude filosoof heeft het hoogste woord, blij dat hij weer een paar slachtoffers heeft aan wie hij zijn verwarrende theorieën kwijt kan, waarbij zijn geschriften met tekeningen van de levensboom op tafel komen als de alles verklarende toelichting op de geheimen van het universum in de relatie tot geboorte en dood. Het is een boeiend relaas waarvan wij niets begrijpen en we zijn blij als een Fransman het gesprek op de visvangst weet te brengen. Cees vertrekt met deze Franse vriend om, zoals hij zegt, de mooiste visplekken te bekijken waar zij dan morgen een lijntje gaan uitgooien. Ik ga mij eens goed wassen. Er is hier namelijk een soort badkamer waarin zich een grote ouderwetse plaatijzeren badkuip bevindt, bijna een klein zwembadje. De leidingen maken een hels lawaai, maar er komt wel warm water uit. Als ik geheel opgefrist weer in de gemeenschapsruimte verschijn, komt Cees net binnen met zijn Franse visvriend, beiden zeiknat, want getroffen door een onverwachte en hevige regenbui terwijl ze net een berg aan het beklimmen waren. Tot een uur of vier blijven we met z´n drieën nog wat over het leven praten en daarna kruipen we heerlijk in een echt bed, een luxe die we heel lang ontbeerd hebben.
Zondag 26 juli.
Tijdens ons prettig samenzijn met de familie van de politieman werd het Zondag en omdat de zondagsrust ons goed heeft gedaan zijn we van plan om vandaag nog een ‘bra’ stuk te rijden. Nu de kilometerteller kapot is kunnen we niet meer om de 100 kilometer wisselen, dus vanaf heden wordt het twee uur sturen, twee uur rusten. Op deze wegen klopt dit wel ongeveer, je mag blij zijn als je vijftig kilometer in een uur maakt. Zo rijden we langs de ons al bekende weg terug naar het Lyngen fjord, terwijl Citney ronkend, rokend en enigszins ratelend zijn best doet om ons tevreden te stellen. Hij blijft een ‘Bra Bil’ , die ouwe Cit. We vertrouwen erop dat we in de ochtend de eerste pont zullen halen, omdat er geen verkeer op de weg is, schapen en koeien niet meegerekend, en omdat we de gaten in het wegdek nog steeds kunnen tellen, volgens Cees althans, ik raak de tel steeds kwijt. Helaas, Citney is een drankorgel. Als ik gestopt ben omdat ik een vislijn wil versieren bij een kotje waarin duidelijk een visser huist en ik Cees tegen zijn zin heb wakker gemaakt omdat het zijn beurt is om te sturen, wil Citney niet meer starten. Huilerig rochelend draait de startmotor een rondje, de motor hikt een paar keer, lijkt zich in de laatste druppel te verslikken en valt stil. Getverdefifaren! De tank is leeg, toch nog onverwacht, volgens onze berekening had Citney het nog minstens 20 kilometer moeten volhouden. Dat heb je als de meters niet meer werken. Maar, erger is nog dat ook de jerrycans leeg zijn. Er zit niks anders op dan Citney terug te duwen naar het gehucht dat we een paar minuten geleden zijn gepasseerd, in de hoop daar benzine te kunnen regelen. Na een half uurtje zwoegen staan we voor een vooroorlogse benzinepomp en na lang kloppen op de deuren en de ramen verschijnt een slaperig oud vrouwtje dat gelukkig bereid is, zo uit haar bed, onze tank te vullen, hoewel ze een nachttoeslag vraagt van één extra kroon (50 cent). Dat valt dus mee. Opgelucht rijden we verder in een moordend tempo (woorden van Cees in het dagboek), omdat we vrezen na dit oponthoud de eerste pont te zullen gaan missen. Het geluk is met ons, we komen precies tegelijk met de pont aan bij de steiger en kunnen bijna zo doorrijden het dek op, zodat we even later in de longroom zitten met een kop koffie en een smörgås. Aan de overkant gekomen rijdt Cees verder onder een loodgrijze hemel waaruit een –volgens hem plezierige – slagregen neerdaalt. Omdat ik nu slaap, moet het vervolg van dit verhaal gebaseerd worden op de aantekeningen van Cees in het dagboek. Hij schrijft dat deze zondag 26 juli een zwarte bladzijde wordt en vermoedelijk de slotpagina van Citney’s levensgeschiedenis… Even nadat we aan het eind zijn gekomen van de Lyngenfjord gebeurt het, hoewel hij niet weet wàt er precies is gebeurd. Volgens hem lag er waarschijnlijk iets glads op de weg of er brak plotseling iets in de aandrijving van de auto, of Citney had er op dat moment gewoon geen zin meer in… hoe dan ook, volgens Cees was het stuur ineens niet meer te houden en reden we pardoes rechtsaf van de weg af, de berm in en daarna naar beneden. Ik denk dat hij gewoon in slaap is gevallen, maar dit ontkent hij ten stelligste. Iets met het stuur dus. Gelukkig, schrijft hij in het dagboek, is de weg hier niet zo hoog gelegen als tien kilometer terug, waar we bij deze manoeuvre ongeveer vijftig meter omlaag zouden zijn gedonderd in het fjord. Nu vallen we ‘slechts’ zes meter, hetgeen overigens toch nog een gevoelige klap oplevert, zeker in mijn geval, daar ik wakker word doordat mijn kop keihard tegen het dak knalt. Ik wrijf mijn ogen uit en zie voornamelijk groen struikgewas om mij heen. Cees zit wat onthutst – zeker ook net wakker – door de voorruit te turen, alsof hij verwacht dat de weg zich zo dadelijk weer voor zijn ogen zal ontplooien. Maar, geluk bij een ongeluk, wij mankeren beiden niets, uitgezonderd dan die bult op mij kop. Het schijnt dat mijn eerste woorden, nadat ik op deze ruwe wijze gewekt werd, wat knorrig werden uitgesproken: “Hè, ik sliep net!” Nadat Cees mij verteld heeft dat ik blij mag zijn dat ik nog leef, word ik pas echt wakker en samen klimmen we uit het vehikel om de schade op te nemen. De weg torent hoog boven ons uit en lijkt onbereikbaar. Ouwe Citney is er niet best afgekomen; zijn voorpoten zijn gebroken, de voorbumper is verdwenen, evenals de mooie uitlaat die we zo goed hadden hersteld, de grill is vervormd tot een expressionistisch beeldhouwwerk van rode en witte staafjes ijzer (wij hadden namelijk de grill onderweg rood-wit geschilderd) en de fraai gevormde neus van Citney heeft zich een halve meter in de natte aarde geboord. Inmiddels zijn er twee automobilisten gestopt die boven aan de weg raadgevingen roepen. Wij roepen terug dat we een kraanwagen nodig hebben om onze auto weer op de weg te krijgen en een van de hulpvaardige automobilisten belooft dit te gaan regelen. Na een uurtje of langer, komt er geen kraanwagen maar wel een flinke vrachtwagen met een stalen sleepkabel. We binden Citney aan de kabel en na een paar uur ploeteren in de stromende regen, waarbij we tot onze kuiten in de modder staan, lukt het om onder luid gekraak van takken en verwijderd struikgewas de arme Citroën weer op de zandweg te krijgen. Na betaling van veertig kronen bedanken we de truckchauffeur en zien nu pas dat het gehele frame van de auto gebroken is. Citney ligt als een doorgezakte pudding met zijn coque op de zandweg.
De belangstellenden zijn verdwenen en daar staan wij dan, met onze gebroken auto (en beetje gebroken hart) heel erg noordelijk, in het noorden van noord Noorwegen, in de regen die met bakken valt. Cees kruipt achter het stuur, het is tenslotte zijn beurt, en start de motor die wonder boven wonder gehoorzaamt. Een blik onder de motorkap toont ons het binnenste van de draaiende motor, door een gat in het carter zien we de zuigerstangen op en neer bewegen. Het lukt Cees om de versnelling in z’n één te wringen en langzaam komt Citney in beweging. Vanonder het dashboard walmt een dikke blauwe rook de cabine binnen, zodat hij alle ramen moet open zetten om niet te stikken. Ik waag het niet om naast hem te gaan zitten en blijf voor de auto uit wandelen. Met een slakkengangetje van niet meer dan enkele kilometers per uur sleept Citney zich walmend en kreunend voort over de onverharde weg, hierbij een diepe voor trekkend, waarop een boer jaloers zou zijn geworden. Volgens onze informatie ligt er een jeugdherberg ongeveer vier kilometer verderop. We hopen en bidden dat wij dit zullen halen voordat de auto explodeert. En ja, we halen het. Maar er is geen plaats, de herberg is vol, waar kennen we dit toch van? Jezus – oh ja! – wat nu? Negen kilometer verderop is nog een herberg, vertelt men ons, waarom gaan we daar niet heen, daar is vast nog wel plaats. Sja, waarom gaan we daar niet heen… Négen kilometer ploegen. Cees kruipt weer achter het stuur en ik kijk of de zuigerstangen nog bewegen en pak ons laatste blik smeerolie om de inhoud door het gat naar binnen te gieten, wat de rookontwikkeling zeker ten goed komt. Een bijkomend probleempje is, dat de benzineleiding bij de val gebroken is. Wij hebben dit euvel vanzelfsprekend gerepareerd, met een stuk slang, maar omdat Citney nu de weg omploegt raakt dit slangetje steeds los. We moeten om de tien minuten in de modder onder de auto kruipen om het slangetje weer te bevestigen. En dan, als toppunt van alle tegenslag, met nog zes kilometer te gaan (twee uur rijden) verschijnt er een grote vrachtwagen om de bocht die dreigt Citney frontaal aan te vallen. Toegegeven, we rijden vanwege dat ploegen, midden op de weg, dus Cees moet een enorme ruk aan het stuur geven om de botsing te voorkomen. Dit lukt inderdaad, maar daarna krijgt hij, ondanks veel geruk en getrek het stuur niet meer terug gedraaid en onder het uitroepen van de kreet ’zie je wel, zie je wel, nou gebeurt het wéér!’ verdwijnt hij met Citney kalmpjes over de rand. Gelukkig zie ik dat het deze keer maar een paar meter omlaag is. De grote vrachtwagen is uiteraard gestopt en samen met de geschrokken chauffeur kijk ik omlaag en vraag of daar beneden alles in orde is. Het ziet er komisch uit, Citney op zijn rechterzijde, met nog langzaam draaiende linkerwielen, in een kleine modderpoel terwijl Cees als een verwarde aap omhoog klimt uit het portier. Nadat hij wat verwilderd tussen het struikgewas staat bevestigt hij, rondom zijn ledematen bevoelend, dat er niets gebroken is. Althans niet van hem. De chauffeur, die zich een beetje schuldig voelt, biedt aan om onze Citney weer op de weg te trekken, deze keer kosteloos uiteraard. Voor zo’n grote vrachtwagen is dit niet zo’n toer, maar het kost ons toch weer een uurtje ploeteren in de regen, zodat we uiteindelijk eenzaam en doornat naast de trouwe Citroën op de weg staan, rillend van de kou en waarschijnlijk ook van ellende. Maar, we moeten verder. Dus Cees start de motor, die nog altijd bereidwillig gehoorzaamt, en we kruipen weer zuidwaarts terwijl dikke rookwolken het zicht van de bestuurder belemmeren en mij tranen in de ogen geven. De laatste olie is inmiddels uit het carter verdwenen en een naargeestig gerammel en geschraap wijst ons erop dat nu heel langzaam de metalen motoronderdelen, zoals de zuigerveren, wegslijten. Er is echter toch niets meer te repareren aan onze auto, dus rijden we gewoon verder zolang het kan, waarbij we die goeie ouwe Citney voortdurend aanmoedigende klopjes op het stuur en de flanken geven om hem te laten weten dat wij deze krachttoer in zijn stervensuur zeer op prijs stellen. Zo bereiken we eindelijk de herberg waar gelukkig plaats voor ons is. Cees parkeert Citney netjes op het erf waarna we droge kleren aantrekken en koffie zetten om een beetje bij te komen. Er zijn weinig gasten. Alleen een lieve Finse familie en een paar Engelse trekkers. De eigenaar van de herberg, een plaatselijke boer die zijn schuren beschikbaar heeft gesteld, is een geschikte Noorse peer en leeft helemaal met ons mee als we het verhaal van de gebroken auto vertellen. Hij zegt dat we net zo lang mogen blijven als we willen, of totdat onze auto gerepareerd is. Dat kan dus wel eens lang zijn… Enfin, we koken aardappelen en groenten in de keukenhoek en na het eten duiken we om tien uur op de strozakken in de kooien, want we hebben 34 uur niet geslapen. Nog in de beweging vallen we al in slaap.
Maandag 3 augustus.
Om half zes word ik wakker omdat Cees aan me zit te sjorren. O ja, we gaan liften. Zuchtend en steunend klimmen we uit het hooi en wassen ons bij de regenton met regenwater, waarna we de laatste homp brood samen delen. Vol goede moed lopen we in drie kwartier naar de wegsplitsing waar we om kwart voor zeven wachten op de dingen die komen gaan. Maar er komt niets. En de enkele auto die voorbijkomt rijdt de verkeerde kant op. Gelukkig groeien er in de bosjes heerlijke bosbessen, zodat we ons karige ontbijt met deze gezonde vruchten kunnen aanvullen. Na zo een uurtje bezig te zijn geweest, komen eindelijk de auto’s uit de goede richting en tegen negenen stopt er zowaar een. Er zit een Noor in die ons beiden doordringend en niet al te vriendelijk aankijkt en op barse, om niet te zeggen snauwerige, toon vraagt waar we vandaan komen en welke nationaliteit we hebben. Een bang momentje denken we dat hij van de politie is en dat liften hier verboden is. Maar als we vriendelijk vertellen dat we Hollanders zijn – en géén Duitsers – en dat we door een ongeluk onze auto zijn verloren, draait hij bij en opent het portier met de bekende Noorse gastvrijheid. Even later zitten we als vorsten in zijn Hudson ’38, een Amerikaanse slee van vooroorlogse kwaliteit. Onze chauffeur blijkt bijna accentloos Amerikaans te spreken en zijn eerst zo boze toon verandert in een joviale bejegening. Hij mag de Hollanders wel, zegt hij en offreert ons zelfs een paar smörgåsen. Natuurlijk hebben we het over de oorlog en de bevrijding en hij blijkt oorlogsvlieger te zijn geweest en heeft jaren lang gevlogen in Canada. En met al die vliegverhalen vliegt de tijd ook snel en we zouden fantastisch zijn opgeschoten als er niet telkens een pontveer tussendoor kwam, dat behalve oponthoud ook kosten met zich meebrengt. De prijzen variëren van 1 kroon tot zelfs 2,40 kronen per persoon per overtocht. Voordeel is daarentegen dat we ons elke keer tegoed kunnen doen aan koffie met wat erbij. ’s Middags om een uur of drie bereiken we Fauske, een dorp (in 1998 stad geworden!) aan de noordelijke oever van de grote Skjerstadfjorden, waar onze lift eindigt. We kopen een brood, waarvan we meteen een flink stuk opeten en zoeken een plek om verder te liften. Na ongeveer anderhalf uur stopt er een bestelwagentje dat ons 40 kilometer meeneemt tot het dorp Rognan in Saltdal aan het Saltenfjord. De omgeving is hier prachtig, met glooiende oevers naar het spiegelend water, maar wij weten inmiddels hoe fris dit water is, hier zo ongeveer op de poolcirkel, dus we gaan niet zwemmen. Bovendien willen we verder, want Rognan is een gat waar niets te beleven is, een verzameling houten huisjes en wat kleine vissersbootjes en natuurlijk de onvermijdelijke waslijnen waaraan de stokvis te drogen hangt. Maar wat liften betreft laat het geluk ons in de steek, we staan van vier uur tot bij negenen geduldig langs de weg en steken nu en dan de duim omhoog bij het passeren van een zeldzame auto, maar niemand neemt ons mee. We gaan op zoek naar een slaapplaats en kloppen aan bij een boerderij om te vragen of we in het hooi mogen slapen. Natuurlijk mag dat. Maar of we niet iets willen eten of drinken? Typisch Noorse vriendelijkheid, we zitten voor we het weten weer in zo’n prettige boerenkeuken en krijgen koffie met koek, terwijl we de bekende oorlogservaringen uitwisselen en uiteraard vertellen over het ellendige lot van Citney die een onwaardig einde vond als kippenhok. We raken zo positief gestemd en goedgehumeurd dat we het om tien uur nog een uurtje gaan proberen langs de weg, helaas zonder succes. Dus kruipen we om elf uur maar in het hooi in de hoop en verwachting dat het reizen morgen voorspoediger zal gaan.
Maandag 10 augustus
Om zeven uur worden we wakker, omdat iemand tegen onze nog slapende lichamen staat te schoppen. Het blijkt Opa te zijn. Met zich voert hij een grote boodschappentas die net als hijzelf betere tijden heeft gekend. Als we rechtop in de slaapzakken zitten, begint de oude breed grijnzend, als een goochelaar die overtuigd is van zijn trucs, de tas uit te pakken. Een rol beschuit, een blikje knakworsten en een fles water. We nemen dit ontbijt met grote dankbaarheid in ontvangst, vooral ook omdat we nog slechts een half oud brood bezitten, en we putten ons uit in Zweedse dankwoorden die ook in Denemarken werken, tack så mycket, hjärtligt tack en nogmaals tack tack tack. De oude glundert en komt gezellig bij ons op de grond zitten terwijl wij het heerlijke ontbijt nuttigen. Nou, voor de gezelligheid wil hij wel één worstje mee-eten. Als we voldaan de slaapzakken oprollen en de bagage weer op onze nekken hijsen, nemen we uitvoerig afscheid van onze oude weldoener en aanvaarden de weg naar dé weg waar we hopelijk weg komen met een vroege lift. Het is net acht uur geweest en we rekenen op zakelijk transport dat de door ons gewenste kant uit gaat. Dit is een misrekening. We staan anderhalf uur met onze duimen in de lucht te zwaaien voordat er eindelijk een auto stopt. Geen zakelijke rijder, maar een oud ventje in een lawaaiige Volkswagen, wat moeizame pogingen tot conversatie overbodig maakt. Hij kan ons 25 kilometer verder brengen naar Horstens. Hier ligt zijn doel kennelijk dicht bij de stadsgrens want als we de eerste huizen bereiken moeten we er al uit. Horstens blijkt een flinke stad, we moeten meer dan een half uur sjouwen om weer een beetje aan de buitenkant te komen, waar we verder zuidwaarts kunnen liften. Onderweg zien we een grote fabriek waar badkamerproducten worden vervaardigd die volgens de reclameborden door de grote Arne Jacobsen schijnen te zijn ontworpen. De plaatjes interesseren ons wel, want wij hebben al heel lang geen badkamer meer gezien. Aan de uitvalsweg gekomen beginnen we weer te duimen en zowaar hebben we al om elf uur weer een lift te pakken, een vrachtrijder deze keer die naar Fredericia moet en ons tot Vejle mee wil nemen. Tot onze verwondering kennen we deze wagen. Cees had hem vanmorgen vroeg gelift in Arhus, zonder resultaat, waarschijnlijk omdat Cees er inmiddels met zijn ongeschoren baardgezicht en zijn sing-sing hemd niet aantrekkelijk uitziet. Deze keer stond ik voorop aan de weg… De vrachtauto brengt ons dus naar Vejle, waar we natuurlijk weer een half uur door het stadje moeten lopen om een geschikte liftplek te vinden. Liften is veel wachten en ook veel lopen! Nadat we een uurtje op deze plek hebben doorgebracht, concluderen we dat het toch niet zo´n geschikte plek is, dus pakken we de bagage weer op en ´wandelen´ nog een half uurtje verder totdat we een echt fijne plaats vinden. Op deze fijne plaats brengen we drie uur door, maar dan stopt er een mooie auto voor ons, een nieuwe Vauxhall bestuurd door een oude heer die ons met plezier meeneemt naar Kolding en daar zelfs bereid is om ons af te zetten op een goeie plek aan de zuidkant van de stad. Zodoende hebben we eigenlijk meteen weer een lift van een Volkswagen busje. We moeten met onze bagage voorin zitten, naast de chauffeur, wat onhandig is gezien de rendiergeweien die gevaarlijk dicht bij oren, neus en mond bewegen. Gelukkig is het een kort ritje van 27 kilometer tot Haderslev, waar we om half vijf arriveren. De vriendelijke chauffeur meldt ons dat hij omstreeks half zes weer langs komt op weg naar Abenrå – wéér 25 kilometer verder – en ons dan wel verder wil meenemen, als we er nog staan. Het vooruitzicht lokt ons niet en we besluiten om naar de E3 te lopen in de hoop daar een goeie lift te krijgen, in één keer naar de grens en liefst er een flink stuk overheen. Het is driekwartier lopen. En een lift krijgen we niet. Nu hopen we maar dat de chauffeur van het Volkswagenbusje de snelweg neemt naar het zuiden, zodat hij ons kan oppikken rond half zes, maar als hij om half zeven nog niet langs is gekomen weten we dat hij de provinciale binnenweg naar Äbenrå heeft genomen. De zon schijnt, mooi weer, maar wel warm. Wie E3 zegt moet ook E3 blijven zeggen, dus we houden vast aan ons plan om via deze snelweg Denemarken spoedig te verlaten. En inderdaad, ons vervoer komt er aan. Geen busje deze keer, maar een volwassen bus, een Deense touringcar. Uit gewoonte lift ik deze bus, zonder overigens enige verwachting, want bussen nemen meestal geen lifters mee. Maar wonder boven wonder, de bus stopt verderop bij een parkeerinham. Cees staat er nu dichtbij en zwaait naar mij in verwarring. (We staan altijd ca. 200 meter uit elkaar, dat werkt beter). Ik ren er heen, bang dat de chauffeur weer zal optrekken als hij Cees ziet, en meldt me bij het geopende voorportier. Ja, de chauffeur nodigt mij uit om in te stappen en achter mij aan mag Cees ook mee. Nog enigszins beduusd zijn wij ineens passagiers geworden van een luxe touringcar. Ik neem onmiddellijk het bijrijdersstoeltje in beslag – tenslotte heb ik de bus gelift – en Cees gaat breeduit op twee stoelen achter de chauffeur zitten. De man blijkt weinig Engels te spreken en vertelt in voornamelijk Deens dat hij naar Hamburg gaat en dat wij wat hem betreft zover mee kunnen rijden. We kunnen onze oren haast niet geloven. Hamburg?? Ja Hamburg bevestigt de chauffeur en omdat Hamburg in het Deens heel duidelijk klinkt als Hamburg nemen we aan dat dit de bestemming is en dat we in de juiste bus zitten. Dit is pas luxe liften! Onderweg stopt de chauffeur, die er kennelijk plezier in heeft, nog verschillende keren voor verbaasde lifters en liftsters, die dan aan mij vragen of ze werkelijke mee mogen met deze mooie bus en of dat echt niks kost. Ik fungeer als Engels sprekende reisleider en weldoener en nodig hen van harte uit voor een comfortabele rit naar Hamburg. Struikelend komen ze binnen; Engelsen, Fransen, Zweden, Duitsers en een enkele Australiër. Als we de Duitse grens bereiken zitten er ongeveer 15 passagiers in de bus, allemaal verschillende nationaliteiten, allemaal verschillend alternatief gekleed en in leeftijden variërend van 16 tot 60 jaar. De samenstelling van het reisgezelschap geeft nogal wat oponthoud, omdat de brave geüniformeerde ambtenaren niet kunnen begrijpen hoe dit gezelschap in de bus is terecht gekomen. Onze chauffeur blijft echter koel en ik overhandig de douane ambtenaren handenvol paspoorten die onze passagiers mij gedienstig komen brengen. Omdat de paspoorten kloppen en niemand kan bewijzen dat wij een bij elkaar geraapt zootje lifters zijn, mogen we uiteindelijk verder en om half acht rijden we Flensburg uit op weg naar Hamburg (176 km). Het begint langzamerhand donker te worden en omdat de meeste inzittenden nogal moe zijn, verflauwt het enthousiasme en het geklets en vallen de meeste trekkers, die immers zelden zo prinsheerlijk gelift hebben, in een diepe slaap. Rust in de bus. Half elf bereiken we de eindbestemming, Hamburg Hauptbahnhof, waar de chauffeur zijn echte vracht moet oppikken. Bij de informatiebalie leren we dat er om 03:50 een trein naar Nederland vertrekt. We kopen kaartjes voor 72 Dmark en houden dan nog 7 Dmark over als ons totale kasbezit. Omdat we nog een paar uurtjes de tijd hebben, wandelen we Hamburg in. Bij een duister gebouw met een brede stoep en donkere portieken nemen we de tijd om onze laatste proviand te nuttigen, een droge korst brood, een beetje margarine en… een blikje schelvislever dat we de hele reis zuinig bewaard hebben. Na deze lekkernij wandelen we naar een café en drinken daar een biertje voor 60 pfennig de man, waarna we verder gaan om nog wat van de stad te zien. Onze voeten beginnen dan echter te protesteren, zodat we terugkeren naar het station en blij zijn als we in de wachtkamer zitten. Onderweg hebben we een half pakje sigaretten gekocht omdat ook de laatste sigaren op zijn (die hebben we bij gebrek aan andere rookwaar de hele dag tot misselijk wordens toe gerookt). In de wachtkamer brengen we de tijd door met wachten, wat gebruikelijk is in dit soort kamers. We bestellen een kop koffie en later ook nog een glas melk, omdat we in ons moederlandje de man slechts één kwartje nodig hebben om met de tram naar huis te komen. Zo zitten we te wachten op het einde van onze reis terwijl het Dinsdag 11 augustus is geworden en we vandaag onze moeders weer zullen zien.

