Chinezen mogen weer functioneel kezen.

Begin jaren negentig maakte ik een rondreis door China. Nooit zoveel fietsers gezien. En heel weinig kleine kinderen, want de geboortebeperking tot één kind per gezin werd strikt en met harde hand – begreep ik uit mij toegefluisterde opmerkingen – gehandhaafd. Waarom gefluisterd? Omdat de herinnering aan het drama op het Tianmen plein van juni 1989 nog zeer vers in de wonden van het geheugen lag. Zeker bij de jonge mensen die ik sprak. En omdat je niet wist wie er meeluisterde. Maar goed, daar gaat het nu niet over, hoewel vrijheid nog steeds niet datgene is wat wij er onder verstaan, vooral niet als je Tibetaan bent. Tibet was in die tijd trouwens een verboden gespreksonderwerp; als je het T-woord noemde sloot zelfs de meest progressieve jeugdige Chinees de lippen stijf op elkaar. Tibet bestond namelijk niet, het was China geworden.

Maar ik had het over de geboortebeperking. Dat was (en is) net zo’n rare maatregel als de vliegenvangst toentertijd. Chinezen kregen geld voor elke gevangen vlieg en dat ruimde op. Met gevolg dat zij geen vlieg meer kwaad konden doen. Geen vlieg te zien maar daarvoor in de plaats ontstond allerlei onvoorzien ongemak, vooral op het boerenland. Want vliegen hebben een taak te vervullen in het natuurlijk evenwicht. Ook vliegen hebben een functie. Zoals er toen geen vlieg te zien was, zag je ook nauwelijks een kind. En al helemaal geen meisje. Op het boerenland viel het nog wel mee, daar werd – begreep ik – oogluikend toegestaan dat er per ongeluk meer dan één kind geboren werd, mede omdat kinderen een functie hadden (hebben) op het boerenland. Het zijn goedkope arbeidskrachten. In de steden echter, zoals Peking en Sjanghai zag je geen jonge moeders met kinderwagens, zelfs niet in de parken waar oudere mannen GO speelden. Net als met de vliegen, dreigde hier een verstoring van het natuurlijke evenwicht. Te weinig jonge mensen en in de toekomst te weinig vrouwen. Sinds 1970 schijnt de één kind politiek zo’n 400 miljoen geboorten te hebben beperkt. Soms op minder frisse wijze, door abortus en sterilisaties. Daar komt nu enige verandering in, onder leiding van Ma Zhao en de commissie voor bevolkingsplanning. Vooral in de grote steden mag nu een aantal Chinezen, men zegt dertig tot veertig procent van de gezinnen, meerdere kinderen maken. Dit geldt met name voor ouders die zelf enig kind zijn. Op het platte land zijn de beperkingen ook versoepeld, daar mag een tweede kind gemaakt worden als het eerste kind een meisje is. Kortom, we hoeven niet bang te zijn dat er in de toekomst te weinig Chinezen zijn.

Virtueel geld

Geld heeft iets merkwaardigs. Als het fysiek aanwezig is, in munten of fraaie bankbiljetten, dan gaat een mens er zorgvuldig mee om. Een rijksdaalder noemden wij – jeugdige pokeraars dertig jaar geleden – een karrewiel. Dat schoof je niet zomaar op tafel, dat was gèld. Inmiddels hebben we de Euro, ook met mooie munten. In Portugal waar ik vaak verblijf betaal ik in mijn dorp voor een dubbeldikke tosti en een Galao (koffie met melk) een paar Euro, zorgvuldig uitgeteld in munten. Dat is gèld. Als ik dan op de luchthaven drie keer zoveel moet neertellen voor een espresso, schrik ik toch wel even. Maar ik schrik minder als de koers van mijn aandelen met procenten tegelijk instort. Virtueel geld, cijfers op een computerscherm of een uitdraai. Virtueel geld… ik moet nog vaak denken aan een financieel adviseur waarmee ik ooit zakelijk te maken had. Ach, zei deze dan als we zorgelijk naar cijfers keken, het is maar virtueel geld. Dat denken de banken misschien ook wel. ABNAMRO boekt anderhalf miljard af in 2007; 1.560.000.000 Euro om precies te zijn. Ik schrik er niet van. Het kan erger namelijk. Sprint Nextel, een van de grootste aanbieders van mobiele telefonie leed een verlies van 29,5 miljard dollar, ofwel zo’n 20 miljard Euro. Twintig miljard, 20 met negen nullen…Stel je voor dat je dit moet uittellen in fysieke Euro’s, laten we zeggen munten van 2 Euro. Moet je tien miljard munten uittellen, ben je wel even bezig! Een mens (laten we zeggen de CFO van Sprint Nextel) vóelt dan wat verlies betekent, nietwaar? Maar de tijd van echt geld ligt al lang achter ons. Geld wordt gewoon gedrukt als het nodig is. De Gouden Standaard? Ha, dat was ooit heel lang geleden, toen je voor een bankbiljet nog de er op vermelde waarde in goud kon bekomen. Bankbiljetten waren niets anders dan schuldbewijzen. Maar schuldbewijzen zijn nu discutabel, vaak niets meer waard, zeker niet als het mediterrane staatsobligaties betreft. De wereld draait om virtueel geld, grote cijfers die worden afgeschreven, weggemoffeld, opgepept of gecorrigeerd naar believen. Alleen de gewone consument die nog steeds met munten zijn kop koffie betaalt, die voelt de pijn.

Ondernemen is Stuurmanskunst. Door Arjan Klaver.

(Interview in het AD, eind 2007)
Vier jaar handelsvaart gaf hem inspiratie voor ruime blikken en deinend taalgebruik. Hij zei het ruime sop vaarwel en via een omweg langs uitzendbureaus kwam hij als copywriter terecht in wat in de jaren 60 werd bestempeld als de vermaledijde reclamewereld. Het was slechts een dekmantel om ‘s avonds zijn literaire ambities overeind te kunnen houden. George Geudeker wakkerde het ondernemerschap aan. Met de lijfspreuk ‘Ga je op je bek, dan ga je op je bek. Daar leer je van.’ begonnen zij het reclamebureau Geudeker-Oerlemans.

eliteprom.co.uk

Meer dan 20 jaar geleden krijgt dit bureau de opdracht Centraal Beheer te positioneren als A-merk. Na anderhalve maand creatieve arbeid met sparringpartners als Henk Terlingen – in de wandelgangen bekend als ‘Apollo Henkie’ – ontwaakte onverwachts in een donkere nacht één creatief hersendeeltje. ‘Het is een kwestie van even Apeldoorn bellen’ stond op papier. Overdag werd deze zin kaalgeplukt tot de pay-off van de langslopende campagne van Nederland: ‘Even Apeldoorn bellen.’ De hoofdpersoon in dit delicate ondernemersverhaal is Christian Oerlemans.

“Op mijn 18e ben ik als stuurman begonnen op de handelsvaart”, steekt Oerlemans in zijn ruime appartement in Loosdrecht van wal. “Een omgeving waar de nadruk ligt op uniformen met strepen, waarop gestaan wordt. Na enig afzien veroverde ik ook zo’n streep en werd ik derde stuurman, maar gelukkig werd ik er niet van. Ik kan niet tegen autoritaire systemen en het ergerde mij dat zeelieden zo’n beperkt gezichtsveld hebben, terwijl de ruime blik vanuit het stuurhuis mij juist inspireerde tot filosofische gedachten en gedichten vol deinend taalgebruik. Na vier jaar zwaaide ik af en vond journalistiek werk bij het socialistisch dagblad Het Vrije Volk van hoofdredacteur Herman Wigbold. Standplaats Emmen. Dat was onmogelijk. Mijn toenmalige geliefde zat toen op de Amsterdamse toneelschool en ik wilde graag in het hoofdstedelijke creatieve milieu blijven. Een van mijn drijfveren was om als jonge schrijver de prestigieuze Reina Prinsen Geerligs prijs in de wacht te slepen. Oude idolen als J.C. Bloem en Hendrik Marsman of moderne auteurs als Hugo Claus en Jan Wolkers bewogen mij tot bloemig dichtwerk respectievelijk omslachtig en aanstootgevend proza. Ach ja, evenals Harry Mulisch zat ik vaak bij American aan het Leidscheplein. Overdag werkte ik voor een uitzendbureau als typist en ’s avonds ontmoette ik ambitiegenoten in het donkerbruine Eijlders. In die tijd schreef ik onder meer het toneelstuk ‘Het kindje huilt’ dat later door Willy van Hemert werd bewerkt en geregisseerd.” Audiëntie “Het ambt van typist had ik wel gezien. Ik wilde net als Kees van Kooten, Jan Holsbergen en Willem O’Duys tekstschrijver worden bij een reclamebureau. Een branche die in het Amsterdam van toen, met witkarren en provo’s, als behoorlijk conservatief en kapitalistisch werd gezien. Dat beeld was karakteristiek bij bureau Palm, waar ik als copywriter begon. De directeur zat in een enorme directieruimte. Prachtig ingericht, mooi uitgelicht, fraai uitzicht. Een gesprek met die man betekende een soort audiëntie die eerst bij zijn persoonlijke secretaris aangevraagd ‘diende’ te worden. Ridiculous! Ik wilde nooit meer een superieur boven me, dus al gauw ging ik freelance aan de slag. Sinds die tijd ben ik zelfstandig geweest. Dan kom je tot de ontdekking dat ondernemen ook stuurmanskunst vereist. Net als in de handelsvaart. Zeker toen ik met ‘collega-cowboy’ George Geudeker met een fikse banklening het reclamebureau Geudeker-Oerlemans – meestal GO genoemd – begon. We hebben veel voorspoed gehad maar het was soms ook tegen het randje van het faillissement. ‘Ga je op je bek, dan ga je op je bek. Daar leer je van.’ Voor 60% van de ondernemers moet deze lijfspreuk van GO eigenlijk als muziek in de oren klinken. Maar goed, na een paar maanden desperaat koperpoetsen op industrieterreinen om klanten te werven, kregen we na een pitch van drie gerenommeerde reclamebureaus de kurk waar we nog jarenlang op hebben mogen drijven: het HEMA-account. Daar hebben we 17 jaar met veel plezier voor gewerkt. En tegelijk wierp zo’n grote account een barrière op bij het werven van andere grote klanten. ‘Daardoor hebben ze vast geen tijd voor ons’, werd er verondersteld. Jaren later kregen we pas accounts als Jaguar, Lancia en Saab. Voor die laatste hebben we campagnes bedacht –o.a. de introductie van de Saab Turbo met de commercial van een Australische boer die tijdens een woestijnrit zich verbaast over de technologie van de Saab Turbo – die in diverse categorieën met ADCN-lampen werden bekroond.” Eureka! In 1977 kregen we het account van Centraal Beheer. Destijds was dat een coöperatieve organisatie met meerdere divisies en meerdere directeuren en dus complexe beslissingsmomenten. Centraal beheer wilde zich positioneren als A-merk. Ik vormde toen met Fons Bruijs het creatieve team. We moesten concepten bedenken voor commercials en billboards. Na een aantal brainstormsessies besloten we om diverse te verzekeren calamiteiten in beeld te brengen met telkens een en dezelfde pay-off die de oplossing zou communiceren. Ook Henk Terlingen was bij ons creatief proces betrokken. In proefcommercials koppelde hij steden met typeringen. Je kent het wel. Zo komt de koek uit Deventer en de meisjes uit Arnhem. En Apeldoorn? Daar komen verzekeringen vandaan (lach). Na de zoveelste dag en avond flink creatief uithalen, kwam ik moe thuis en verschool mij onder de dekens voor een welverdiende rust. Na een uur liet slechts één creatief hersendeeltje me ontwaken. Eureka! Op een schrijfblaadje noteerde ik direct ‘Het is een kwestie van even Apeldoorn bellen. De volgende dag werden de eerste vijf woorden geschrapt. De langslopende campagne van Nederland was geboren. Anno 2007 kijken we op TV en in de bioscoop al naar het 40ste concept. Voor een toentertijd magere 350.000 guldens aan budget moesten vier commercials maken, geënt op verzekeringsproducten van de divisies. Het eerste concept met het beroemde, enigszins matig geprepareerde skalet van een dinosaurus en de verwoestende nies van een bezoeker draaide we in de hal van Arti et Amicitia in Amsterdam. Het skelet heeft nog jaren in de ontvangsthal van de opdrachtgever gestaan.

http://www.eliteprom.co.uk/

De boodschap kwam over. Daarna zijn we doorgegaan met het concept waarbij als “eis” werd gesteld door de divisiedirecteuren, dat het ‘ongeval’ door hen altijd te verzekeren moest zijn. Later, bijvoorbeeld bij de commercial met de Rasta en de witte streep is van “deze vereiste afgeweken en werd het concept ruimer ingevuld.“ Na zijn actieve creatieve carrière heeft Christian Oerlemans zich voor de volle 100% gestort op het schrijversschap* dat hij destijds in de bruine kroeg Eijlders. aan het Leidscheplein heeft laten liggen. Door het dynamische ondernemersleven zit met het klimmen der jaren een prestigieuze Reina Prinsen Geerligs prijs er niet meer voor Oerlemans in. Een prachtig bokaal met als opschrift P.C. Hooftprijs? Even Apeldoorn bellen. * Recente romans: Het slechte pad, De carrière en de dood, Vrouwen zijn om op te vreten. Over reclame o.a. het jubileumboek van de Art Directors Club Nederland: En toen ging er een lampje branden…

Hoezo honger? Wees blij dat je nog kunt autorijden.

Een goed idee met slecht gevolg, zo zou je de biobrandstof kunnen omschrijven. De prijs van tarwe schoot in één dag 25% omhoog. Leuk voor de handelaren in futures, maar dramatisch voor consumenten. Grondstoffen; het angstwoord voor de toekomst. We zullen tekort komen, nog meer tekort komen, de prijzen stijgen steil omhoog. Steenkool wordt ineens weer hot, vlees wordt onbetaalbaar. Hoe komt dit onheil zo plotseling uit de lucht vallen? Nou ja, plotseling… Grote landen als India en China – we kennen inmiddels het verhaal, dat overigens nog niet verder is dan hoofdstuk 1 – groeien. Dat wil zeggen, de bewoners willen méér, ze willen hetzelfde als bijvoorbeeld wij in Nederland. Elke dag een stukje vlees, een autootje voor de deur, lekker (veel) eten. Obesitas? Daar nu nog nooit van gehoord, maar de junkfood industrie grijpt om zich heen. Dat wil zeggen; meer vraag naar grondstoffen, alleen al om te eten. Tegelijkertijd heeft iemand bedacht dat auto’s minder CO2 uitwalmen als ze op biobrandstof rijden. Vooral sinds Al Gore is dit idee omarmd. Je kunt natuurlijk biobrandstof maken van afval, maar dat is niet. Nee, de hoogste efficiëntie bereik je met bijvoorbeeld graan, of mais. Dus moet er meer landbouwgrond komen. Dus moeten regenwouden gekapt worden (die CO2 opnemen). Een krankzinnige draaikolk waarin we zijn terecht gekomen. In Amerika bijvoorbeeld wordt biofuel gemaakt van mais. In het jaar 2017 is 300 miljoen ton mais nodig om het autopark tegen die tijd op biofuel te laten rijden. Dat rekensommetje is inmiddels gemaakt. Het betekent dat de gehéle maisproduktie (anno nu) nodig is voor biofuel. Dat is vooruitgang: honger hebben, maar wel op een schone manier kunnen autorijden.

Mijn eigen aforismen

Hieronder een paar van mijn toevallige notities…

Je wordt niet groter door op andermans tenen te gaan staan.

Je handen wijzen makkelijker van je af dan naar je toe.

Hoewel je hersens vaak maar door malen, worden je gedachten er niet fijner van.

De mooiste overwinningen behaal je op jezelf.

Het Denken is lastig, want het bemoeit zich overal mee.

Als leven een sport is, ben je zelf je belangrijkste tegenstander.

Paus op de wc: heilige stoelgang.

Rijkman Groenink: Zakken vullen met enige woestheid.

De morgenstond heeft soms stront in de mond.

In een ziekenhuis is positief niet positief.

Hoe mooier we praten, hoe minder we zeggen.

Je kunt geen leiding geven als je zelf de weg kwijt bent.

Als je naar jezelf kijkt zoals je naar anderen kijkt, kun je nog wel eens raar opkijken.

 

Taalachterstand!

In veertig jaar is er geen donder gedaan aan taalachterstand.
Ik kwam een artikel tegen van mijzelf, geschreven in maart 1966. Ik schreef het naar aanleiding van een gepubliceerd onderzoek in het Algemeen Dagblad van februari 1966. Bij de Rotterdamse politie werden de sollicitanten getest op kennis van de Nederlandse taal. Van de 560 gegadigden vielen er direct 145 af, omdat ze nog niet eens een behoorlijke Nederlandse brief konden schrijven. De overigen moesten een simpel proefwerkje maken. Een sollicitant wilde zijn pozietzi verbeteren, een ander wilde graag zufur worden. Een 25 jarige jongeman met 6 jaar Marinedienst(!) viel op met een 1 voor zijn invuloefening Nederlandse woorden, een 4 voor zijn opstel en en een 3 voor taalgebruik. De spreekwoordenkennis bleek nauwelijks een test waard. Er was geen kennis. Men kan niet weten hoe een koe “verstand heeft” of, “een kalf uit de sloot haalt”. Dit soort – wel grappige, maar ook treurig stemmende – onzin. Dit was veertig jaar geleden. Als oorzaken werden vijf punten genoemd door experts – hotemetoten in goed Nederlands.

1. Te weinig aandacht voor taal onderricht op school. Geen land in Europa besteedt zo weinig lesuren aan de eigen taal…
2. De onderwijzers zijn niet meer van dezelfde kwaliteit als “voor de oorlog”. Er is meer behoefte aan onderwijzend personeel, waardoor de selectie minder streng is en het peil van leerlingen op de Kweekschool (= Pedagogische Academie) steeds lager komt te liggen…
3. De jeugd kent geen “taaltucht” meer. Niet verwonderlijk gezien het slechte voorbeeld van volwassenen. (Hij hep, hun hebben…op televisie en radio).
4. Een toenemend aantal scholieren uit de “eenvoudiger milieus” (sic) lijdt van huis uit aan taalarmoede…
5. Maatschappelijke veranderingen krijgen steeds meer vat op de schooljeugd…

Mijn vraag: wat is er vanderd? Er was toentertijd nog geen sprake van allochtoon of autochtoon, zwarte en witte scholen enz. Taalachterstand, taalarmoede, het zijn nu actuele onderwerpen. Actueel? Het wordt tijd dat onderwijzers en andere leerkrachten weer eens met de lat op de vingers slaan als leerlingen hun moedertaal verkrachten (nou ja, moeder… soms stiefmoeder dus).

Ons Zorgstelsel


Wratje weghalen; 173 Euro.

Ik mag hopen dat de wrat weg blijft, want ik heb meer last van de rekening dan van het groeiseltje.

Omdat het ding zich niet met wrattentinctuur en andere huismiddelen liet verwijderen, belde ik de huidarts. Het is tenslotte een huidprobleem en bovendien zit deze dokter bij mij in de buurt. Zodoende verscheen ik op zijn spreekuur in een kamertje in een – noem het maar – dorpshuis. Eenvoudig, sober, maar functioneel. De arts had niet veel werk aan mij, even de fles met vloeibare stikstof ter hand genomen, pfffft hup klaar. Afgezien van de tijdbesteding in de wachtkamer waar ik enige beduimelde populaire bladen van vorig jaar kon doornemen, duurde de behandeling niet langer dan het koken van een eitje. En voor de dokter was het ook een eitje, dit had de eerste de beste assistent derde klas met de linkerhand kunnen doen.

Maar, toen kwam de rekening, van het ziekenhuis waar deze arts zijn administratie heeft ondergebracht. Dit schijnt sinds 1 januari 2005 zo te moeten heb ik inmiddels begrepen, in opdracht van het Ministerie van VWS. Ik citeer: ’de kosten worden niet meer per verrichting in rekening gebracht maar de totale behandeling (veelal bestaande uit verschillende verrichtingen) wordt in een keer gefactureerd door middel van een DBC: Diagnose Behandeling Combinatie’.

De rekening bedroeg ¤ 173,08. Opgebouwd uit maar liefst ácht posten, waarbij de post ’dermatologie’- mijn huidarts dus- ruim De online casino’s, die hoeven slechts te brainstormen over scary beste casino info acties, [. 50 euro was. De overige posten waren Ziekenhuisdeel (ruim 80 euro), verrekentoeslag DBC (wat dit ook moge zijn, 27 euro) plus voorts de honoraria Algemene Chirurgie, Radiologie, Nucleaire (welja) Geneeskunde, Klinisch Chemisch lab en Pathologie.

Allemaal voor één wratje. Geen chirurg gezien, ook geen radioloog, patholoog of laborant, laat staan een nucleair specialist.

Ik pakte de telefoon en belde de debiteurenadministratie op het onder de optelsom vermelde nummer. Een dame met zwaar Surinaams accent kon mij slechts vertellen dat de Minister het zo wilde en dat ik voor meer informatie terecht kon bij het CTG. CTG? Ja, dit heet officieel nog CTG-Zaio, ofwel College Tarieven Gezondheidszorg -Zorgautoriteit in oprichting… Ik had nog nooit van deze autoriteit in oprichting gehoord, eerlijk niet en ik volg toch echt het nieuws wel.

Goed, de mevrouw met het overzeese accent kon niet uitleggen wat de radioloog en de nucleair specialist ongezien voor mij gedaan hadden, dus werd ik doorgeprikt naar een dame met een helder stemmetje, die het helemaal met mij eens was en het ook betreurde dat de verwijdering van een wrat zo’n uitgebreide nota met zich mee bracht, maar helaas meneer… het Ministerie heeft het zo bedacht. Wij van de Zorg staan machteloos, aan alles hangt tegenwoordig een DBC code (onthoud deze lettercombinatie), die is vastgesteld door het CTG. Als u meer wilt weten, kunt u informatie vinden op de website. Van het ziekenhuis? Neehhh… van het CTG in oprichting natuurlijk.

Ik kan u zeggen dat ik mij na dit telefoongesprek nog meer grote zorgen maak over wat mij – en ons allen – in het nieuwe zorgstelsel te wachten staat Je kunt in ieder geval maar beter geen wratjes hebben.

2009:

Inmiddels ide ZAio geworden tot Nederlandse Zorg Autoriteit. Met een website. Ik heb uiteraard getracht inzicht te krijgen in de DBC. Maar het blijft een duister verhaal.

Het schijnt dat de ’ondersteuners’ in de medische wereld er echter goed aan verdienen, ik las dat sommige ondersteuners vorig jaar inkomens haalden van 4 ton met meer werkweken dan menselijk voor mogelijk wordt gehouden. Administratief dus. Ik weet er weinig van, maar verwijs naar een artikel in Medisch Contact van 6 januari. De kop luidt:

Onrust over hoogte inkomens ondersteuners

Maatschappelijk ondernemen is geen verkoop argument

Maatschappelijk ondernemen is als onderwerp binnen de directievertrekken altijd meer populair geweest dan in het veld. Natuurlijk, het is prijzenswaardig wanneer het management z”n bedrijfsbeleid toetst aan maatschappelijke relevantie, maar het omgekeerde is weinig zinvol en ondernemers die schouderklopjes krijgen van bijvoorbeeld Greenpeace of Milieudefensie moeten zich onmiddellijk afvragen waar het mis gaat met de bedrijfsvoering. Wordt er nog geld verdiend? Is er nog groei?

Maatschappelijk ondernemen is een salonfähig onderwerp dat eind jaren negentig meehielp om de company modieus te positioneren. Er werd veel geld verdiend, managers vulden hun zakken met (soms) schokkende salarisverhogingen en lucratieve optieregelingen en hadden dien tengevolge behoefte aan gewetenswassing. Geen mooier wasmiddel voor het geweten dan het credo Maatschappelijk Ondernemen en – inmiddels ook niet meer zo actueel – het sociale jaarverslag dat overigens een paar centen mocht kosten en veelal de vorm kreeg van een positivistisch motivatieprogramma. In een tijdsbestek van krap twee jaar zijn vele gevierde managers van hun voetstuk gevallen en zien we van de gepredikte maatschappelijke verantwoordelijkheid niet veel anders terug dan ellende. De gewone consumenten zijn gewoon de dupe van mooie verhalen; vraag het de klanten en medewerkers van Albert Heyn, die door het zo maatschappelijke beleid van Cees van der Hoeven – ooit bejubeld ook door aandeelhouders – mochten meedelen in de grote winsten.
Goed, terug naar mijn stelling dat maatschappelijk ondernemen geen verkoopargument is. Het zal de gewone mensen worst wezen hoe een bedrijf de mensenrechten bekijkt of bijdraagt aan het gat in de ozonlaag. Okee, als men boortorens wil laten afzinken of als er een roestbak met olie vergaat voor de Spaanse kust, dan is er verontwaardiging. Terecht. Dit mag niet gebeuren! Maar wat is het succes van groene autoverzekeringen of groene stroom? Of groen links in deze tijd? Helemaal nul, als er geen “geldig” verkoop- argument wordt bijgehaald. En het enige geldige argument voor de consument is geld. Groene stroom? Ja graag, als het goedkoper is… Ik geef één sterk voorbeeld uit mijn eigen praktijk: Autogas. Een goedkope brandstof en nog milieuvriendelijk ook. Dit laatste, toch niet onbelangrijke voordeel, hebben we met campagnes sterk naar voren gebracht. Maar wat bleek? Het werd nooit als aankoop-argument teruggespeeld. Het hielp om het imago van de brandstof – en dus van de gebruikers – wat op te poetsen, maar we moesten blijven hameren op het Voordeel. Schoon zonder meer verkocht niet, Schoon Verdiend des te beter.

Neem van een oude reclame professional maar aan, dat consumenten weinig interesse hebben in algemeen belang, maar veel in eigen belang. En wat is er maatschappelijker meer relevant dan te zorgen voor tevreden klanten? Een goed produkt en een lage prijs. Back to basics, vooral in de communicatie,want de mensen hebben hun buik wel vol van mooie beloften in een maatschappelijk opgesierd jasje.
Christian Oerlemans