Autopech (deel 1)

Hoeveel autopech heb je gehad in je leven? En hoe was het?

Voor mij was er een periode zonder pech, toen ik succesvol aan het werk was en dus nieuwe auto’s reed. Hoewel? Op de snelweg komend van Utrecht wilde mijn toch redelijk nieuwe Alfa GTV6 ineens niet meer schakelen. Dus in z’n vijfde verder gesukkeld naar de garage in Zuid. Veel gasgeven met slippende koppeling bleek de auto geen goed te doen. Veel later ook nog eens zoiets meegemaakt met een oude Saab Turbo. Kom ik nog op terug.
De meeste mensen worden denk ik chagrijnig bij autopech. Of bang. Of kwaad. Ik ervaar het meer als de hand van God, hoewel ik niet gelovig ben. Het lot slaat toe, maar het is geen noodlot. Het is meer een vingerwijzing naar een verrassende wending in het leven. Hoezo plannen? Hoezo op tijd ergens naar toe? Onmiddellijk moet ik denken aan Gershwin die zei: “het leven is net als jazz, het leukste is improviseren”.

In mijn jeugdjaren had ik vaak autopech. Het meest uitgebreid komt dit voor in mijn boek ‘Op weg naar de Noordkaap’, een reis die ik samen met mijn vriend en fotograaf Cees Lantzendörffer maakte in 1959, in een Citroën Traction Avant van bouwjaar 1949. Goed beschouwd toen nog niet zo oud, maar de technologie was weliswaar eenvoudig, doch ook kwetsbaar. Lees het boek en leer bijvoorbeeld hoe je een gebroken versnellingsbak demonteert teneinde een andere – uit de sloop – te monteren.
Na mijn pensionering begon ik weer in oude auto’s te rijden, met gevolg dat jeugdherinneringen opwelden. De jongste verrassing is nog slechts drie dagen oud – nu ik dit schrijf – en laat ik hiermee beginnen dan komen de andere verhalen vanzelf.

Wij reden van Mérida in Spanje richting Porto in Portugal, waar we gingen overnachten in Castelo de Gouveia, nabij een gehucht aan de Douro genaamd Marmorial. Willemine was net twee dagen ziek geweest met darmperikelen hetgeen onze plannen al enigszins in de war had gestuurd. Een dagje later dan gepland zijn we op weg met W hangerig in de bijrijderstoel. Geen toeristische route, maar de kortste weg naar een hotelkamer opdat zij weer naar bed kan. Rond het middaguur wil ik koffie dus wij dwalen af op zoek naar een dorp genaamd Toloso. Er blijken twee café’s te zijn, waarbinnen stevig gerookt wordt door ongeschoren manvolk, zodat we tegen een blauwe walm aanlopen en W onmiddellijk weer naar bed wil. Het volgende dorp moet dan maar koffie brengen, dus de Volvo weer gestart bij een omgevingstemperatuur van 39 graden Celcius. De fan draait hevig, de airco blaast, niets aan de hand. Onderweg naar Mérida, enige dagen terug, heb ik W erop gewezen dat het van imminent belang is om de temperatuurmeter in de gaten te houden. De wijzer mag rechtop staan, maar niet verder naar rechts bewegen. Het begrip imminent is hier terecht gekozen: het woordenboek zegt ‘boven het hoofd hangend, iets dat zonder voorafgaande waarschuwing kan gebeuren’.
Wij rijden een provinciale weg omlaag als ik een vreemd geluid hoor en – uiteraard – onmiddellijk naar de temperatuurmeter kijk. De wijzer hangt in de rechterhoek als een lamgeslagen bokser. Ojee! Gelukkig daalt de weg naar een groepje huizen en op een klein pleintje parkeer ik de oude Volvo, voor een kleine comestibleszaak, centraal tussen twee café’s. Stilte alom, zinderende middagrust. W blijft rustig zitten, verwacht wellicht dat het probleem spoedig verholpen zal zijn. Ik daarentegen krijg dat avontuurlijke gevoel dat door onverwachte levenswendingen wordt veroorzaakt en wandel naar het dichtstbijzijnde café met de naam Chez Claudia, waar een oude man op het terrasje zit, zoals het hoort in Portugal. Binnen is het donker, de waard blijkt een lange man met een zekere erudiete uitstraling en hij blijkt dan ook zowaar enig Engels te spreken. Claudia is niet aanwezig, haar zien we later op het balkon de slaapkamertapijtjes uitkloppen. Hoewel mijn Portugees beter is dan zijn Engels, volhardt de waard in deze taal, terwijl ik de autopech omschrijf en een espresso (hier een bica genaamd) bestel. Dan bedenk ik mij dat W beter uit de auto kan komen en ik laat haar weten dat we hier voorlopig even blijven. De waard heeft inmiddels een mecânico gebeld en tot onze verrassing staat die binnen de kortste keren voor de deur, met een oud Opeltje. Een joviale man, genaamd Luis. Samen openen we de motorkap van waaronder ons een verzengende hitte tegemoet slaat. Voorzichtig opent hij de container van de koelvloeistof, maar geen gevaar voor stoom of kokend water, er is geen vloeistof meer. Luis verdwijnt naar het café en komt samen met de waard terug, met karaffen water, de karaffen waarin gemeenlijk wijn wordt geserveerd. Na een stuk of zes karaffen dien ik de motor te starten en het probleem wordt onmiddellijk zichtbaar: stoom uit de slangaansluiting van de radiateur. Motor af! Luis draait met zijn zakmes de slangklem los en toont mij een scheurtje in de tuit van de radiateur. Te repareren? Haha.. nee meneer, hier moet een nieuwe radiateur komen. Noodreparatie? Probeer ik nog. Luis is bereidwillig, stapt in zijn Opeltje om gereedschap en koelvloeistof te halen. Met mooi rood tape omwikkelt hij de radiateuruitloop en monteert de slang er weer op. Nu starten. Pffft…stoom ontsnapt en water druipt omlaag. Hopeloze zaak dus. Er moet echt een nieuwe radiateur komen. En wat erger is, volgens Luis is vast en zeker de koppakking naar de filistijnen. Kortom, de kop moet eraf zodat de zitting gevlakt kan worden (dit legt hij uit in het Portugees) en er een nieuwe koppakking kan worden gemonteerd. Het dringt langzaam tot mij door dat dit een grote reparatie is. Abrantes is nog 10 kilometer. Hoe kom ik bij een werkplaats daar? Moeten we worden gesleept? Kan Luis dit regelen? Of de waard misschien? Hoho zegt Luis, maak je geen zorgen, hij kan dit wel repareren. Ah gelukkig, dat valt alweer mee. Samen over de verhitte motor gebogen, onder de schaduw van de motorkap, vraag ik of hij een hotel weet, of een kamer, of hoe dan ook een onderkomen in dit dorp met tien huizen, een kerk en twee café’s die geen van beide de titel ‘hotel’ op het door een koffiemerk gedoneerd zonnescherm dragen. Luis gaat mij voor naar het café en begint mobiel te telefoneren. Hij belt het hotel, legt de waard uit. Is hier dan een hotel? Ja een heel erg luxe hotel dat pas een jaar geleden is geopend, slechts twee kilometer lopen, voorbij de kerk rechtsaf. Twee kilometer lopen met drie koffers, twee laptops, drie tassen met schildersspullen… Luis komt naast me staan en geeft zijn mobiele telefoon: hotel. Ik krijg een man aan de lijn en tot mijn opluchting spreekt deze een beetje Engels. Een kamer? Ja ja, dat is mogelijk. Hoelang? Luis heeft me duidelijk gemaakt dat het wel drie dagen gaat duren. Drie nachten dus. Dat kan zegt de receptionist, de prijs is 120 euro. Voor drie nachten? Nee, per nacht. Hè?? Wat zegt u? In deze negorij zo’n tarief? Reagerend op mijn verwonderde protesten, verlaagt de man de prijs naar 100 euro, althans, dit wil hij met zijn patron overleggen. Ik stem maar toe, wat moet je anders? Ik geef Luis zijn telefoon terug en zeg dat het 100 euro gaat kosten, per nacht ja. Luis en de waard en twee inmiddels aangeschoven oudere mannen vallen welhaast in katzwijm en grijpen zich vast aan het tafeltje. Hierop staat het flesje water van W en mijn koffie plus een tosti ham/kaas waarvoor ik alles bij elkaar twee euro zestig heb betaald. De verontwaardiging van de mannen is dus goed verklaarbaar. Luis pakt zijn mobiele telefoon en belt weer naar het hotel, een lang gesprek in het Portugees. Uiteindelijk krijg ik weer de receptionist aan de lijn: de prijs is gedaald naar 80 euro. Wow. Hoewel de omstanders het nog steeds belachelijk duur vinden, stemmen wij uiteraard hiermee in. Luis biedt aan om ons te brengen. Met dat Opeltje? Nee nee, hij haalt even een grote auto, voor de bagage. Tien minuten later rijdt hij voor in een mooie nieuwe Volvo. Hoe bestaat het. Nu vertrouwen we Luis helemaal ten Volvo. We laden alles in, rijden rond de kerk een zandweg in en bereiken een groot gebeuren, met stallen en huizen en landerijen. Van buiten authentiek, van binnen schokkend modern, nihilistisch met geschuurd beton en veel glas en een open badkamer achter het bed. Honderd meter verder in het land ligt een monumentaal zwembad. Wij zijn de enige gasten en het restaurant is helaas – met excuses hiervoor – gesloten. We gaan even op bed liggen, met de airco op 24. Dan tegen zes uur wandelen we naar het zwembad en doen gewoon net of we met vakantie zijn. W gaat zwemmen. Nu komt over de zandweg een grote auto aanstuiven, waaruit de eigenaar te voorschijn komt. Hij heet Francesco en hij beweegt zich voort op een wonderlijke zwaaiende manier. Heeft duidelijk een motorische storing opgelopen (evenals onze Volvo). Francesco offreert mij een biertje uit de betonnen bar bij het zwembad en vertelt dat zijn familie 15 architecten telt. Kennelijk allemaal dol op strakke betonnen vormgeving, rechte lijnen, rechte hoeken. Francesco heeft in auto’s gedaan, hij was marketingmanager van Citroën (en kent dus reclamebureau RSCG waarmee ons bureau in 1988 samenging), later baas bij Volkswagen en Skoda en tenslotte hoogste baas van Fiat Portugal. Hij is hier in Casa Branca geboren en verwezenlijkt kennelijk een soort herenboerendroom. Maisvelden zover het oog reikt, tot aan de oever van de Tejo (Taag). De helft van zijn land was al van zijn moeder, de andere helft heeft hij bijgekocht van de buren. Ruim honderd hectaren, waarover de hele dag sproeiers rijden die gevoed worden vanuit de rivier via een ingenieus buizensysteem en een pomphuis.

’s Avonds rond acht uur wandelen we naar het dorp, W denkt dat zij misschien iets moet of kan eten. Ons bekende café serveert geen maaltijden, maar een oud omaatje heeft ons ‘s middags verzekerd dat het eten aan de overkant heel goed is. Dit café meldt dan ook ‘restaurant’ op het zonnescherm. Als W de donkere rokerige bar ziet heeft zij geen eetlust meer, maar ik loop door en vindt zowaar een kamer met gedekte tafeltjes, waar een echtpaar met kinderen zit te eten. Kom binnen, roept de man in het Portugees. Het eten is hier goed. Het omaatje had wellicht gelijk. We kiezen een tafeltje bij het raam en ik bestel een karafje rode huiswijn (kan nooit verkeerd zijn in Portugal) terwijl W een watertje neemt. We kunnen kiezen: vissoep, Portugese biefstuk of lombo van het varken. W neemt de lombo, die heel droog blijkt. Portugese biefstuk bestaat uit dunne lappen vlees, half gebakken half gestoofd, met een gebakken eitje er bovenop. Tomaten sla met uit erbij, best te doen. Het meisje dat bedient en een soort kinderachtig kruippakje draagt, spreekt na enige aarzeling een paar woorden Engels. Zij is de dochter van de eigenaar en heeft vakantie. We complimenteren haar met haar talenknobbel, hetgeen ze glunderend accepteert. Ze heeft prachtig dik zwart lang haar, grote verbaasde ogen en een huppelend loopje. ‘You’re welcome’, zegt ze te pas en te onpas. Ze vertelt trots dat zij de chocolade mousse die ik als toetje heb gekozen zelf heeft gemaakt. W durft geen toetje te nemen en zegt later dat ze hier nooit, nee nóóit meer wil eten. Gelukkig blijkt dan het restaurant in ons hotel geopend en staat er een kok tot onze beschikking die met heel veel plezier heel erg lekker kookt.

De tweede avond – we eten in het hotel-restaurant dus – zitten daar ook Francesco en zijn aantrekkelijke echtgenote Margarita. Mooie mensen van duidelijk goede familie, spreken Engels, Frans, Italiaans en uiteraard Portugees. Na het eten schenkt Francesco ons een frambozenlikeur die aan cognac doet denken, gemaakt door een vriend, en daarna nodigt hij ons uit in zijn bar. Deze bar is een monument voor hemzelf. Er is een wand geheel beplakt met rally-foto’s, Citroën DS, Austin Mini Cooper, Fiat Speciaal; tientallen auto’s vliegend door zanderige bochten tijdens de rally van Monte Carlo of ander spektakel. Francesco staat vaak op de foto’s, met officiële mannen erbij en auto’s met nummers. Zodra we binnen zijn draait hij op de bar een film op zijn notebook, waarop Margarita dansend te zien is. Zij danst prachtig, uitdagend, wulps zou men kunnen zeggen. Wij drinken een glas en zij laat foto’s zien van hun huis aan de westkust, bij Nazaré, waar de oceaan woest kan zijn en waar mooie eilanden bij hen voor de deur liggen. Dan besluit Margarita dat het tijd wordt om te dansen, dus zet Francesco de muziekinstallatie op luid en W – inmiddels weer bijna beter – voegt zich heupwiegend bij Margarita en de dames draaien en tollen en swingen jeugdig door de tent, zodat ik mij niet kan inhouden en mij eveneens in bochten begin te wringen. Francesco kijkt genietend toe, dansen kan hij niet (meer), maar hij gaat sowieso door zijn motorische storing dansend door het leven. Zo maken wij dus nieuwe vrienden. En zoals ik in het begin van dit verhaal al schreef, tegenslag opent nieuwe kansen en vergezichten op veranderingen. Het leven wordt pas leuk als het misgaat.

Wij en Zij

Sommigen zullen zeggen: ‘wij en hun’, maar daar gaat dit stuk niet over.

Ik kom op dit onderwerp omdat de tekstschrijver Jaap Toorenaar een boek maakt over bekende reclamecampagnes. ‘Even Apeldoorn bellen’ kan dan natuurlijk niet ontbreken, deze campagne won in 2015 met enorme voorsprong de “Gouden Loeki aller tijden”, uitgereikt door de STER.

In gesprek met Jaap over het ontstaan van de campagne –gemaakt samen met art director Fons Bruijs in 1986 – realiseerde ik me dat wij toentertijd veel meer bezig waren met het interne bedrijfsprobleem bij Centraal Beheer, dan met deze reclame, waarvan we natuurlijk nog niet wisten dat die zo’n lang leven zou hebben.

Centraal Beheer was als kleine coöperatieve verzekeringsmaatschappij verhuisd naar een revolutionair kantoorgebouw in Apeldoorn, ontworpen door Herman Herzberger. Dagelijks trokken groepen bewonderaars, overgevlogen vanuit Japan of Australië of Amerika, door het pand. Volledige openheid tot in de directiekamer. Overal espressobars, hangende plantenbossen tussen het betonskelet, aquariums, huisdieren en – heel apart voor een verzekeringsmaatschappij – spijkerbroeken en geen stropdassen. Zo’n vrolijke alternatieve kantoortuin had niemand nog ooit gezien.

Centraal Beheer was een buitenbeentje in verzekeringsland waar driedelig grijs toen de norm was. CB verkocht verzekeringen als postorderproduct, per coupon. Knip uit die bon en pak uw voordeel. “Verzekeringen voor zelfverzekerde mensen “ hadden wij bedacht. En het kon nog makkelijker: gewoon per telefoon. Even Apeldoorn bellen. Maar toen wij die campagne presenteerden schrok de baas, Geert Boreel, een beetje terug. Hij hoorde in gedachten al die honderden rinkelende telefoons die niet werden opgenomen omdat zijn medewerkers in de coffeecorners zaten. Mensen zijn immers net kinderen; als je de grenzen oprekt, discipline verwaarloost en veel vrijheden toestaat, dan ontstaat er een balorige vrijbuitersfeer.

Wat te doen?

Nu kom ik op ‘wij en zij’; een interne campagne! Clubgevoel creëren, met z’n allen rug aan rug strijden tegen die arrogante verzekeringsreuzen in Amsterdam en den Haag. Alle neuzen dezelfde kant op. Dit noemden we toen een ‘motivatieprogramma’, maar zo mocht je het later niet meer noemen omdat het teveel leek op ‘manipulatieprogramma’. Samen met Henk Terlingen
– bij ouderen bekend als Apollo Henkie – die dit soort programma’s produceerde in ons bedrijf, maakte ik een spectaculair intern televisieprogramma, dwars door het hele bedrijf en… voor de medewerkers als volledige verrassing. Toen ze op kantoor kwamen bleek hun werkplek te zijn veranderd in een televisiestudio. Overal monitors en camera’s. Ronde tafelgesprekken met divisiedirecteuren, open microfoons, sprekerspodia, de ondernemingsraad in het geweer, Ruud ter Weijden, Koos Postema en andere tv-persoonlijkheden in emotionele gespreksgroepen, kortom DWDD en Pauw en Tan avant la lettre in de kantoortuinen van Centraal Beheer.

Na die dag konden we met ‘Even Apeldoorn bellen’ van start. Iedereen wilde en kreeg telefoontraining. Hoe aardig te zijn en te blijven, ook tegen lastige klanten. Prettige dag verder. Dank u voor het bellen. Al die cliché’s waar je nu een beetje ziek van wordt (fijne dag nog), waren toen nog redelijk vernieuwend.

‘Wij tegen Zij’. Niets werkt beter dan dit, omdat wij mensen ermee worden opgevoed. Einstein zei het al: ‘gezond verstand is de verzameling vooroordelen die we hebben vergaard tegen de tijd dat we achttien zijn’. We leven in clubjes, in groepen zoals we dat eigenlijk gewend zijn sinds we jagers/verzamelaars waren. Ons kent ons. Ons brein wordt volgestopt met overtuigingen, normen en waarden van onze ouders, politieke kleuren, religieuze dogma’s, meestal zonder dat we ons dit realiseren. Propaganda, reclame, natuurlijk. Maar de ware manipulatie grijpt dieper in, dan gaat het om overtuigingen die stoelen op nationalisme en religie. Er zijn bijvoorbeeld maar weinigen die door intellectuele argumenten tot hun geloofsovertuiging komen. Het is de groep die het doet, de emotie van samen hetzelfde geloven en denken. De grote meerderheid van gelovigen is gelovig dankzij de opvoeding. Als je nu in Teheran wordt geboren, ben je moslim en geloof je in de waarheden van de Koran. Ouders geven niet alleen genen door, maar ook overtuigingen, waarheden, en inderdaad ja…vooroordelen. Geen mens is er vrij van. Nationalisme is misschien nog meer manipulerend dan religie, als ik ’t zo mag zeggen. Misschien ook omdat het ‘nieuwer’ is, want het vaderland is een begrip dat nog niet zo lang bestaat. Strijden, desnoods sterven voor het vaderland; een modern thema dat eigenlijk pas in de eerste wereldoorlog ontstond. Ik vond een ironische uitspraak van de Britse dichter Wilfred Owen over het destructieve van nationalisme: ‘dulce et decorum est pro patria mori’ – het is een zoete eer om voor het vaderland te sterven. Wat hij overigens ook deed vlak voor de wapenstilstand. In Europa en Noord en Zuid Amerika zijn staten nog jong. In de 19e eeuw kon je nog geen supporter zijn van het Italiaanse, Duitse of Argentijnse elftal. We hadden vorstendommen, keizerrijken en koninkrijken en andere rijken, machthebbers die de baas waren over hun onderdanen. Hiervan is hier en daar nog iets blijven hangen in royalisme en monarchisme, maar deze groepsculturen zijn minder sterk dan nationalisme en religie. Behalve misschien op ‘koningsdag’.

Hoe komt het dat nationalisme zo ingrijpend is geworden in de wereld? Door de scholing lijkt mij. Tegelijk met het ontstaan van naties, werd schoolgaan normaal en later verplicht. Door het onderwijs leerden kinderen dat ze ergens bij hoorden, een denkbeeldige gemeenschap met nationalistische ideologie, een nationale taal en een bijbehorend volkslied. Zo leerden eind negentiende eeuw ( bijvoorbeeld) de Friese kinderen Nederlands spreken. Landen als Japan, maar ook Engeland en vooral de Verenigde Staten zijn heel sterk in deze ‘motivatieprogramma’s’ op school. Het schooluniform is symbolisch. In de V.S. moeten de kids ’s ochtends in koor een belofte van trouw afleggen en in de houding staan voor de vlag met de stars-and-stripes. Deze z.g. ‘Pledge of Allegiance’ is een uitvinding van een zekere Francis Bellamy (in 1892), die meende dat dit zou aanzetten tot trots en trouw aan de republiek. Pure manipulatie dus. Met name de instroom van miljoenen immigranten, de angst voor het communisme en de vernedering van Pearl Harbour hielpen deze motiverende vlagverering aan populariteit. Geen land waar je zoveel nationale vlaggen en vlaggetjes ziet als Amerika. Vandaar dat Amerikahaters bij voorkeur de vlag verbranden, want dat doet echt pijn.

Via een reclamecampagne blijk ik dus uit te komen op een wereldprobleem. Wij tegen zij. Geen mens is vrij. We zitten allemaal in een schuitje en sommigen slaan om en verdrinken. Oorlog en vrede, Tolstoj probeerde in zijn latere leven – nadat hij zijn hedonistische jeugdgedrag van zich wierp – het groepsdenken te doorbreken en als graaf op te trekken met landarbeiders. Maar het lukt zelfs grote schrijvers en filmers niet om ons te bevrijden uit onze bevooroordeelde breinen. Het blijft Wij tegen Zij. Want Zij worden nooit Wij.

Duivelskunstenaar en de seksuele context.

Zelfs na de autopsie is nog niet duidelijk waarom Prince die noodlanding heeft gemaakt.Sinds de jaren tachtig heb ik niet zoveel gezien en gehoord over Prince. Uiteraard weer gekeken, naar zijn films, zijn shows. Show is eigenlijk een te gering woord voor de manifestaties van deze tengere kleine man met het grote muzikale talent, een duivelskunstenaar die zich omringde met meiden die het vrouwzijn konden overstijgen Verder zeg ik er niets over, nou ja, toch een paar dingetjes. Afgezien van zijn handige verlegenheid in interviews en de onschuldige uitdrukking in zijn Bambi-ogen, heb ik toch twee piekerpunten: Ten eerste dat een dagblad dat ik zelf niet lees, blijkbaar meteen de oorzaak weet (drugs!!). Ten tweede dat er hier en daar terloops melding van wordt gemaakt dat Prince lid was van de Zevendedags-adventisten (geen drugs!!).
Intrigerend. His Royal Badness maakte duivelse shows, beladen met ongegeneerde erotiek. Vraag ik mij af hoe dit te rijmen valt met zijn religie. Ik citeer een paar zinsneden uit de 28 geloofspunten: “voldoende lichaamsbeweging (haha zelden iemand gezien die zó kon bewegen), gezond eten, geen onrein voedsel, en omdat alcoholische dranken, tabak en het onverantwoordelijk gebruik van medicijnen en verdovende middelen schadelijk zijn voor het lichaam, behoren wij ons daarvan te onthouden.”
Let op het woord ‘onverantwoordelijk’.
Voorts: “ontspanning en vrijetijdsbesteding moeten voldoen aan de hoogste normen van christelijke smaak en schoonheid. In culturele verscheidenheid hoort onze kleding eenvoudig, bescheiden en netjes te zijn, zoals het past bij mensen van wie schoonheid niet bestaat uit uiterlijke versierselen, maar uit een zachtaardige en stille geest die niet kan vergaan.”
Onhandige regels lijkt mij, voor deze performer die leek te zijn opgebouwd uit versierselen. Vraag is, heeft Prince ons een spiegel willen voorhouden? Een confrontatie wellicht? Ik lees dat hij niet alleen lid was van de Zevendedags-adventisten, maar deze leer ook uitdroeg en verkondigde. Over zoiets kan ik echt even piekeren. Misschien was hij op aarde gezonden om ons te waarschuwen, was hij een van de rechtvaardige zielen die straks, voor de eerste wederopstanding, als een engel zal verschijnen aan de vooravond van het duizendjarige rijk, zingend “Black day, stormy night, no love, no hope in sight, don’t cry, he is coming, don’t die without knowing the cross”. Uit Sign O the Times. (lees voor ‘O’ het bandebom teken).
Je kunt het niet overPrince hebben zonder aan vrouwen te denken. Zelden een mooiere drummer gezien: de famous Sheila E (Escovedo), de drumgodin. Niet alleen drummen kan ze, maar ook dansen en zingen en haar lijf gebruiken. Terwijl ik dit schrijf heb ik haar op ‘youtube’ en het valt niet mee om mijn aandacht erbij te houden, want de combinatie van vrouwelijkheid en zoveel heftigheid op de percussion die tot heden – in mijn beleving – aan mannen was voorbehouden, zet mij voor ik het weet weer aan het piekeren. Wat willen vrouwen eigenlijk? Anders gezegd: hoe zíjn vrouwen eigenlijk? Of nog anders gezegd: wat denken mannen eigenlijk dat vrouwen zijn, afgezien van ook een mens. Borsten, jazeker, benen ook, billen, heupen, lippen, grote ogen, enfin de fysiek die we – sigh of the times? – dagelijks krijgen voorgeschoteld. Niet op de ouderwetse pin-up manier, maar gewoon in dagelijks gedoe. Naveltruitjes, (te) korte broekjes en erger nog rokjes, daar waar de toegemeten fysiek er vaak niet om vraagt. Waarom doen die meisjes dat? Omdat ze het zien in de videoclips, waar het leven draait om girls en boys en love en sex. Ja, Prince dus weer: LoveSex. Natuurlijk roept dit ook weerstanden op. Zoals de anti-beweging vanuit religie, waarbij mannen hun vrouwen opsluiten in huis en allesbedekkende kleding voorschrijven. Tevens ergeren feministes zich eraan; hebben we daar in de vorige eeuw zo hard voor gevochten? Er was een vrouwenfeest op het Amsterdam University College , een internationaal op bèta wetenschappen gericht ‘college’ (samenwerking van de VU en de UvA in Amsterdam). Het was een body-positivity feest waar topless kon worden feestgevierd. Alle remmingen los dus. Maar zonder mannen. Het feest was een initiatief van het feministisch comité van deze campus, waarmee blote borsten uit de seksuele context zouden worden gehaald. Uh? En Beyoncé dan? Zie haar nieuwe DVD ‘Lemonade’, hoe feministisch kun je zijn met je borsten in zicht en je lijf op volle sterkte. De moderne vrouw is toch juist stoer en sexy tegelijk? Bovendien, bloot slaat dood zei mijn moeder altijd. Tantes gaven de baby de blote borst, waartoe ze dit lichaamsdeel pontificaal uit hun bloemetjesjurk wipten. In de jaren ’70 van de vorige eeuw waren er zoveel blote borsten op de stranden dat de seksuele context geheel verloren ging. Ik bedoel maar. Wat bedoelen vrouwen eigenlijk? In de kledingmode beweegt de trend zich naar ruimvallend, bedekkend en casual, de pijamalook komt terug en zwempakken verdrijven de bikini’s. Onder invloed waarvan, of van wie? Ondertussen bewegen jonge meisjes zich navelvrij op school. Op alle scholen? Hoho zeker niet! Op het Kandinsky College in Nijmegen zijn ze alweer op de weg terug (of vooruit) en moeten de meisjes niet alleen hun buik inclusief navel bedekken, maar ook hun blote schouders! En dit ook tijdens de gymlessen, waar zij zich soepel leren bewegen, zodat ze misschien later wel ontdekt worden als showdanseres.

Misdaad en straf

Misdaad en straf.

Dit is de titel van het verhaal van Dostoyevsky, over Rodion Romanovich Raskolnikov, de man die bewust een moord pleegt om geld te stelen van een vrouw die in zijn ogen een ‘slecht mens’ is. Toegestaan dus. Ongelukkigerwijze wordt hij betrapt door een onschuldige lieve dienstbode. Deze gaat dan ook – letterlijk – voor de bijl, pech gehad, iets wat wij nu collateral damage noemen.

Later werd dit verhaal door een Christelijke vertaling voornamelijk bekend als ‘schuld en boete’. Met name de tweede moord drukt op het geweten van Raskolnikov, hij wordt geteisterd door schuldgevoelens. Een domme huisschilder heeft inmiddels – onder enige druk van de politie – de moorden bekend, maar Raskolnikov raakt ziek en verward door de stress en onder invloed van een heel lief arm onschuldig meisje (echte liefde) kiest hij voor ‘straf”. Zo komt hij terecht in Siberië, waar het onbaatzuchtige meisje hem volgt en dagelijks bezoekt (echte liefde). Zij opent uiteindelijk zijn ogen en zijn hart, waardoor hij zich boetvaardig bekeert tot God. Inderdaad een soort soap avant la lettre, maar fascinerend om te lezen.

Ik kom hierop omdat tijdens een diepgaand nachtelijk gesprek met twee jongere mensen die mij lief zijn, schuld en boete aan de orde kwamen. De jonge vrouw, inmiddels stevig getrouwd en rechtschapen duurzaam bezig, schakelde in de conversatie stapje voor stapje terug naar door mij onvermoede en door haar onverwerkte misstappen. Fouten, zo zei ze. Ho! Mijn credo is: een mens maakt nooit expres fouten. Alles wat je in je leven doet maakt je tot de mens die je bent. Je mag al je vroegere stappen en misstappen analyseren en ook beoordelen, maar nooit veroordelen. Laat staan dat een ander dit mag.

Tenzij … ja, tenzij iemand bewust, zoals Raskolnikov, een misdaad begaat. En zoals Raskolnikov zijn er velen, mensen die de grens tussen daad en misdaad zover opschuiven dat het eigenlijk wel ‘kan’. Weliswaar niet geheel correct, maar.. ach, het voelt niet meteen als misdaad, je hoeft jezelf niet te veroordelen.

Mijn geliefde prinses met wie ik die nacht in discussie was, had op jeugdige leeftijd veel dingen onderzocht in het leven, dingen waarvan ouders nachtmerries krijgen. Zij vond, achteraf, dat het ‘foute’ dingen waren. Zij kon zichzelf niet vergeven, zij schaamde zich, was kwaad op haar vroegere ‘zelf’ die ze het liefst wilde begraven. Uiteindelijk bleek in de diepte van ons gesprek dat de oorzaak lag in haar veranderde normbesef. Zij had dingen gedaan die voor een meisje weliswaar ‘gewaagd’ waren, maar in mijn ogen niet fout, of slecht zo je wilt. Het waren de jaren tachtig van de vorige eeuw. Andere normen. Zo kom ik terug op schuld en boete. Immers, wij (religie, opvoeders, machthebbers,cultuur) bepalen wat goed en slecht is, wie schuldig is en boete moet doen. Wie in Saoudie Arabië het koningshuis beledigt maakt kans op de doodstraf. Wie beul is van beroep zal zich niet schuldig voelen als hij een ander mens het leven beneemt. Laatst las ik in een dagblad een onderzoekje waaruit bleek dat de meeste mensen het oké vinden om terroristen te martelen als hiermee mogelijke terreurdaden (en onschuldige doden) worden voorkomen.

Terug naar mijn nachtelijk gesprek: als mens reis je door perioden in je leven waarin je gewoon doet wat je doet. De kring is de norm. In de jaren zestig en zeventig deed ik dingen die ik nu als ‘buitensporig’ zou betitelen, maar ik heb er geen spijt van. Mijn prinses heeft wel spijt. In de loop van haar leven kwam ze van wilde kringen in keurige kringen terecht. Religieuze kringen ook. Dan moet er een oplossing komen, vergeving is nodig. En liefst van de allerhoogste. Daarvoor is ooit de biecht uitgevonden (en natuurlijk voor de controle). Er is onderzoek gedaan naar de relatie tussen een hoog chronisch stressniveau en verzwakking van het immuunsysteem. Onvrede met jezelf, lijden aan gewetensnood, angst en onzekerheid onderdrukken immuniteit. Mensen worden als ‘t ware ziek van zichzelf.

Bij misdaad hoort straf, dat is duidelijk. Maar schuld en boete? Hoe schuldig ben je? Hoe fout deed je? Het vergt kracht om jezelf te vergeven. Want schuldgevoelens worden je aangepraat, of beter nog aangewreven. Je doet iets wat in de ogen van anderen fout is. Dit begint al in de kleutertijd.

De Paus zegt dat Donald Trump geen Christen is omdat hij muren wil bouwen inplaats van bruggen. Geen Christen? Trump lacht erom, maar ‘t moet bij een Republikein toch hard aankomen. Zou zelfs bij zijn kiezers tot schuldgevoelens kunnen leiden.

Worstelt ieder mens met schuldgevoelens? Men zegt van wel, de visie op eigen daden kan een last zijn waaronder mensen bezwijken. Anderszins is het verbazingwekkend hoe sommigen vrolijk verder dansen, glimlachend in het openbaar, glas in de hand, de dramatische daden achter de rug. Terwijl het volk sterft van de honger viert Mugabe zijn 92e verjaardag met een enorme slagroomtaart. En hoe zit het met de bankiers? Er zijn afgezwaaide soldaten die lijden onder trauma’s, terwijl anderen kiezen voor het vreemdelingenlegioen of voor IS. Een fundamentalistische strijder die een ongelovige doodt, krijgt de zegen van zijn God. Een lieve meid die in haar jeugd baldadig was zoekt de vergeving van haar God. De mensenwereld zit vreemd in elkaar, maar zo’n nachtelijk gesprek is op zijn tijd uitstekend.

Evenals trouwens de wijn die we erbij dronken.

Bevrijding in Bolsward, gezien door een zevenjarig Amsterdams jongetje.

De belangrijkste gebeurtenis was de terugtrekking van het Duitse leger. Daarover ging het die winter, de moffen die ik eigenlijk alleen in Amsterdam had gezien als ze door de straten marcheerden en wij er als jongetjes achteraan marcheerden, die waren ineens overal in Bolsward. Ze stonden op wacht bij het stadhuus en liepen met geweren door de hoofdstraat en iedereen was bang en we moesten thuis blijven. Mijn vriendinnetje Mettie kwam niet meer en wij mochten ook niet naar haar toe, naar de boerderij. Dus speelden mijn nichtje Siepke en ik vaak samen, zij was ineens aardiger tegen mij nu Mettie er niet meer was. Die winter leerde ik samen met Siepke alle geheime donkere hoeken van de zolder kennen, daar waar spinnenwebben in je haren bleven zitten. Op een dag was er iets heel ergs aan de hand en we werden als de donder naar beneden geroepen. Iedereen was in de keuken en praatte door elkaar. We moesten met z’n allen op de grond zitten. Oom Eele en Theo hadden de winkel leeg gehaald, de toonbank stond scheef tegen het raam en de glazen vitrine, waarin vroeger de koek en de taarten werden tentoongesteld, hadden ze naar de achterkamer gesleept. Er ging iets gebeuren, maar wij wisten niet wat. Het was in ieder geval gevaarlijk. Toen kwam die enorme klap, alsof het tien keer onweer was. De ruiten rinkelden en er viel zand en stof naar beneden vanaf het plafond in de keuken, tussen de houten balken vandaan. Na de klap volgde er nog een en toen nog een. Het was een vreselijk lawaai en in de verte hoorden we sirenes, van de brandweer of de politie. Verder leek het vreemd stil buiten, geen vogels, geen wind, geen geluid. De ogen van oom Eele keken nog boller dan anders en hij sloop naar de winkel en we hoorden de winkeldeur. Hij ging naar buiten! Er gebeurde niets. Het bleef stil, niemand zei iets, de stilte hing als stof om ons heen. Toen stonden Theo en tante Hieke op en gingen ook naar buiten en daarna Hennie en Eeke en tenslotte gingen Siepke en ik ook buiten kijken. De lucht was donker, het rook vreemd en het leek net alsof het regende, maar er was alleen stof. De stem van oom Eele was schor en hij spuugde toen hij het zei: ‘die ferflokte rotmoffen’. Zijn ogen bliksemden en hij klonk bozer dan ik ooit had gehoord. ‘Ferflokte rotmoffen!’
In de weken daarvoor hadden wij wel gemerkt dat alles anders was. Al die soldaten ineens overal en we gingen eten halen in een emmertje, bij het station van de stoomtram uit Staveren. Het park aan de overkant was afgesloten, het hek was dicht. We hoorden oom Eele de hele dag mopperen, ook omdat het tonnetje van het huuske niet werd opgehaald door de zwarte boot die elke week door de Kampen kwam varen. Die boot kwam niet meer. Het was oorlog geworden in Bolsward. In de keuken was het koud en de voorkamer en de achterkamer waren afgesloten en oom Eele speelde niet meer op het orgel. Wij kinderen mochten nog wel buiten spelen en op de dijk zagen we al die soldaten voorbij marcheren, maar zonder muziek. Het was lang niet zo mooi stampend in de maat als vroeger in Amsterdam, ze liepen eigenlijk meer te sjokken. Hun jassen waren smerig en ze hadden vieze laarzen en schoenen. Mijn nicht Eeke die veel ouder was, ik denk wel dertien, ging met ons mee om te kijken naar die lange stoet krakende karren die door magere paarden werden voort getrokken. Op de bok zaten soldaten, weggedoken in de kraag van hun grijze jassen. Zo schommelden ze voorbij, al die paardenkarren, huifkarren met soldaten en daartussen ronkende en stomende vrachtwagens. ‘Earmoedich alde soadsje’ zei Eeke. Ja een armoedig oud zootje, dat was het. Er waren ook hoge vrachtwagens met een rood kruis in een witte cirkel en wagens met loshangende gescheurde zeildoeken kappen en kleine auto’s met achter vier wielen en sommige met rupsbanden die over de keien ratelden. Dat ging maar door, er kwam geen eind aan. Elke dag als we gingen kijken op de dijk kwamen er weer nieuwe Duitsers voorbij, allemaal even somber en stil, met lege gezichten voor zich uit starend, heel anders dan de soldaten die in Bolsward nog steeds overal de wacht hielden. Die droegen glimmende laarzen en hadden mooie petten. Zij onderzochten huizen, trapten soms gewoon de voordeur open en bij het bolwerk hadden ze mannen van het verzet doodgeschoten. Voor die soldaten moest je oppassen, maar die anderen die in lange colonnes over de dijk kwamen zagen er niet gevaarlijk uit. Earmoedich, Eeke had gelijk.
Op de dag van de grote klap hadden de moffen de brug opgeblazen, die mooie grote ijzeren brug over het kanaal, waarover voorheen ook de stoomtram reed. Daarom rinkelden de ruiten en was er overal stof in de lucht. We vonden grote stukken ijzer achter op de binnenplaats en er zat een gat in het dak van de schuur waarin vroeger het deeg lag. Maar wat gaf het, oom Eele had al de hele winter geen koek meer gebakken, ook geen brood, helemaal niets.
Toen we later weer naar buiten mochten, waren er geen Duitsers meer in de stad. Nergens meer. Het was erg leeg op straat, alle mensen waren bij de brug die er niet meer was. Er stonden alleen nog halve pilaren, stukken steen met verbogen ijzer. Tante Hieke die was meegekomen aan de arm van Hennie, stond te huilen, haar ogen waren nog roder dan anders. Oom Eele herhaalde steeds maar hetzelfde; ‘ferflokte moffen, ferflokte rotmoffen’, alsof hij een gebed opzegde.
De oorlog was voorbij, maar wij wisten dat nog niet zeker. Het werd gezegd op straat, dat er vliegtuigen zouden komen die meel zouden gooien zodat de bakkerij weer brood kon bakken. En dat de Canadezen zouden komen en de Engelsen. Maar er gebeurde niets. Het bleef stil en leeg op straat. Soms hoorden we wel eens vliegtuigen heel ver weg, je kon ze niet zien en het gebrom kwam niet onze kant op. Het was een nare tijd, we mochten nergens naar toe, ook niet naar de boerderij van Mettie. Als we teveel lawaai maakten op zolder brulde oom Eele dat we stil moesten zijn. Het was geen tijd om te spelen, geen tijd om vrolijk te zijn. De winkel bleef dicht, met de toonbank scheef achter de etalageruit.
Later moest ik vaak denken aan wat Eeke had gezegd. ‘Earmoedich’, ja alles was ongetwijfeld in die laatste oorlogsjaren armoedig. Maar als kind van zeven is armoedig al spoedig normaal. Ik zag de dood voorbij marcheren, maar had nog een heel leven voor me; hinkende Duitse soldaten achter huifkarren met aftandse paarden en rokende trucks waren niet troosteloos, maar spannend, een groot avontuur. En het zou nog mooier worden als de Canadezen kwamen. Zoals beloofd.
En daar kwamen ze!
Ze kwamen over de dijk waar de Duitsers kortgeleden nog met hun armoedige paardenkarren waren vertrokken. Wat een leger. Ik stond tussen alle mensen van Boalsert te juichen en te roepen van hoera en welcome en die soldaten maar wuiven en lachen, ze zaten bovenop hun grote tanks en ze stonden in hoge groene vrachtwagens met platte stompe neuzen en één koplamp brandend. En er waren jeeps en kleine wagens met dubbele wielen en rupsbanden, en soldaten in leren jassen op motorfietsen, het ging maar door, eindeloos, en al die soldaten waren vrolijk en rookten sigaretten en gaven iedereen zomaar een hand. Ze reden over de tramrails van de stoomtram die allang niet meer had gereden, naar de Marktstraat en langs het stadhuus en ze stonden stil op de Markt om foto’s te maken met de meisjes met lange haren en overal stonden mensen en iedereen was blij en de mensen gooiden met bloemen en er hingen vlaggen aan het stadhuus, roodwitblauw met een oranje wimpel en verderop een grote Amerikaanse vlag, hoewel het Canadezen waren zoals werd gezegd. En daarna kwamen de Engelsen en de doedelzakspelers uit Schotland met hun geruite rokken en baretten en wij jongens liepen voor hen uit te dansen. Bij de brug die er niet meer was maakten ze een kampplaats en begonnen met de bouw van een noodbrug die ze over het kanaal schoven, stukje bij beetje tot ze aan de overkant waren. Dat heette een Baileybrug vertelden de grote jongens. Het leek net een lange kooi van ijzeren balken met een vloer van houten planken. In een dag was de brug klaar, misschien wel in een uur, het ging van huppekee en nog voordat het donker was en ik naar huis moest reden die grote tanks gewoon over de Baileybrug alsof het altijd zo geweest was. ’s Avonds had Eeke chocoladerepen en sigaretten. Ze kwam heel laat thuis en vertelde dat ze had meegereden op een tank, tot over de Baileybrug. De soldaten hadden haar opgetild, wat niet moeilijk was want zij was een scharminkel met dunne armen en benen, waarmee ze toch behoorlijk hard kon trappen en slaan. Mijn grote nicht Hennie had ook sigaretten van de soldaten gekregen, maar zij was niet op een tank of een vrachtwagen geklommen, zoals veel meisjes, die daar dan samen met de soldaten zaten te juichen en te zwaaien. Hennie was verloofd en ging trouwen met haar vriend die in Sneek woonde.
Sommige mensen stonden te zwaaien met roodwitblauwe en oranje vlaggetjes en we vroegen ons af waar ze die vandaan hadden gehaald. In het huis van oom Eele en tante Hieke waren geen vlaggetjes te vinden, ze hadden nog niet eens een vlag buiten aan de winkel. Nee nergens vlaggetjes, ook niet in het achtergedeelte achter het schot met de losse planken. Daar was een geheim kamertje waarin een bed stond, maar toen Siepke en ik het ontdekten sliep er niemand meer in dat kamertje. Het bed was kaal en het rook er muf.
Nederland was bevrijd. Maar in Amsterdam waren nog soldaten. Oom Eele las voor uit de krant, it Deiblêd de Ljouwerter (Leeuwarder Courant, die meteen na de oorlog weer verscheen), dat er in Amsterdam op de Dam mensen waren doodgeschoten toen ze dachten dat Nederland al bevrijd was van de moffen. Dat was een paar dagen nadat bij ons de brug was opgeblazen en alle Duitsers vertrokken waren. Ik kon nog niet naar huis, trouwens we wisten niet hoe dat moest want de oom die mij had gebracht was verdwenen en er reden geen auto’s of bussen of de stoomtram. Hoe moest je in vredesnaam helemaal naar Amsterdam komen. Ja op de fiets misschien, zoals mijn pappa dat had gedaan nog voordat ik naar Friesland ging. Maar we hadden in Boalsert ook geen fietsen, die waren door de Duitsers meegenomen, ja zelfs de bakkerskar van Theo hadden ze ingepikt. Niet erg, want er was op ’t eind toch geen brood meer om te venten, maar na de oorlog zou de oven weer worden opgestookt, had oom Eele gezegd.
‘Ja mantsje efter den oarloch gean wy wer koeke bakke, ja myn jong ja wis!’ Hij wist het zeker, de schuur achter op het plaatsje bij het huuske zou weer vol liggen met het deeg voor de kruidkoek. En ook de boot zou weer komen om ‘it tonnetje mei poep op te helje’, zoals hij beloofde. Dat was het grootste probleem geweest in de laatste oorlogsjaren. Eerst had Theo het tonnetje nog met de bakkerskar kunnen wegbrengen, om leeg te gooien in het land over het bruggetje bij de fruitbomen. Maar toen de bakkerskar er niet meer was leegden Theo en oom Eele het tonnetje ’s avonds voor de deur, in de Kampen. Ik liet er toen geen bootjes meer in varen en voor het polsstok springen gingen de jongens naar de Kleine Dijlakker. Er waren wedstrijden wie over de Grote Dijlakker kon springen. Ik mocht tot de zomer in Bolsward blijven, waar het park weer open was en het zwembad ook. Bij Mettie op de boerderij was veel veranderd, de stallen waren leeg en alle paarden waren weg, meegenomen door de moffen. Dat kwam wel weer goed zeiden ze, want ze kregen geld van Amerika. Mettie was ook veranderd, zij was mager en haar lange witte haar was afgeknipt en stond een beetje overeind en ze lachte niet meer zoals vroeger en stak ook haar tong niet uit. Het leek alsof ze verdrietig was en er een wolk tussen ons hing die alles mistig maakte, zelfs haar ogen waren niet meer zo blauw. Het was voorbij met de stoeipartijen. Ze kwam niet meer logeren op de Kampen en daarna moest ik weg, weer naar huis, naar Amsterdam en dan zou ik haar nooit meer zien. Ja, alles was veranderd na de oorlog.

Fragment uit het boek “Flarden” (nog onder constructie) van Christian Oerlemans.

Wie lacht niet.

Wie lacht niet
Die de mens beziet
Zoogdier zonder nut
Voortlevend in genot
Van dagelijks consumeren
Krampachtig bezig
Met vergarend bidden
Om voorspoed en geluk
De anderen niet gegund
Wie lacht niet
Als de bommen vallen
En autogekken voedsel
Pletten en fijnstof regent
In het oliebad op zee
Vriendenloterij miljoenen
Honger om de hoek
Reality en gouden kots
Amusement genoeg om
Veel te lachen totdat
De haarscheuren ontstaan
In menselijk bestaan van
Wat wij zien als positief
Beurskoersen en de groei
Ja blijven lachen als de
Hemel valt waarnaar in
Oude tijden smachtend
Werd verlangd omdat
Leven op een toevallige
Planeet geen reden gaf
Tot leukigheid die wij nu
Elektronisch omarmen
Denkend oneindigheid
Te hebben uitgevonden
Terwijl zelfs geen glimlach
Meer geoorloofd is als
Men de mens beziet.

Het komt voor.

Het komt voor
Dat duizend mensen
Stil zijn omdat
Één stem zingt
Als over de rivier
Het laatste licht
Verwaait langs oevers
Die geuren naar
Onwezenlijke verten
Met ogen dicht
Zijn klanken voelbaar
Omringd door beloften
Omarmen wij elkaar
Te midden van pleinen
Vol mensen die
Samen één moment
Stil gelukkig zijn
Terwijl één stem
Zingt.

1-1-2016 Lissabon

Zondagochtendgloren.

Badwater goed heet
Daarna de koude douche
Water zijn wij water water
Gonzend bonkt de pomp
Zo heftig dat ik weet
Ja ik leef tot in de vinger
Toppen van mijn denken
En buiten is de regen
En zij is ver zo ver weg
En heeft een lekke band
Mijn lijf is nat van leven
Met mijn ogen dicht
Zie ik kinderen en hard
Loopsters in zwart en rood
En wit hun spieren spannen
Naar de eindstreep tot
Verzuring en vermoeidheid
Hoe lang nog hoe lang
Ik houd mijn hart vast
De stilte suist oorverdovend
Voorbij – Ja dit is leven.

Kerst mis

Nu iedereen weer bezig is met de Kerstkaart, vraag ik mij af; hoe is dit zo uit de hand gelopen? Het schijnt dat in 1843 een Engelsman genaamd Sir Henry Cole voor het eerst een ‘Kerstkaart’ verstuurde, waarop een vrolijk gezin de glaasjes hief, met de tekst: “A Merry Christmas and a Happy New Year to You”. Ha, ja die tekst dus. Nog steeds populair. En afgezien van de miljarden Kerstkaarten, echt of virtueel, zijn we terechtgekomen in een complete Kerstgekte, waarin Coca Cola de leiding heeft en ijverig wordt nagevolgd door Grootkruideniers, Zoetwarenbakkers en Drankstokers. Televisiereclame in December is bloedroodgekleurd. Sinterklaas net weg of zijn opvolger Santa Claus zwaait al met de bel.
Verbijsterd kijk ik naar al die glitter en glimmer, naar melodrama, sentimentaliteit, dikke gezelligheid en hypocrisie op de buis. En al die versieringen, die lampjes, die verlichte tuinen en huizen, wat een opwarming zo vlak na het klimaatsucces in Parijs. En die mooie groene dennenbomen die in warme huiskamers staan te sterven, opgetooid met hemelse juwelen van Blokker en de Action.
Kerst moeten we vieren en dat mag wat kosten ook, elk jaar meer en nóg meer. Wat was Kerstmis ook al weer? O ja, het Midwinter zonnewendefeest met opgestookte vuren ter ere van God Odin, door ons ook Wodan genoemd. Feest van het Licht dat terugkeert en vooral in het Noorden voor opluchting zorgt, het Joelfeest, Jul in het Zweeds.
En in Finland rijdt Joulopukki in een slee getrokken door rendieren en deelt kadootjes uit. Hé, kennen we die? 200px-1864_VisitFromStNicholas_Prang
Ja maar Santa Claus is toch meer uit onze eigen Sinterklaas voortgekomen, overgevaren door de pilgrimfathers met de bijbehorende folklore, maar zonder zwarte piet.

De zonnewende werd in de tijd van Jezus al gevierd en niet Hij maar de Zonnegod werd vereerd; Ra of Helios of de Romeinse Sol Invictus. Omdat Jezus de brenger was van het Licht leek het handig om zijn verjaardag hiermee te laten samenvallen, wat in de 4e eeuw bedacht werd door Constantijn de Grote. Zo ontstond Kerstmis, het woord Kerst komt van Christus zoals we weten (werkwoord ‘kerstenen’). De ‘mis’ is Katholiek, vandaar dat protestanten liever spreken van Kerstfeest. Inmiddels denken we allemaal dat Hij geboren is op 25 december, in een stal met een ezel en een os. Deze dieren schijnen er ook bij bedacht te zijn in de 4e eeuw, hoewel het acceptabel is dat de zwangere Maria op een ezel werd vervoerd. Wat betreft de locatie rept de evangelist Lucas alleen van een voederbak, ofwel kribbe.

Goed, we vieren dus de geboorte van de Verlosser en de Brenger van het Licht. Dat kost een massa elektriciteit en zoals we weten levert de gloeilamp 10% licht en 90% warmte. Als je een Kerstengel bent en je kijkt vanuit den Hoge neer op aarde zie je héél véél licht, vooral met Kerstmis. Dat maakt Engelen en mensen blij, maar voordat je het weet smelt de Noordpool – en daar heeft Vader Kerstmis nou net zijn werkplaats. Dat gaat dus mis, ja kerst-mis.
Want hoe moet dat nou, moeten we straks sneeuw en ijs ook van plastic maken?

Rijst de bekende vraag: wat doen wij hier op aarde?
Antwoord: zoveel mogelijk consumeren, zodat we zoveel mogelijk kunnen produceren.
29156_kerstwensvreteopaarde
Wie maakte deze woordgrap ook alweer? Redelijk plat ja, maar stel dat je een buitenaardse bezoeker bent, of die Kerstengel van mijn part, en dat je afdaalt op aarde en televisie kijkt of nog erger verdwaalt op het internet, hoe denk je dan over de mens?
Redelijk plat ja.

Goed hoor ik je zeggen, wat moeten we dan? DeWereldDraaitDoor. De mensen ook. En de geldpersen. Twéé graden, dat is ons heilige doel geworden. Maar straks zitten we met 10 miljard consumenten, die gewoon doorgaan met leven en eten en drinken en lampen laten branden en rommel en ruzie maken. aarde-als-kaars

Misschien moeten we toch voor de zekerheid een serieus kaarsje opsteken met Kerst.

Beter nog, laten we alle lampen uit doen, al die versiering weg, gewoon gezellig met elkaar bij één kaars, één vlammetje. Een houtvuur mag ook. Dan een stuk brood, nou goed schapenkaas erbij, glas rode wijn want tenslotte dronk Hij dat ook. Wat geven we als cadeautje? Aandacht, meer hoeft niet. Dat lijkt toch meer op Zijn verjaardag, of niet soms? Als Jezus heeft bestaan, als hij de Messias is, of alleen maar een Profeet zoals de moslims zeggen, of alleen maar een Joodse leermeester met pech, als Hij eenvoud en soberheid predikte, hoe dan ook, áls we met Kerst iets in Zijn teken willen doen, dan is het toch niet brassen, slempen en de versierselen buiten hangen. Wel dan?

Zoals in de Thora staat heeft de mens de taak de aarde te onderhouden. Als iedereen daar nou eens deze Kerstmis mee begint. Dat is mijn Kerstwens voor mijn vrienden en eigenlijk voor de gehele mensheid.

Jerzy Kosinski

One day he trapped a large raven, whose wings he painted red, the breast green and the tail blue. When a flock of ravens appeared over our hut, he freed the painted bird. As soon as it joined the flock a desperate battle began. The changeling was attacked from all sides…
Inderdaad, uit ‘The painted bird’ van Jerzy Kosinsky, het boek waarvoor hij met de dood bedreigd werd door Poolse immigranten in Amerika, omdat hij een wrang beeld schetste van de domme, wrede en kortzichtige Poolse boeren tijdens WWII.
De geverfde vogel werd door zijn soortgenoten gruwelijk vermoord. Kosinsky koos deze metafoor, geïnspireerd door een toneelstuk van Aristophanes waarin de Griekse dramaturg vogels opvoert om menselijk gedrag aan de kaak te stellen op een onschuldige manier, in “a land of easy and fair rest, where man can sleep safely and grow feathers”(sic). Ik herlas het boek omdat het zo onbarmhartig vertelt hoe slecht, wreed, intolerant, afgunstig en mislukt de mens is. Als er een ‘schepper’ is, dan moet deze zich wel voor de kop slaan van spijt. Allemaal verzuipen, zoals tijdens de zondvloed, dat heeft niet geholpen. Als we allemaal afstammen van Noach, dan moet deze man wel erg slechte genen hebben gehad.
In Kosinki’s boek zien we de mens door de ogen van een jongetje van zes, met zwart haar en donkere ogen, in een botte wereld van boeren met blauwe ogen en blond haar. Een vluchteling. Een verschoppeling die regelmatig wordt geslagen, afgebeuld, verjaagd en seksueel misbruikt. Dat mag, omdat hij anders is. Als kind accepteert hij dit. Zo is de wereld nu eenmaal. Waar hij verschijnt wendt men de ogen af, een zigeuner, kind van de duivel, daar laat men de honden op los. Maar het kind weet zich te handhaven, vindt steeds weer in een dorp een ‘beschermheer’ waarvoor hij slavenarbeid verricht en zo overleeft hij de oorlog. Dan is hij 11 en nog vrijwel even groot als toen hij 6 was. Hij is inmiddels zijn stem kwijtgeraakt (kan dus niet meer gillen of protesteren of door verbale communicatie bewijzen dat hij ook een mens is) en komt terecht in een weeshuis voor verloren kinderen. Zijn grote vriend wordt een wat oudere jongen die ‘de stille’ wordt genoemd omdat hij nimmer een woord zegt. Terwijl goedwillende zorgverleners voor de onhandelbare kinderen ouders zoeken, of gewoon maar een thuis, zwerven deze op straat in het oorlogsmanke Warschau. Op een dag gooit de jongen op de markt (waar ze voedsel stelen) per ongeluk een groentekar om en wordt door de marktkoopman volledig in elkaar geslagen zodat hij dagenlang niet rechtop kan lopen. De marktkooplui komen ’s ochtends met hun koopwaar uit de omgeving. Met de trein. Over hetzelfde spoor waarover de transporten met ongewenste mensen naar de vernietigingskampen hebben gereden. Er is een oude wissel, niet meer in gebruik, waar de rails afbuigt naar een ingestorte brug over de rivier. Op een nacht zetten de jongens – een idee van ’de stille’ – de wissel om en wachten af. In de vroege ochtend komt de trein volgeladen met boeren kooplui voor de markt. In een apocalyptische scene ontspoort de trein en de locomotief sleurt de wagons mee de rivier in. Hoe ontredderd, teleurgesteld en boos zijn de jongens als later blijkt dat ‘hun’ marktkoopman gewoon ongedeerd op de markt blijkt te staan. Alles voor niets geweest. Het misvormde denken van kinderen, door verkeerde voorbeelden, door pijn en straf en kansloosheid, waar kennen we dit van? En later, als beide ouders van het jongetje nog blijken te leven. Met tegenzin komt hij in een gezin waarin nog een broertje blijkt te bestaan van 4 jaar. Dit broertje irriteert hem mateloos, dus draait hij de kleuter een armpje om tot het krak zegt. Zonder enige wroeging of spijt. Moeten we het kind hierom veroordelen?
Het is een boek van deze tijd, hoewel geschreven in de jaren ’70. Met de stromen vluchtelingen op mijn netvlies en de recente waanzin in Parijs heb ik ‘The painted bird’ weer uit de boekenkast getrokken. Mijn God, zo die al bestaat, wat een hopeloosheid. Het jongetje leert bidden en er wordt hem verteld dat hoe meer je bidt hoe meer ‘days of indulgence’ je zult bekomen. Hij bidt en bidt, blijft er nachten voor wakker. Maar op een dag vraagt hij zich af waarom God niet alle mensen blond haar en blauwe ogen geeft, dat zou het probleem immers oplossen; iedereen ‘days of indulgence’. In de huidige tijd zou je willen bidden dat God iedereen zwart maakte, zoals we van oorsprong allemaal zwart geweest zijn, omdat de moderne mens, volgens DNA-onderzoek, ongeveer 200.000 jaar geleden ontstaan is in Afrika. Pas 40.000 jaar geleden kwamen de eerste vluchtelingen naar Europa. De mens is zich als primaat meer en meer gaan onderscheiden van andere zoogdieren door intelligentie, door geestelijk bewustzijn. Dat heeft de soort twee dingen gebracht: uitvindingen – zoals bijvoorbeeld de Kalashnikov en de atoombom – en Goden. En daarmee is het vreselijk misgegaan. Want met een God als back-up kun je zonder wroeging of spijt de wapens opnemen. Er staan immers genoeg aanwijzingen en voorbeelden in de heilige geschriften. Dood aan de anderen. Aan de anders gekleurden, aan de geverfde vogels.
Ja, ik zou zeggen, allemaal Jerzy Kosinsky nog eens uit de boekenkast pakken.