Schrijven

Uitgelicht

Al die handelingen die je verricht voordat je eindelijk eens een keer gaat schrijven.
Ik bedoel; je bent van plan te gaan schrijven als je opstaat, maar er komt iets tussen.
Eerst koffie, uiteraard. Dan ligt daar de krant, ja die moet je even inkijken. Stel je hebt een huisdier, dan moet die ook aandacht hebben natuurlijk. Bovendien begint je vrouw een gesprek over een lekkende dakgoot of ander huiselijk ongemak, net op het moment dat je op weg bent naar je schrijfkamer. Stel dat je een vrouw hebt. Of een schrijfkamer.
’s Nachts in bed, als je toevallig midden in de nacht wakker wordt, concipieer je een prachtig verhaal in je hoofd. Je zou eigenlijk moeten opstaan en meteen aan de computer. Schrijven. Nu het nog vers is. In het beste geval krabbel je een paar onleesbare notities op de bloknoot die je als schrijver altijd naast je bed hebt. Vanwege de invallen. Die de volgende ochtend onbruikbaar blijken. Hoe dan ook, in het beste geval lukt het je in de loop van de ochtend je computer te bereiken en de map ‘schrijven’ te openen. Dit is gevaarlijk, want voor je het weet zit je verdiept in oude verhalen die je al hebt geschreven. En als je niet oppast ga je die zitten verbeteren en dat moet je gewoon niet doen, want je vond het al goed toen het na veel gezwoeg en verbeter en geschrap en geschaaf eindelijk af was. Afblijven dus. Gelukkig hebben we e-mail, dus daar kun je even afleiding zoeken.
Al gauw zit je via Google ergens op het internet om – zoals je jezelf verklaart – materiaal te vinden voor je verhaal, voor het boek dat ook nog geschreven moet worden. Dan is er nog Facebook en LinkedIn. Niet doen. Allemaal onzin voor mensen die niks anders te doen hebben. Jij hebt het te druk, je moet schrijven. Dus terug naar het nieuwe word-document. Natuurlijk doe je dat, ja zeg je laat een daar een beetje afleiden. Schrijven is focussen. Goed, je weet waar het verhaal over gaat want het zeurt al dagen, soms zelfs weken door je kop. Maar de éérste zin, daar gaat het om, die eerste zin is beslissend. De titel kun je later nog wel eens bedenken, maar die eerste zin heb je nodig om meteen zelf in het verhaal te glijden als ’t ware. Na een goeie eerste zin schrijft het verhaal zich vanzelf. Zo’n zin komt natuurlijk niet meteen. Het is handig om alvast maar een kopregel te tikken, maakt niet uit, kun je later nog veranderen. Gewoon spontaan een kopregel schrijven, dat helpt vaak. Maar het probleem is dat de maag nu knort en ineens heb je een onvoorstelbare trek in koffie. Er moet dus koffie worden gemaakt anders kun je niet verder. En dan meteen maar iets erbij eten. Boterhammetje maken en de kasten doorzoeken naar zoete koek, hoewel je nog lang niet toe bent aan een beloning. Terug achter je computer schrik je toch wel een beetje dat de tijd zo snel vervliegt. Het is al weer dik in de middag en nog geen letter op papier – bij wijze van spreken. Buiten waait het. Als er maar niks omwaait. Misschien moet je even een rondje om het huis maken om te zien of alles oké is buiten. Ja alles is oké. Een waterig zonnetje breekt door. Nu moet er toch echt geschreven worden anders is het voor je het weet weer etenstijd en als het televisiejournaal eenmaal begint dan komt er van schrijven niet veel meer. Want wie weet is er wel een goeie film of een boeiend programma op de VPRO. Zoals andere tijden.
Andere tijden… toen schrijven nog makkelijk was

In Huis

Ik zit in huis
en staar vooruit
hoewel er
weinig wenkt
of niets wellicht
of iets dat wij
niet weten.
Ik staar vooruit
en voel hoe alles
achteruit gaat
terwijl ik staar
vervaagt mijn
verleden zie ik
mijn toekomst
kleiner worden.

Maart 2020

Die jongen

Ik zou willen vluchten
uit mijzelf
weg uit dat pijnlijke lijf
dat niet vooruit wil
en mij tegenwerkt
in dagelijks doen.
Ik zou weer de gezonde
jongen willen zijn
en met jou dansen
op een plein ver weg
en samen klimmen
over hoge bergen
waarachter leven licht is
o mag ik weer
die jongen zijn
betoverd door jouw
lichtvoetigheid en
lieve lach voor
dag en nacht.

Mei 2020 – Christian

Als de nood het hoogst is.

15 maart 2020.
Ja de nood stijgt. Op mijn leeftijd met bovendien prostaatkanker moet ik mij zorgen maken. Maar, zoals mijn vader zei; ‘we hebben wel voor hetere vuren gestaan’. ‘Vriezen we dood, dan vriezen we dood’ hoor ik mijn moeder zeggen. En; ‘zo’n vaart zal het niet lopen…’
Wij mensen hebben een hoofd vol spreuken en over het algemeen zit er veel waarheid in. Maar als een besmettelijk virus onze leefwereld ontregelt worden we bang, spreuken worden bezweringen en het geloof in onszelf, in onze kennis, onze wetenschap wordt her en der ondermijnd door nep nieuws en panische berichten. De Goden worden van stal gehaald, Satan leeft weer op.
Om op mijn vader terug te komen, hij was een afvallige Katholiek en in zekere zin een fatalist. Hij was beslist geen volgeling van Calvijn, maar had zich voor eigen gemak diens leer over lotsbestemming min of meer eigen gemaakt. Hij overleed op vierenveertigjarige leeftijd, niet aan een virus, maar aan kanker. Hij was toen zeventien jaar chronisch ziek geweest, zeventien extra jaren, aanzienlijk meer jaren dan de artsen hadden verwacht.
Het geloof in oplossingen, in redding als het ware, heb ik geërfd van mijn vader. Ik leef al acht jaar met prostaatkanker (waarschijnlijk al veel langer) en ga die zeventien jaar evenaren. Dan haal ik de honderd.

Vele malen in mijn leven heb ik op de rand van de afgrond gestaan, soms zelfs letterlijk. Ik had als kind honderd keer kunnen verdrinken, uit de dakgoot of een boom kunnen vallen, aan de mazelen kunnen sterven. Ging altijd goed. In 1969 begon ik een eigen bedrijf, in hetzelfde jaar belandde ik in het ziekenhuis voor een pittige operatie en in 1971 was ik bijna failliet met privé een ton schuld aan de bank (was toen erg veel geld). Daarna kregen we in 1973 de oliecrisis over ons heen. Maar; toen de nood het hoogst was wisten we een kanjer van een klant binnen te halen, niet door toeval of met hulp van buitenaardse krachten, maar door hard werken en veel geloof in onszelf, geloof in onze briljante ideeën.

Zo heb ik er nog wel een paar, maar geloven in jezelf – en in de onvermoede krachten in de mens – vind ik vooral nog dagelijks terug in mijn redding in 1959.
Met mijn vriend, de fotograaf Cees Lantzendörfer, was ik in een oude Citroën op weg naar de Noordkaap*. We probeerden te leven van de reisverhalen die we maakten. Helaas lukte het maar één keer om een verhaal geplaatst te krijgen, in het gereformeerde weekblad ‘de Spiegel’. Vijfentwintig gulden verdiend, maar daar hadden we niets aan, want niemand kwam het geld brengen naar Noord Zweden. We leefden van donaties, maaltijden van aardige mensen en kronen die we in Stockholm hadden verdiend met bordenwassen. En we reden op gestolen benzine die we met een tuinslang uit dikke Volvo’s zogen. Totdat we ergens in midden Zweden gepakt werden en een paar dagen in de politiecel terecht kwamen, waar het bed okee was en het eten prima. Wegens gebrek aan bewijs en onze bevriende relaties met beroemde mensen die we onderweg waren tegengekomen – zoal de schrijver Albert Viksten – mochten wij de comfortabele cellen en goede verzorging verlaten.

De laatste druppels gestolen benzine brachten ons tot nabij de ertsmijnen van Kiruna. We parkeerden noodgedwongen in de steppe, op het armzalige gras tussen kromgetrokken struiken. Aan de horizon lag het stadje Kiruna, maar redelijk dichtbij waren de mijnen waar wij wilden gaan werken. Na een doorwaakte nacht, bij ons traditionele kampvuur genietend van de laatste oploskoffie, vervoegden wij ons in alle vroegte bij het kantoor van de ertsmijnen. De receptioniste ontving ons vriendelijk, ondanks onze onverzorgde kleding en ongeschoren hoofden. In afwachting van het sollicitatiegesprek zaten we heerlijk in de royale ontvangstruimte. Na een kwartiertje verscheen een heer die ons enigszins meewarig en toch met sympathie meedeelde dat wij niet gekwalificeerd waren voor mijnwerk. Maar als wij wilden, konden we een rondleiding krijgen. Daaraan hadden we geen behoefte op dat moment, we hadden liever iets te eten gehad.
Terug bij ons kampvuur besloten we de volgende ochtend vroeg op weg te gaan naar de stad, zo’n tien kilometer lopen. We probeerden wat te slapen in de auto, waarin we de stoelen veranderd hadden in bedden. De chauffeur zat als ’t ware op de rand van zijn bed, terwijl de bijrijder ernaast (meestal) lag te slapen.

Om vier uur vertrokken we. De zon scheen. Die scheen trouwens dag en nacht, daar boven de poolcirkel. Het beloofde een mooie dag te worden en wij waren vol vertrouwen. In Kiruna bezochten we eerst een konditorei waar we werden aangegaapt door plaatselijke koffiedrinker/sters. Helaas wist niemand een baantje voor ons. Wel kregen we gratis koffie. Daarna bezochten we die dag het volledige midden- en kleinbedrijf van de stad, zonder succes. Het Standard Hotel -enige hotel van de stad – beloofde ons werk tijdens de komende zomerfeesten, maar die waren nog ver weg en we hadden actuele honger.
Terug bij de auto maakten we maar weer een kampvuurtje om oploskoffie te bereiden. Ojee, water was ook op. Met onze plastic waterfles liep ik naar de kleine villawijk nabij het mijnbouwkantoor. Ik belde aan bij de eerste de beste luxe voordeur. Die ging een kiertje open en een vrouw keek mij geschrokken en wat angstig aan. Ik toonde de waterfles en legde uit dat wij in de buurt kampeerden en dorst hadden (over honger sprak ik maar niet). Zij nam de fles aan en sloot de deur weer zorgvuldig. Gelukkig kwam zij even later terug om mij de gevulde fles -via de kier- te overhandigen.
Een uurtje later zaten wij bij het kampvuur aan de oploskoffie. Niet eenvoudig trouwens om in de steppe een vuur te maken want er is weinig hout voorradig en alles is vochtig. Tot onze verrassing kwam er een grote Volvo aanrijden. Hij parkeerde in onze nabijheid, langs de weg. Een grote man en een jongetje stapten uit en bleven op een afstandje naar ons staan kijken. Gastvrij als wij waren, wenkten we hen, wijzend op de oploskoffie in het steelpannetje. Enigszins schoorvoetend kwamen ze naar ons toe. Nee, ze wilden geen koffie, ze wilden weten wie wij waren en wat we daar in die steppe kwamen doen. Wij legden uit dat we werk zochten in de mijnbouw en dat wij journalistieke producties maakten en op weg waren naar de Noordkaap. De man scheen ons te geloven, maar we hadden al vaker meegemaakt dat mensen ons geloofden, ondanks de ongeloofwaardigheid van ons verhaal en onze aanwezigheid. Hij vertrok met zijn zoontje. Daar zaten we weer. Vuur nog maar even aangeblazen en de laatste koffie uit het steelpannetje geschonken.

Na ongeveer een uurtje, het liep al tegen tienen, verscheen de Volvo weer. De man die mijningenieur was zoals wij intussen wisten had een vriend bij zich die hij introduceerde als de hoofdcommissaris van politie. Ojee. Was ons strafblad reeds tot hier doorgedrongen? Nee gelukkig. De politiecommissaris ging ons een werkvergunning bezorgen, zodat de ingenieur ons aan werk kon helpen. Met een flinke vaart reden we naar het politiebureau in Kiruna waar we met een pennenstreek werden gemachtigd om te werken. Tegelijkertijd voerde de ingenieur een nogal autoritair klinkend gesprek waarbij hij zo te horen veel overtuigingskracht nodig had. Toen hij de telefoon neerlegde verklaarde hij dat we de volgende ochtend om acht uur in Kiruna verwacht werden bij een bedrijf dat ijzeren constructies bouwde voor de mijnen. Het salaris per week viel niet tegen, sterker nog, zoveel hadden we met bordenwassen nog nooit verdiend.
We werden teruggebracht naar ons kampement, waar we een feestje bouwden met een kampvuurtje en de laatste restjes oploskoffie. Mijn vriend had zelfs nog een restje shag dat hij met mij deelde.
Wat waren we gelukkig. Binnenkort zouden we te eten hebben en konden we zelfs echte sigaretten en tabak kopen, zodat ik niet langer gedroogd gras in mijn pijp hoefde te roken.

Als de nood het hoogst is…. jawel, maar redding komt nooit van buiten of van boven. Redding komt uit onszelf. Zelfredding heeft de mens vooruit geholpen en tot het machtigste dier op aarde gemaakt. Heb vertrouwen, ook in barre tijden. We kunnen het, omdat we kunnen samenwerken, omdat saamhorigheid opbloeit als de nood het hoogst is.

* ‘Op weg naar de Noordkaap’ is de titel van het boek dat ik schreef over deze reis, verkrijgbaar via internet of bij de boekhandel.

De Moerman Vereniging voor Gelovigen.

Wie kanker heeft kent ongetwijfeld de naam Moerman en wellicht ook de Vereniging die zo heet, maar zichzelf kortweg MMV noemt, wellicht omdat de naam Moerman niet altijd bij iedereen positieve gevoelens oproept. Over de inhoudelijke ongenuanceerdheid van het tijdschrift en de beleefdheidsnormen van de Vereniging, waarvan ik al vele jaren lid ben, wil ik het even met u hebben. Maar eerst een korte inleiding om mijzelf te introduceren.

In het jaar 2002 werd in het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis vastgesteld dat ik een tumor had, een zogenaamde wekedelen sarcoma. Deze tumor had ik al jaren, zichtbaar groeiend in mijn rechterwang. Door de behandelende professor in het AMC in Amsterdam was dit groeisel ooit ‘lichaamseigen weefsel’ genoemd, waarover ik mij geen zorgen diende te maken. Een biopt had geen positieve resultaten opgeleverd, evenmin trouwens als de poging om het weefsel weg te snijden. Het bleef gewoon langzaam doorgroeien. Uiteindelijk, na zorgelijke jaren, bevestigde een KNO professor in het AvL dat de biopt bij nadere bestudering wel degelijk positief was.
Ik had dus kanker en werd lid van de Moerman Vereniging, omdat ik na bestudering van zijn werk denk dat hij gelijk had; kanker en voeding hangen samen. Sinds die tijd eet ik dus gezond en de sarcoom houdt zich rustig.

In 2012 werd vervolgens prostaatkanker gediagnosticeerd en ik verzeilde wederom in het AvL. Ik schreef er een boekje over, getiteld ‘MANNEN je sluipmoordenaar heet testosteron’. Dit boekje is her en der besproken en via boekhandel en internet verkrijgbaar en het ligt zelfs in de bibliotheek van het AvL, omdat de hoogste uroloog, professor Simon Horenblas, het voorwoord schreef. Met deze inleiding wil ik even beklemtonen dat ik een ervaringsdeskundige ben en nog steeds het AvL frequenteer.

Nu dan het MMV. Van deze vereniging ben ik nog steeds lid, zij het met groeiende tegenzin. Over die tegenzin wil ik het hebben, om lotgenoten enigszins te waarschuwen. Want, hoewel er in het MMV-tijdschrift genaamd ‘Uitzicht’ vaak heel aardige informatie staat, zeker over voeding, blijkt het toch een blad dat alleen geschreven wordt voor – en door – gelovigen. Fundamentalisten zou ik zelfs willen zeggen. Dit blad, dat er na een restyling vreselijk uitziet qua typografie en lay-out (ik zeg dit als professional), loopt over van gepreek voor eigen parochie. De website, hoewel minder lelijk van uiterlijk,is ook in dezelfde ‘gevaarlijke’ toonzetting geschreven. Ik citeer even: “Bent u kankerpatiënt? Dan is de Moermantherapie een echte aanrader. Die helpt u bij de genezing én overleving, zo wijst de ervaring van ontelbare patiënten uit”. .
Ik zei het al, het doet denken aan fundamentalisme waarbij geen ruimte is voor een ander geluid of een ander geloof. De mensen die hun verhaal vertellen over hun ‘strijd’ tegen kanker hebben een gemeenschappelijk profiel, dat beelden oproept van blote voeten in sandalen. De reguliere geneeskunst wordt vaak hinderlijk weggezet in de hoek van onkunde en gebrek aan inzicht. Voor een deel terecht, geef ik toe, omdat protocollen hier vaak prevaleren boven voortschrijdend geloof in andere opties en (toegevoegde) alternatieve therapie.
Als lid van de Vereniging en kanker hebbend erger ik mij – zoals u inmiddels begrijpt – aan de veelal ongenuanceerde verhalen met kopregels als “mijn moeder overleefde veertig jaar met Moermantherapie”. Of “Toen zij was gestopt met chemo, herstelde ze”. Of “Na drie maanden was er geen kankercel meer te bekennen”.
Als u meer van dit soort wat brallerige kopregels wilt zien verwijs ik naar de website onder het kopje ‘ervaringen’.
Kunt u zich voorstellen dat reguliere artsen de rillingen krijgen als ze dit blad zien? Ik noemde het gevaarlijk en dat is het ook, net zo gevaarlijk als een kliniek in Duitsland.
Het is jammer dat MMV niet meer toenadering zoekt tot de reguliere geneeskunde en zich integendeel blijft afzetten. Het is een beetje een rancuneus tijdschrift, als ik het zo mag noemen. Nog steeds zijn de Moerman adepten boos dat hun heilige zo respectloos is behandeld door de universitair geschoolden.
Tot slot waarom ook ik boos ben en daardoor tot dit stuk gekomen ben:
Twéé keer heb ik een artikel aangeboden aan het blad met de toevoeging dat het misschien goed is om de leden ook eens een ander verhaal te laten lezen, met meer kritische noten erin, humor ook, afstandelijkheid en – ja – tevens de verbetenheid waarmee een kankerpatiënt zijn ziekte te lijf gaat. Ik ben schrijver, het is mijn vak en mijn boekje over prostaatkanker wordt bijvoorbeeld goed gelezen en positief beoordeeld, vooral ook door de relativering die ik betracht.
Relativering is MMV vreemd. Als je niet overduidelijk tot hun geloofsrichting behoort, krijg je op je emails niet eens antwoord van hoofdredacteur van Groningen. Niet na toezending van je verhaal, niet na toezending van een herinnering, nee gewoon helemaal geen antwoord. Zelfs niet een beleefd berichtje in de trant van ‘helaas is uw verhaal niet geschikt voor ons blad’..Dat zou ik mij nog kunnen voorstellen. Maar nee, MMV is onbeleefd om niet te zeggen…
Enfin, ik zei het al, fundamentalisten. We zien hier weer de gevaarlijke tegenstelling tussen Geloof en Wetenschap in een blad dat beter “Inzicht” zou kunnen heten, want daaraan ontbreekt het de MMV-ers nogal.

Christian Oerlemans
www.christian-oerlemans.net
www.extaze.nl

Dromen waar maken

Dromen waarmaken.

Terwijl ik op mijn computer met alle geweld een ‘.esp’ bestand wil openen – niet omdat het nodig is, maar omdat ik het wil – loopt de boel vast en dus besluit ik een pauze in te lassen. De pc is een soort magneet, als ik er eenmaal achter zit blijf ik plakken. En als ik me losruk, ga ik op mijn telefoon mijn email checken. Enfin, een pauze dus.
In onze woonruimte luistert niemand naar classic fm (we zijn altijd in de werkruimte), maar desalniettemin wordt de zender elke ochtend trouw ingeschakeld. Het repeteerkanaal van populair klassiek. Onbewust tijdens ontbijt, koffie halen, broodje maken, krant kijken, pauze houden hoor je de nummers natuurlijk honderdmaal voorbij komen en voor je het weet fluit je ze mee. Zo hoorde ik alweer Tchaikovski’s pianoconcert nummer 1. Volgens mij ook nummer 1 in de toptien van populair en meest verknoeid, verminkt, vercommercialiseerd. Zo kom ik op voetbal. Champions Leage muziek. En natuurlijk Messi, want dat is toch wel de gedroomde voetballer. Elk voetballertje droomt ervan om Messi te worden.
Barcelona, Spanje dus. Als we het over piano hebben denk ik aan de jeugdige (19 jaar) pianiste Rosalia Gómez Lashera. Graag zet ik haar naast Messi, Rosalia naast Lionel. Zij is weliswaar minder bekend, verdient minder geld, maar zij won wel de eerste prijs van de Youth Piano Foundation(YPF) in 2013. Nu vraag ik u, wie maakt de meeste trainingsuren, Rosalia of Lionel?
Terug naar de piano. Als ik mooie pianomuziek hoor denk ik aan Kees de Jongen die onder het raam staat, pianomuziek hoort en dan droomt dat hij een beroemde pianist is. Zomaar ineens, zonder enige oefening gewoon zíjn wie je wenst te zijn. Is dat niet waarvan ieder mens stiekem wel eens droomt? De beste voetballer van de wereld zijn, of de beste pianist of gewoon maar rijk, of beroemd. Of leuk, of populair, kortom dat jouw droom ineens waar wordt gemaakt. Door een toverstafje, een engel of god misschien. (Dit laatste als we bidden vergelijken met dromen). Vissermanneke Piggelmee die met zijn vrouwtje in een Keulse Pot op het strand woonde, kreeg ooit de kans via een vis (Christelijke symboliek?) die zijn wensen vervulde. Maar helaas, zijn vrouwtje wilde meer en beter en hoger en tenslotte wenste zij koningin, paus en zelfs god te worden. De straf was dat zij beiden terug in de Keulse Pot moesten.
Een tijdje geleden las ik dat jeugdige voetballertjes bij een onbekende amateurclub in Brabant gescout worden door topclubs. Mannekes van vijf, zes jaar oud. Jong? Ja, maar op die leeftijd kan de kenner al zien of er talent in zit, qua motoriek, reactiesnelheid, coördinatie, gevoel voor de bal. Ditzelfde geldt voor andere sporten. En voor muziek natuurlijk, hoewel gevoel voor de bal dan niet nodig is. Die kinderen met talent verrichten enorme trainingsarbeid, elke dag uren oefenen, honderd keer hetzelfde doen. Je moet er niet aan denken, maar in dit voorbeeld vroeg de reporter aan twee van die voetballertjes die door Feyenoord waren gescout en twee keer in de week mochten (moesten) komen trainen in Rotterdam, of ze dit niet vermoeiend vonden. Haha. Ze vonden het geweldig! Dat is het bijzondere: kinderen (mensen) met talent hebben nooit een hekel aan trainen, want zowel hun lichaam als hun geest wil niets anders. Daarom heeft het geen zin om te dromen dat je zomaar aan de top komt. Als je iemand moeiteloos pianoconcert nummer 1 van Tchaikovski ziet spelen, vergeet je dat er heel veel training aan vooraf is gegaan. Hoe moeitelozer het eruit ziet, hoe meer je dit vergeet. Ik wil maar zeggen, het heeft geen zin om je suf te oefenen als je geen talent hebt. Een kind dat op zesjarige leeftijd geen balgevoel en scoringsdrift heeft, wordt nooit een Memphis (en gaat dus ook geen 6 miljoen per jaar verdienen). Zelfs niet als de ouders daar alles voor over hebben. Zoals de moeder die in gememoreerd verhaal over voetbalkleuters een wenstekst op haar T-shirt droeg: ‘ik ben de moeder van een topvoetballer’. Arm kind. Het omgekeerde komt ook voor; ouders die er absoluut geen zin in hebben om hun kleuters van hot naar her te brengen voor trainingen, lessen en concoursen, uitvoeringen, wedstrijden. Zo gaat veel talent verloren. Zo kunnen niet waargemaakte dromen ontaarden in nachtmerries.

30 Dagen in een camper.

Dertig dagen in een camper.

Ruim zestig jaar geleden heb ik voor het laatst gekampeerd. In een zogenaamd sheltertje. Mijn vriend en ik fietsten naar Bouillon omdat we het kasteel van ridder Godfried wel eens wilden zien. Een tegenvaller. Maar in de buurt woonde een penfriend van een nichtje, dus die gingen we gedag zeggen. Zaterdagmiddag, niemand thuis. Maar geen probleem, er was een ruime tuin met grasveld en wij hadden immers ons sheltertje. De bewoners keken er wel van op, twee jongens in een tent in hun achtertuin. Maar het bleken prima Belgen. We kregen te eten, mochten zelfs in bad – een duo ligbad – en we kregen een bed toegewezen. Op zondag gingen we na het ontbijt wandelen in het park, met de penfriend – een mollig meisje – en haar vriendelijke ouders. Zij in Zondagse kledij, wij fris gewassen in de korte broek. Waarom kom ik hierop? Omdat we in een camper zitten, tijdelijk, wegens de verbouwingen aan onze nieuwe woning in Zaltbommel. Het woord nieuw heeft betrekking op onze emotie. Het pand staat er al sinds de zestiende eeuw. Wij kamperen dus, of liever gezegd, wij camperen op de camping in een dorp genaamd Bruchem. Onze buurman zit bij goed weer voor zijn huisje dat hij zelf heeft verbouwd tot een soort mini villa. Door privé omstandigheden verzeilde hij hier vijfentwintig jaar geleden. Hij huurde een kampeerhuisje, niet voor de vakantie, maar als tijdelijke oplossing voor zijn woon- en andere problemen. Nooit meer weggegaan. Nu heeft hij zonnebloemen van drie meter hoog in zijn tuintje. Er zijn nog andere permanente bewoners, zoals een lange man die overloopt van vriendelijkheid en je al gedag zegt voordat hij je heeft gezien. Voorts de half permanenten die van april tot oktober in een caravan wonen met ervoor een driedubbele tent met voorzeil en televisie schotel. En omdat we in de Bommelerwaard zijn, worden alle vakantiehuisjes op deze camping- drieëndertig– bezet door Polen. Ze schijnen goed te verdienen in de glastuinbouw, als je hun inkomsten afmeet aan de BMW’s en Audi’s op het parkeerterrein. Die Polen zijn er de oorzaak van dat wij in een camper zitten. Nergens onderdak te krijgen in de buurt van Zaltbommel. Gelukkig hebben we een schoondochter die groot geworden is met kamperen en dus over een camper beschikt. Een grote. Menige camperbezitter heeft afgunstig staan kijken naar de tandemassen waarop wij bivakkeren. Dubbele assen meneer, hoe groot is uw camper? De mijne is toch wel zes meter, maar die van u… acht meter misschien? Dan lach ik bescheiden. Tenslotte ben ik de eigenaar niet en is het formaat niet gerelateerd aan mijn persoonlijkheid.
Dat redden jullie nooit, zei mijn schoondochter, jullie zijn luxe gewend. Ha, we hebben storm en regen getrotseerd, we lopen met ons badtasje naar de douche (die soms bezet is). Voor 50 cent weer fris en haren ook gewassen. Willemine doet de was in de wasmachine, de enige op deze camping. Op zondag vanaf acht uur ’s ochtends bezet door Polen. Willemine heeft dus geleerd om op maandag te wassen – maandag wasdag nietwaar. Helaas geen strijkijzer voorradig, dus mijn shirts zijn wat kreukelig. ‘Heb je al campingslippers?’ vroeg een vriend telefonisch. Ja, de eerste dag meteen gekocht, 15 euro, van die blauwe. Willemine wilde dit prototype niet en kocht modieuze badslippers die moeilijk droog worden. Ook meteen de eerste dag gekocht: badjassen bij de Hema en heerlijke pantoffels met rubber zolen waarop je ook buiten kunt lopen. Buiten is het gras. Meestal nat.
Met de waterslang vullen we de tank en we hebben een klein privé watercontainertje voor mijn Nespressomachine en de thee van Willemine. Paar dagen geleden was het gas op. Dus geen warme gaskachel en ’s nachts minder dan tien graden. Moest ik met de lege fles naar den Bosch, industriegebied, nooit zo’n mooi gasbedrijf gezien, overal gasflessen en handige accessoires in de aanbieding. Helaas had ik alleen gas nodig. Mijn tank was in een wip gevuld voor 35 euro – jeetje wist niet dat gas zo zwaar was. ’s Avonds hebben we dus gezellig de gaskachel aan en Willemine kookt fantastische éénpansmaaltijden – hoewel ik moet toegeven dat we ook vaak buiten de camperdeur eten.
Vervelende bijkomstigheid is de toiletgang op deze drukbevolkte camping (bijgenaamd de Polencamping). We hebben gelukkig een wc aan boord, maar die loost en spoelt in een soort grote plastic doos, door Van Kooten een poepkoffer genoemd. Het begrip koffer doet denken aan een handzaam formaat, maar dit is meer een excrementencontainer met het formaat van een hutkoffer. We hebben afgesproken dat wij geen grote dingen in die koffer doen. Alleen vocht, vermengd met blauwe frisstinkende vloeistof die we – gelukkig – bij de Action konden scoren. Het waren de laatste twee flessen, seizoen loopt ten einde.
Het is om de paar dagen een heel gedoe: Willemine en ik elk aan een kant de handgreep van de container torsend, waarin ons eigen vocht plus blauwsel van de Action heen en weer klotst, enigszins door de knieën gebogen voorzichtig lopend dat hele eind naar de enige wc waarin het chemische toilet mag worden geledigd.
Maar, we vinden het nog steeds gezellig, ’s avonds met een glaasje wijn, een huisje van pakweg dertig vierkante meter. Oh, oh wat is ons nieuwe huis in Zaltbommel, waarheen we ons dagelijks begeven om werkers en aannemers te begeleiden, groot. GROOT. Wel tien keer zo groot. Waarom zo’n groot huis op onze leeftijd? Je mag ouderdom ook best de ruimte geven, bovendien heeft Willemine als beeldend kunstenaar erg veel spullen. VEEL dus. Oud huis, prachtige steile trappen. Zijn we blij mee, want zei niet die Japanner van honderdvijf, gevraagd hoe hij zo fit kwam: ‘altijd de trap nemen en zelf je tas dragen’.
En over groot gesproken: kortgeleden een enthousiast artikel in de lokale krant, Dutch Berries heeft nieuwe kassen in Zuilichem, oppervlakte 20 hectare – ja je leest het goed. Daar worden miljoenen aardbeienplantjes vertroeteld. Door wie? Inderdaad, door Polen. In voor- en najaar zijn vierhonderd extra aardbeienplukkers nodig….
Eveneens in de lokale krant lezen wij dat er in de Bommelerwaard niet alleen aardbeien, maar ook huisvestingsproblemen groeien.

Alternatief

Lang geleden toen ik nog hard liep, knalde ik met mijn voorhoofd in volle vaart tegen de kopse kant van een stalen balk. Het was de balk van een zonnescherm dat op voorhoofdshoogte was neergelaten. Voordien nimmer neergelaten geweest, leerde ik later, toen ik bijkwam. Het hing ineens in mijn traject; poortje onderdoor, scherp de hoek linksom langs het rozenperk en bwahmm. Aardige mensen van een gelijkvloers kantoor, kwamen mij optillen, gaven mij een glaasje water. Enfin, voor de zekerheid naar de 1e hulp, ja hoor zware hersenschudding. Daarmee moet je geduld hebben, heb ik ondervonden. Na een paar dagen weer aan het werk, en weer een paar dagen later volledig uitgeteld, als een dweil drie weken op de bank. Dat je het maar weet, denk niet te licht over het schudden van je hersens. Maar ik wil het daarover niet hebben. Interessanter is dat ik erna mezelf niet meer okee voelde. Neurologische onderzoeken en ga maar even door. Niks te vinden. Volgens mijn buurman, de fysiotherapeut gespecialiseerd in rug- en nekproblemen, had ik een whiplash…ha, dat is een kwetsuur die niet meetelt in de medische wereld. Wat nu te doen? Massage, natuurlijk en het spierstelsel onderwerpen aan prikkelende zwak elektrische stroompjes. Je moet het lichaam helpen zichzelf te genezen. Zenuwbanen voelen zich gekwetst, vandaar. Ter oriëntatie bezocht ik een bijeenkomst van verenigde whiplashlijders(sters). Wow…nooit zou ik meer beter worden. Zelden zulk georganiseerd doemdenken meegemaakt. Ik kreeg de indruk dat sommigen hun whiplash koesteren. Daarna elke week naar een dure kliniek, aan het infuus. Reiki behandelingen ook. Canadese massage die verrekte pijn deed. Heel bijzonder waren ook mijn visites aan een man (garagemonteur) met genezende handen. Had zijn gave ontdekt toen de hond van de buurman ziek was. Hij had die hond beter gemaakt. Erg lieve man, deed het uit hulpvaardigheid, vroeg slechts een tientje voor een uur magnetisme. Helaas hielp het niet. Ook nog op advies – je krijgt veel advies, ongevraagd ook – naar Zuid Limburg geweest waar een fantastische aura-lezer mijn energiebanen ging rechtzetten. Hielp ook niet. Mensendieck gedaan, wekelijks trainingen op de mat en thuis oefenen, ja hielp wel, dit helpt volgens mij iedereen. Mijn buurman, voornoemde fysiotherapeut, had een vriend die arts was en deskundig kon kraken. Heb ik één keer laten doen, als volgt: mijn hoofd onder zijn arm, ‘nu even volledig ontspannen, wees niet bang, laat maar gaan…’ En toch nog onverwacht rukte hij zowat mijn hoofd van de romp. Misschien heeft het geholpen, maar ik durfde geen tweede keer.
Hoe kom ik op deze verhalen? Omdat ik vijf jaar gesukkeld heb en in stad en land het alternatieve circuit heb leren kennen. Als de dokter zegt dat je niks mankeert, terwijl je zelf het tegendeel voelt, dan kun je twee dingen doen: dagelijks met een neksteun somber naar het weer gaan zitten kijken, ofwel op pad. Omdat dit inmiddels mijn vierde hersenschudding was – ja ik loop nog wel eens met mijn kop ergens tegen aan, teveel in gedachten denk ik, of te haastig – had ik wat inmiddels Post-Concussion Syndrome genoemd wordt. Rust helpt zegt men en vooral weinig stress haha, je nek staat stijf van de stress. Maar goed, ik ben er uiteindelijk overheen gegroeid zoals dat heet, beetje nekpijn went wel. Het meest irritante was uiteindelijk ‘oorsuizen’ (tinnitus) maar daar kan ik inmiddels ook mee leven.
Even tussendoor: in het tijdschrift voor slechthorenden schreef ik een artikel getiteld ‘krekels in mijn hoofd”. Het was bedoeld als opbeurend verhaal, een beetje zoals ik ook een opbeurend boekje heb geschreven over prostaatkanker, en ik kreeg mooie reacties. De mooiste was een lange brief van een non. Zij woonde met nog een paar nonnen in een klooster. Haar tinnitus klonk als een zware dieselmotor schreef zij. Zij was altijd blij als zij aan de beurt was voor het gebruik van de ‘Walkman’, dan lag zij in haar cel met muziek op de oren. Er waren meen ik tien nonnen, dus eens in de tien dagen was zij enigszins bevrijd van die bonkende motor in haar hoofd. Mijn god dacht ik – dacht zij waarschijnlijk ook – wat kost zo’n walkman nou helemaal. Dus gekocht en toegestuurd en kreeg een heel lieve bedankbrief. Nee zij hoefde haar eigen walkman niet te delen met de andere zusters…
Ja er schuilt veel triestheid onder de mensen. De auteur die hierover aangrijpend schrijft is Griet Op de Beeck. Ik noem haar omdat ik net haar laatste boek heb gelezen: ‘Het beste wat we hebben’. Een goede gezondheid is wellicht het beste wat je kunt hebben, afgezien van liefde. Omdat ik op mijn leeftijd veel mankementen ervaar, krijg ik veel tips. Goed bedoeld natuurlijk. Zo werd mij laatst door een nogal spirituele vriendin een genezer aangeraden hier in Portugal, waar ik veelal verblijf.
De weg erheen was omslachtig en lang. Ik mocht om 20:30 komen omdat er iemand was uitgevallen. Een half uur over de snelweg, dan twintig minuten het achterland in en uiteindelijk nog een heel eind doorsukkelen over een zandweg. ‘U herkent het huis wel’, zei de assistente. ‘Het heeft een etage (inmiddels verboden hier in de campo) en er staan veel auto’s’. Toen ik uiteindelijk maar wel precies op tijd arriveerde stonden er inderdaad langs de zandweg veel auto’s. In the middle of nowhere, zoals dat heet. Het hek stond open en ik werd tussen twee touwen naar een achteringang geleid. Hier waren handgeschreven instructies op de marmeren stoeptreden geplakt: geen mobiele telefoons hier in huis, laat je telefoon in je auto!. Deur was half open. Via een rommelige hal moest ik een roze marmeren trap omhoog. Op de trap stonden mensen. Op de overloop nog meer mensen en rechts in een kleine kamer nog meer mensen. Boven aan de trap linksaf was het heel erg druk. Verontschuldigingen mompelend drong ik verder totdat ik de assistente zag. Oudere mevrouw met hoornen bril in donkergrijze japon op een plastic stoel achter een soort balie waarop merkwaardige voorwerpen, zoals een groot roze pluchen spaarvarken. Rechts een kamerscherm uit betere tijden, beplakt met krantenknipsels en handgeschreven opwekkingen, alsook de prijslijst: 10 euro voor een consult, 20 euro voor een behandeling. ‘Wat zijn uw klachten?’ vroeg zij. Ik noemde er een paar. ‘Ja, dat is wel genoeg’ zei ze. ‘Druk hier’ merkte ik op. ‘Ja, de mensen komen hier omdat ze geholpen worden’. Ik telde minstens dertig klanten, voornamelijk Portugezen, maar ook enkele Nederlanders, een Engelsman en twee Duitse dames. Regelmatig kwam iemand 10 of 20 euro afrekenen. Ik mocht tegen de wand zitten naast een man met wonderlijke sensors op zijn oren. Hij zat aan een paar draden bevestigd. Tegenover mij twee mannen op blauwplastic stoelen voor een televisie, met voor de borst op een standaard een soort metaaldetector, of stofzuigermotor, dat kan ook. Er stonden apparaten met digitale cijfers en knipperlichten. Na driekwartier was ik nog niet aan de beurt. Achter het kamerscherm werden mensen geholpen en achter een deur links van mij verdween nu en dan iemand, die daar kennelijk ook werd geholpen. Een oosters uitziende vrouw hielp met de apparaten waaraan mensen werden gekoppeld. Een niet onaardige blonde vrouw liep nu en dan voorbij. Ook zag ik een kalende man naar het gangetje gaan. De genezer? Het rommelige vertrek met oude posters en slordig gestapelde tijdschriften werd verlicht door een kaal peertje aan een draad, plus de leeslamp van de assistente. Het werd buiten aardedonker. Ik maakte me zorgen want slechte ogen vormen een van mijn mankementen. Als ik nog maar terug kon over dat smalle zandpad…
Post-Concussion Syndrome: vooral weinig stress, dat helpt zegt men. Hoezeer ik ook kennis had willen maken met deze genezer die voor weinig geld zoveel mensen helpt en ongetwijfeld onbaatzuchtige bedoelingen heeft, ik kon het niet langer uithouden op die plastic stoel in dat overvolle kamertje.
‘Ach’ zei de assistente ‘wat jammer nou, wilt u een andere afspraak maken?’
Ik denk er nog over na.