Over Christian

Christian Oerlemans. Na de middelbare school Stuurman geworden op de Grote vaart. Vier jaar varen, daarna liftend de wereld omzwerven van de Noordkaap tot Kaap de Goede Hoop. Werken als bordenwasser, metaalarbeider, wegwerker, druivenplukker en meer van dit soort baantjes. Schrijft reisverhalen en later korte verhalen in literaire tijdschriften, wordt leerling journalist en verruilt dit métier al gauw voor de reclame waar tekstueel talent ruimer beloond wordt. Volgende stap naar eigen reclamebureau, Geudeker/Oerlemans (GO), later GO/RSCG. Verantwoordelijk voor grote campagnes als “Even Apeldoorn bellen”, “Ontdek ’t bij de Hema” , “Autogas dat rijdt Super” , alsook voor Saab, Jaguar, Kwantum, Pearle enz. Schrijft columns en artikelen in reclamevakbladen Revue der Reclame, Nieuwstribune en Adformatie, werkt mee aan het Handboek Reclame (Kluwer). Schrijft drie thrillers (Bruna) en korte verhalen in Plot. Stapt begin ’90 uit zijn reclamebureau en start een consultancy genaamd Communicatie Groep Oerlemans, werkt o.a. voor Schwarzkopf, Digital, Honig, Petroplus, Amsterdam Airport Schiphol. Stopt hiermee in 1996, na een ongeluk. Publiceerde begin 2002 de gedichtenbundel “Oude Liefde”, in 2004 de licht erotisch getinte verhalenbundel “Vrouwen zijn om op te vreten”, in 2006 de roman “Het slechte pad”, in 2007 de roman “De carrière en de dood”. Schreef ook o.a. het Jubileumboek van de Art Directors Club Nederland, de biografie van kunstenaarsmodel Maria (een Model Mens) en het boek over Will Kellermann (Het Romantisch Avonturisme). Laatste boeken: Op weg naar de Noordkaap, een reisverhaal uit 1959, en MANNEN, je sluipmoordenaar heet testosteron, een relativerend maar zeer serieus boekje over prostaatkanker, gedichtenbundel 'Tijd van Leven'. Uitgever Elikser Leeuwarden. Schrijft ook voor literair tijdschrift Extaze - www.extaze.nl.

Liefde in oorlogstijd.

Het is juni 1944. Een mooi voorjaar, de weiden kleuren groen en de leeuwerik zingt hoog tegen de eindeloze lucht. Ik ben verliefd op Mettie van der Zee, een blond boerenmeisje met ogen blauwer dan de hemel op zondag. Ik ben net zeven jaar geworden, maar van een feest kan ik me niets herinneren. Misschien was er taart, op zondag, nadat oom Eele op het orgel had gespeeld in de donkere achterkamer.
Het was gebeurd op een duistere winteravond. Er kwam een grote zwarte auto en ik moest mee. Ik ging naar Friesland. Het was nog niet helemaal donker in de Vechtstraat en ik herinner me dat de auto een dikke bult voorop de bumper had, met een zak eroverheen. Oom Theo heeft een koe voorop zijn auto, zeiden ze en zelfs mamma moest erom lachen. Later leerde ik dat het een gasgenerator was. Mijn oom reed met deze auto van Zuid naar Noord en terug. Hoe hij dit met de Duitse bezetting regelde, weet ik nu nog niet. Veel kan ik me niet herinneren, ongetwijfeld heb ik gehuild toen ik weg moest. Als je zes bent is er meer gevoel dan verstand, meer verdriet dan begrip. Er was geen eten meer voor mij in Amsterdam. Mamma had het natuurlijk honderd keer uitgelegd, mijn broertje was nog een baby en kreeg borstvoeding, hij mocht melk drinken terwijl hij in haar armen lag. Ik was al een grote jongen. Ik was oud en ging naar Friesland, weg uit de warme keuken waar de salamanderkachel altijd stond te gloeien, zodat het zwarte ijzer van zijn buik een beetje rood werd. Weg uit de keuken waar we woonden, waar het prettig was en knus. Het was voorbij. De houtblokjes die ik van tussen de tramrails had gesloopt, de cokes die ik langs de spoorbaan had gezocht, bij het Amstelstation, daarop bleef de salamander wel branden. Zonder mij.
Kolen zoeken was een dagtaak. We hadden tijd, want de school was gesloten omdat er geen brandstof meer was voor de grote kachels in de schoollokalen. Met de buurvrouw en twee vriendjes trokken we naar de spoordijk bij het Amstelstation. Hier was het elke dag druk, mensen wroetend tussen de sintels, met hun emmertje, kolenzak en zeef. Het was een avontuur voor een jongen van zes jaar, maar de buurvrouw klaagde en kreunde de hele dag. Als ik ’s avonds thuis kwam met mijn zakje cokes, was mamma trots en was er warm eten op de salamanderkachel, meestal soep. We hadden ook brood, zelf gebakken van het meel dat pappa in Friesland had gehaald, op de fiets met massieve banden. Hij was erg ziek geworden daarna en lag in het Binnengasthuis, waar hij goed verzorgd werd en in een grijs pak mocht rondlopen als wij wel eens op visite kwamen.
Als je nog geen zeven bent bestaat er toekomst en niets is erg of deprimerend. Ook een ziekenhuis niet tijdens de bezetting. Maar de auto van mijn oom was iets anders, die was donker en stonk. En onderweg waren er steeds soldaten die door het open raampje schreeuwden. Het was een vreselijke lange reis. We reden door het stikduister, nergens was licht, behalve als we stopten en er schelle lampen naar binnen schenen. Ik moest stil op de achterbank liggen en slapen, maar vaak werd ik wakker van dat geschreeuw en het felle licht. Onderweg hoorde ik het meisje dat onder de achterbank lag soms hoesten of huilen. Ik voelde haar soms onder mij bewegen, maar ik mocht niet met haar praten van mijn oom. Ik wist ook niet wie zij was en of zij net als ik naar een oom en tante werd gebracht in het verre Friesland.
In Bolsward zaten we midden in de nacht in een grote keuken en er was brood en kaas en melk en soep en van alles te eten wat je in Amsterdam al vergeten was dat het bestond. Mijn oom had een donkere leren jas aan en zag er een beetje uit als een soldaat. Het meisje van onder de achterbank was er ook, maar ze zei niets, ze at alleen maar. Zij had heel kort geknipt zwart haar, als een jongen en zij keek steeds omlaag, naar haar bord of naar de vloer, zodat ik haar ogen nooit heb gezien. De volgende dag was zij verdwenen, wat ik wel jammer vond want ze leek mij aardig en was vast niet veel ouder dan ik.
Mijn oom en tante woonden in Bolsward. Ze hadden een bakkerij achter het huis, met aan de voorkant een winkel, aan de Grote Kampen. Het was een groot huis, groter dan de driekamerwoning in de Vechtstraat, en er was een zolder met een krakende houten vloer en dikke balken en een beetje de geur van onze brandende salamanderkachel. Aan de voorkant waren twee slaapkamertjes, voor de dochters Hennie, Eeke en Siepke. Hennie sliep alleen, zij was al groot en volwassen. Zij werkte in de winkel, maar vaak ook hielp tante Hieke om brood te verkopen en kruidkoek en soms taarten. Eeke en Siepke hadden samen een kamertje en maakten vaak ruzie. Siepke was een jaar ouder dan ik, Eeke was veel ouder, zij was misschien wel twaalf of nog ouder.
Als je nog geen zeven bent heb je niets te vertellen of te kiezen, zeker niet als je bij een vreemde oom en tante wordt afgeleverd. Ik moest aan de achterkant slapen in het kamertje bij Theo, de zoon die niet lekker rook en mij waarschijnlijk liever niet bij zich in bed had gehad. Het was best een groot bed en ik sliep aan het voeteneind. Er naast was nog een kamertje, in het donker, onder het schuine dak. Daar sliep Iense. Hij was de bakkersknecht, een vrolijke man die veel zong en mij in een jolige bui in de bakkerij op de hete ovenplaat zette. Het was een ongelukje, hij wist niet dat de oven kort daarvoor nog gebrand had. Ik had een korte broek aan – natuurlijk als je nog geen zeven bent – waarvan de achterkant meteen begon te stinken, bijna nog voordat ik begon te gillen omdat mijn bovenbenen van achteren verbrand werden. Het duurde lang voordat de grote rode plakkaten niet meer schrijnden, ik heb er nog jaren last van gehad, vooral als het weer omsloeg.
Oom Eele begon ’s ochtends al heel vroeg onder ons kamertje de oven op te stoken en dan brulde hij onderaan de zoldertrap om Iense en Theo wakker te maken. Er waren twee houten trappen met versleten uitgeholde treden die naar de zolder voerden. Eentje in het begin van de keuken, als je uit de winkel kwam, en eentje achter de keuken bij de bakkerij. Eronder lagen de kolen en de turven voor de oven. Kolen had oom Eele nog genoeg, daarvoor hoefde hij niet naar de spoordijk. Er was trouwens van alles nog genoeg in die tijd in Bolsward. Ook boter en melk en meel voor de bakkerij. In de hoek stond een grote metalen kom waarin een ijzeren arm het deeg kneedde, terwijl de kom rond en rond draaide. Rawhamm, rawhamm, mooi om te zien hoe het meel en de boter en de melk samen met water in een kolkende kleverige brei tot deeg werden gemalen. Dan kwam Iense beneden met zijn slaperige kop en steile pieken haar als een ongewassen stekelvarken en zette de kom stil om het deeg met armen vol eruit te tillen in dikke draderige klonten die hij op de met meel bestofte tafel wierp voor het raam aan de binnenplaats. Oom Eele greep het deeg met zijn witte in meel gedoopte handen en begon het wellustig te kneden en te slaan en te grijpen en te rollen tot langwerpige dikke wormen die hij in de ijzeren broodvormen propte. Om ze daarna nog even een paar forse sneden over de rug te geven. Een magisch ritueel dat hij ochtend aan ochtend uitvoerde met zijn kromme knobbelige handen, alsof hij het deeg de schuld gaf van de reumatiek die zijn handen misvormde.
Voor een stadsjongetje uit het kale Amsterdam was dit ritueel een inkijkje in een wereld waarin voedsel maakbaar was. De bakkers schoven de broodvormen met lange houten scheppen in de oven en de gloeiende hitte maakte hun gezichten rood en nat van het zweet. En dan met dezelfde houten scheppen haalden ze een uurtje later de prachtige broden, die met glimmende bruine ruggen uit hun vorm verrezen waren, te voorschijn. Als kunstenaars gaven ze met een grote kwast een haal over die ruggen waarna de broden vers geurend in de manden vielen. Een geur om nooit te vergeten. Nog kan ik een bakkerij op een kilometer afstand ruiken.
Achter de bakkerij was de lager gelegen binnenplaats. Je moest een brokkelig stenen stoepje af. Links stond de pomp, tegen de muur onder het raam van de bakkerij. Hier pompte Iense de emmers water voor de bakkerij. Later mocht ik dat ook wel eens doen, een wonder dat je zomaar een dikke straal tevoorschijn pompte door de lange zwengel op en neer te bewegen. Eerst hoestte de pomp, je hoorde dat het water gorgelend tegenstribbelde voordat het zich gewonnen gaf en bruisend naar buiten spoot. Voorbij de pomp stond het huuske, met de glimmende houten plank waarin een mooi rond gat gemaakt was. Op het gat lag een ronde deksel, zoals op het karretje van de ijscoman, maar niet zo mooi gegolfd met een krul. Toch was het heel bijzonder, in het begin, om de deksel op te tillen en precies met je billen in dat ronde gat te zitten. Ik moest dan vaak aan Mettie denken, terwijl ik daar zo rustig in dat huisje zat, met de deur dicht en een lichtstraal door het uitgespaarde hartje in het houtwerk. Achter het huuske was de grote schuur waarin het koekdeeg onder grote lappen zeildoek lag te rijpen voor de kruidkoek. Als ik van het huuske kwam pikte ik achterin de schuur wel eens een stukje van dit deeg, dat nog lekkerder smaakte dan de koek die we op zondag wel eens kregen.
Op zondag werkten de bakkers niet. Ook Theo niet, die doordeweeks met zijn bakkerskar de broden rond bracht. Ik mocht vaak met hem mee, op de kar, nadat Theo en ik een beetje aan elkaar gewend waren en hij niet meer zo narrig was omdat ik in zijn bed lag te slapen als hij thuis kwam, ’s avonds laat, met die vreemde lucht om zich heen. Altijd werd ik wakker als hij naar bed ging en altijd vloekte hij als hij mij hoorde ademhalen. Ik deed of ik sliep, maar daar trok hij zich niks van aan en dan trapte hij me opzij zodat ik op de rand lag en er bijna vanaf viel. Maar alles went en later vloekte ik ook en werden we een soort vrienden en zei ik hem ’s ochtends vroeg vaak na: ‘godferdomme heit, godferdomme heit…’
Vloeken was verboden bij de bakker in Bolsward. Oom Eele was ouderling bij de grote kerk op het pleintje aan het eind van de Grote Kampen. Iedereen ging op zondagochtend naar de kerk, behalve mijn nichtje Siepke en ik, wij moesten naar de zondagsschool. Daar kregen we bijbelles van een juffrouw die ik in het begin, toen ik pas in Bolsward was, niet goed kon verstaan. Op de gewone lagere school was dat anders, daar moesten we Nederlands spreken, wat voor mij minder moeilijk was dan voor de andere kinderen. Verder spraken alle mensen en kinderen altijd gewoon Fries, of eigenlijk Boalserts, niet zo buitenlands als de ouders van Mettie die ik in het begin echt helemaal niet kon verstaan. Het was een heel andere taal dan we in Amsterdam spraken. Brood was bôle en een stier een bolle, een koe was een ko maar twee koeien werden samen kij. Als je zes jaar bent vind je niets vreemd en voor je het weet spreek je ook zo. Toen ik na de bevrijding terugkwam in Amsterdam, stonden mijn vriendjes mij aan te staren alsof ik van de maan kwam. Geen woord verstonden ze en ik… ik had het niet eens in de gaten, want ik sprak gewoon wat ik gewoon was te spreken.
Als je de Kampen helemaal afliep en aan het eind over een bruggetje ging, dan kwam je bij de grote oude Martinikerk. Rond de kerk stonden kleine huisjes, waarin arme mensen mochten wonen. In één daarvan woonden opoe en tante. Opoe was de moeder van mijn tante Hieke. Zij was nooit getrouwd geweest en haar dochter was een schandelijk ongelukje geweest, een onecht kind waarover door niemand gepraat werd. Opoe was daarna met haar ongetrouwde zuster door de kerk gehuisvest in dat huisje bij de kerk. Ze woonden er al hun hele leven en waren allebei altijd in het zwart gekleed, lange jurken met een wit kanten kraagje. Als je het huisje binnenkwam stond je bijna meteen in de woonkamer met een grote ronde glimmende houten tafel in het midden, onder de olielamp. Hier speelden Siepke en ik, met opoe en tante vaak ganzenbord en ik herinner mij dat het dan ’s middag donker werd en dat de regen op het huisje kletterde en er enorme donderslagen langs de ramen sloegen en dat wij daar dan zo veilig en knus onder de olielamp zaten. Het zal dus wel later geweest zijn, toen ik al lang in Boalsert woonde en niet beter meer wist en me niet meer zo vreemd voelde, zo anders alsof ik er niet bij hoorde. Het zal herfst zijn geweest of misschien al winter en opoe en tante waren toen gewoon mijn opoe en tante. Het was heerlijk om in die woonkamer te zijn, het was behaaglijk, vertrouwd en veilig. Anders dan in de tochtige lange keuken van de bakkerij, waar iedereen de hele dag doorheen liep van de winkel naar de bakkerij of naar de schuur en dan weer terug. Opoe en tante hadden geen echte keuken, er was alleen een wasbak met een pomp erboven en een houten kast met borden en de pannen hingen aan de wand. Op een plank met rood zeildoek stond het oliestel te branden, vaak met een pan soep erop. Als het erg koud was kregen we geen thee, maar soep. Moest je naar de wc, dan liep je langs de stenen wasbak met de pomp erboven en dan was daar de houten deur van het huuske, dat als een boomhut aan het huisje kleefde, boven de sloot. Zij hadden geen tonnetje onder de zitplank, zoals bij oom Eele en tante Hieke, wat je deed viel meteen in de sloot eronder. Opoe en tante hadden hun slaapkamer boven. Achter de voordeur was een klein halletje met een stenen vloer en daar liep een steile houten trap omhoog. Ik ben één keer boven geweest, dat was voor een jongetje al een hele klim en het moet voor die twee breekbare oude dametjes toch een klus zijn geweest om ’s avonds naar bed te gaan. De slaapkamer boven was kleiner dan de woonkamer beneden, zonder de uitbouw boven de sloot. Er stonden twee bedden met gehaakte witte spreien, met ertussen een ijzeren tafeltje waarin een grote waskom paste. Ik weet nog dat er twee po’s stonden, opoe en tante hadden ieder hun eigen nachtspiegel en dat was natuurlijk logisch, vond ik. Stel je voor dat zij ’s nachts tegelijk moesten plassen.
Mijn nichtje Siepke en ik gingen vaak langs opoe en tante als we ’s middags uit school kwamen. Dan kregen we thee en soms wel eens warme chocolademelk, of soep als het buiten koud was. Die luxe hadden ze in Bolsward gewoon nog. Terwijl in Amsterdam de gaarkeukens de vraag nauwelijks aankonden, zaten de mensen hier nog koffie te drinken bij Hotel de Wijnberg (Wienberg) op het marktplein. Als je langs het stadhuis liep – het leek wel een kasteel met de hoge stenen buitentrap en het bordes en de lantaarns en de leeuwenkoppen – dan kwam je bij het water van de Marktstraat en dan was verderop Hotel de Wijnberg, alsof er geen oorlog was.
Naast de bakkerij stond een oude hooischuur waarin wij met de kinderen uit de buurt speelden. Je kon een ladder opklimmen en dan van bovenaf in het hooi springen. In de huisjes naast de hooischuur woonden oudere jongens die met hun polsstok over de Grote Kampen konden springen. Zelf ben ik een keer in de Kampen gevallen, voorover, toen ik op mijn buik lag en probeerde een bootje dat ik had gemaakt uit het water te vissen. Te ver naar beneden gereikt en ineens stond ik tot mijn middel in het water, met mijn rug tegen de hoge houten wal. Nog weet ik hoe raar dat was, zomaar plotsklaps in de gracht te staan en de overkant te zien alsof het normaal was. Mijn haar was geloof ik niet eens nat. Het moet een salto zijn geweest. Ik kon er niet meer uitklimmen omdat de wal te hoog was, dus flink geschreeuwd en toen kwamen die jongens met hun polsstok over gesprongen en ze hebben me eruit getrokken. Stinken dat het deed! Jee wat een stank, ik weet het nog goed en durfde zo eigenlijk niet naar huis. Mijn klompen stonden vol drab en ik moest een heel eind lopen naar het hoge houten bruggetje om terug te komen naar de bakkerij. Gelukkig lag oom Eele te slapen anders had hij me met zijn knokige handen een draai om mijn oren gegeven. Hij was een strenge man. Tijdens het eten mocht ik bijvoorbeeld mijn bord niet vasthouden, een gewoonte die ik wellicht had ontwikkeld omdat eten schaars was in die jaren. Maar oom Eele gaf dan een tik op mijn hand en bromde dat niemand bij hem in huis zijn bord hoefde vast te houden, omdat niemand bij hem in huis het eten van een ander zou stelen. Later werd de hooischuur naast de bakkerij gesloopt en ook een huisje dat ernaast stond. Er lag een enorme berg bakstenen en wij moesten het metselcement eraf bikken, want Hennie ging trouwen en dan ging zij met die bakstenen een huis bouwen.
Oom Eele had een plat rond hoofd, bijna kaal met grote bolle blauwe ogen die bijna bliksemden als hij je boos aankeek. Maar hij kon ook grappen maken, dan deed hij zijn tanden uit en krulde zijn lippen als rode fietsbanden voor zijn rubberen gezicht en dan grijnsde hij zo breed dat hij net Popeye leek. Tante Hieke zei nooit veel, zij was altijd in de keuken en soms in de winkel als het druk was. Misschien was ze verdrietig, omdat zij geen vader had. Haar handen waren erg rood, van het water denk ik, want ze deed vaak de was in een grote zinken teil. Er was natuurlijk veel wasgoed met de blauw geruite bakkersbroeken en de winkelschorten en de kleren van de kinderen, drie meisjes en Theo en Iense natuurlijk en dan was ik er ook nog bijgekomen. Tante Hieke had een bleek gezicht, erg spits met een gebogen neus en waterige blauwe ogen alsof ze net gehuild had.
Aan de achterkant van de donkere achterkamer, waar het orgel stond waarop oom Eele op zondag na de kerkgang een uurtje muziek maakte, treurige jammerende tonen die soms pijn aan je oren deden, daar waren brede deuren die altijd dicht waren. Maar wij wisten dat daarachter het bed was van oom Eele en tante Hieke. Daar sliepen ze samen. Mijn nichtje Siepke had het mij stiekem laten zien, een kleine kamer die eigenlijk alleen maar een bed was. Je kon onder het bed doorkruipen en dan kon je kleine lage deurtjes openduwen en dan kwam je zomaar in de keuken terecht.
Die zomer mocht ik al meteen mee met de buurjongens, op zwerftochten door de weilanden, langs het bolwerk of naar de boomgaarden aan de overkant van de Kampen, om appels te pikken. Ik had van de jongens een polsstok gekregen, waarmee ik over de kleine slootjes kon springen. Het leek wel of alle jongens in de zomer met een polsstok rondliepen. Later gingen we over de badweg naar het park waar een zwembad was, een groot meer met houten steigers en een duiktoren. Het werd een mooie warme zomer en Siepke en ik gingen paling vissen in de sloten bij de boerderij van Mettie. Dat was niet makkelijk, want elke keer als je zo’n vette paling aan de haak had kronkelde dat beest je hele vistuig in de war. Tegen de dorst maakten we dropwater in een fles. Dat was makkelijk en lekker, je deed een handvol kleine zoute dropjes in een fles, water erbij en een tijdje flink schudden totdat alle dropjes waren opgelost. Bij Mettie thuis in de boerderij kregen we melk en dikke boterhammen met boter en kaas. De zomer was zorgeloos en eindeloos.
Als je zeven bent en verliefd op een meisje van acht, dan voel je je machteloos, hulpeloos vaak. Je wilt bij haar zijn, haar aanraken, zoenen misschien wel of gewoon aan haar likken, maar als je niet oppast word je uitgelachen. Mettie logeerde toen nog wel vaak bij ons, dat was voordat de moffen vertrokken waren en er eigenlijk nog geen oorlog was en we ook vaak naar de boerderij gingen waar het lekker rook naar gekookte melk en kaas en koeienmest.
Mettie en Siepke gingen dingen doen en ik mocht erbij zijn, niet alleen als we gingen vissen of boterbloemen plukken of toutsje springen, maar ook als zij samen gingen zoenen. Ze wisten hoe dat moest. Ik wist het ook wel, want ik had het gezien van Hennie met een man die haar vriend was en waarmee ze ging trouwen na de oorlog, ze stonden achterin de winkel en ik kon het precies zien door het glazen ruitje van de deur. Mettie en Siepke deden het in de schuur van de boerderij, met de deur dicht. Ik hoorde hen dan proesten en vreemde geluiden maken. En als Mettie bij ons was op de Kampen, dan gingen ze op zolder in het kamertje van Eeke en Siepke. Eeke was er niet, die was er eigenlijk bijna nooit, en als ze er was maakte ze met iedereen ruzie. Ook met mij, ze heeft me eens een trap gegeven, voor de deur van de winkel. Omdat ik in de weg liep, zei ze.
Mettie en Siepke deden geheimzinnige grote mensen dingen, dat wist ik wel en als ik ze hoorde lachen en giechelen bonsde ik hard op de deur. Dan waren ze meteen doodstil. ‘Ik weet wel wat jullie doen hoor!’ riep ik dan, ‘laat mij er in’. ‘Janne ga weg!’ ‘Nee ik wil ook, ik wil erin, anders vertel ik het aan us mem!’ Ik noemde tante Hieke toen ook gewoon mem en Mettie deed dat trouwens ook. Tante Hieke was mem. De meisjes begonnen dan weer te giechelen en als ik mijn oor tegen de deur drukte kon ik hen horen fluisteren. Over mij natuurlijk. ‘Wat wil je dan?’ Ha ik wist dat ze dadelijk de deur gingen opendoen, omdat ze wilden weten wat ik wilde doen. Dat was altijd zo. Janne wat wil je dan…wat wil je dan Janne? Ik wilde tussen hen in liggen op het bed van Eeke en kietelen en aan hun haren trekken en dan wilde ik zien hoe zij gingen zoenen, met hun monden op elkaar gedrukt zodat het spuug over hun kin droop, ja dat wilde ik zien en dat wisten ze best. Daarom lieten ze me altijd binnen. Maar ik mocht nooit meezoenen en dat was wat ik eigenlijk wilde en ook dat wisten ze best. Vooral Mettie die haar natte tong naar me uitstak en dan lachend op het bed sprong en haar hoofd verborg in de rokken van haar jurk. Als het mooi weer was, in de zomer, dan droeg ze geen kousen, net als wij. We hadden blote voeten in onze klompen en ik had een paar hardloopklompen gekregen, met leren riempjes over de wreef en een beetje plat en ook niet zo zwaar als de winterklompen. Er is een schoolfoto van na de oorlog in Amsterdam, ik denk de vierde klas van de lagere school – de Berlageschool op het Meerhuizenplein – en ik ben de enige op die foto die klompen draagt. Die zal ik wel hebben meegenomen vanuit Friesland. Als Mettie dan zo over het bed sprong en met haar jurk zwaaide, dan kon ik soms haar onderbroek zien. Misschien deed ze dat expres omdat ik altijd probeerde onder haar rokken te kruipen als we aan het stoeien waren. Ze droeg meestal een witte maar ook een keertje een roze. Op een keer had ze mij met mijn keel tussen haar benen gekneld totdat ik zowat stikte, want ze was groter dan ik en eigenlijk heel sterk voor een meisje. Heel anders dan Siepke, die was spichtig en mager met grote holle blauwe ogen die altijd een beetje waterig keken. Mettie had dik haar, bijna wit en wuivend als de manen van de paarden in de stal op de boerderij. Ze had een rond gezicht en lachende ogen die mij iets wilden vertellen leek het wel, maar we hadden het er nooit over, dat ik verliefd was en dat ik heel vaak aan haar moest denken, vooral als ik op het huuske zat met dat leuke hartje in de deur. Misschien was zij ook wel een beetje verliefd op mij, ze stoeide graag met me en gaf me zomaar in het voorbijgaan wel eens een duw of ze tikte op mijn hoofd. ‘Goeie Janne! Giest ’t hihi…’ Ja, ik wist bijna zeker dat ze ook op mij verliefd was, zoals ik op haar, maar dan nam Siepke haar mee. ‘Kom wy gaen!’ En dan gingen ze hand in hand, naar het park, of het bolwerk of de Kerkstraat. En ik mocht nooit mee. ‘Ga fuort stomkop! Opduvelje!’ Dat riep Siepke dan, die mij er eigenlijk nooit bij wilde hebben. Daarom moest ik vaak alleen spelen in Bolsward en dan maakte ik bootjes van een stuk hout of een oude klomp en die liet ik varen in de Kampen. Totdat ik er op een keer in soademiterde en niet verdronk. Oom Eele had altijd gezegd: ‘as du in de Kampen falst dan fersupe du’. Maar ik stond daar zomaar gewoon in het water met mijn gezicht naar de overkant, ik kon de winkel zien en de huisjes ernaast.
Toen het winter werd deed de oorlog zich ook in Bolsward voelen. De bakkerij van oom Eele werd gesloten omdat er geen meel weer was. Iense ging weg en Theo werkte in de centrale bakkerij ergens voorbij Hotel de Wijnberg waar nu nog alleen Duitsers koffie dronken. Ik liep wel eens mee naar de grote bakkerij waar alle bakkers van Bolsward samen brood moesten bakken onder leiding van de Duitsers. Het was een koude winter en er waren geen kolen meer voor de schoolkachels, dus werd ook de school gesloten en wij hadden lekker vrij om rond te zwerven langs het kanaal en het bolwerk. (Bolzviarda is een oude Hanzestad, omringd door water en een oud vestingwerk, met de Middeleeuwse Martinikerk in het hart.)
De belangrijkste gebeurtenis was de terugtrekking van het Duitse leger. Daarover ging het die winter, de moffen die ik eigenlijk alleen in Amsterdam had gezien als ze door de straten marcheerden en wij er als jongetjes achteraan marcheerden, die waren ineens overal in Bolsward. Ze stonden op wacht bij het stadhuus en liepen met geweren door de hoofdstraat en iedereen was bang en we moesten thuis blijven. Mettie kwam niet meer en we mochten ook niet naar de boerderij. Siepke en ik speelden vaak op zolder, ze was aardiger tegen mij nu Mettie er niet meer was. We stoeiden ook wel eens, maar zoenen deden we niet. Die winter leerde ik samen met haar alle geheime donkere hoeken kennen, daar waar spinnenwebben in je haren bleven zitten. Als je omhoog klom op de trap vanuit de keuken, dan was er een groot luik dat met een touw werd opengetrokken door tante Hieke. Als we boven waren moest het luik dicht, anders kon je in het trapgat vallen. Tegenover het luik was een grote kast met daarin het speelgoed, vooral veel poppen, maar ook houten auto’s en een kapotte trein van Theo. Op een dag was er iets heel ergs aan de hand en we werden als de donder naar beneden geroepen. Iedereen was in de keuken en praatte door elkaar. We moesten met z’n allen op de grond zitten. Oom Eele en Theo hadden de winkel leeg gehaald, de toonbank stond scheef tegen het raam en de glazen vitrine, waarin vroeger de koek en de taarten werden tentoongesteld, hadden ze naar de achterkamer gesleept. Er ging iets gebeuren, maar wij wisten niet wat. Het was in ieder geval gevaarlijk. Toen kwam die enorme klap, alsof het tien keer onweer was. De ruiten rinkelden en er viel zand en stof naar beneden vanaf het plafond in de keuken, tussen de houten balken vandaan. Na de klap volgde er nog een en toen nog een. Het was een vreselijk lawaai en in de verte hoorden we sirenes, van de brandweer of de politie. Verder leek het vreemd stil buiten, geen vogels, geen wind, geen geluid. De ogen van oom Eele keken nog boller dan anders en hij sloop naar de winkel en we hoorden de winkeldeur. Hij ging naar buiten! Er gebeurde niets. Het bleef stil, niemand zei iets, de stilte hing als stof om ons heen. Toen stonden Theo en tante Hieke op en gingen ook naar buiten en daarna Hennie en Eeke en tenslotte gingen Siepke en ik ook buiten kijken. De lucht was donker, het rook vreemd en het leek net alsof het regende, maar er was alleen stof. De stem van oom Eele was schor en hij spuugde toen hij het zei: ‘die ferflokte rotmoffen’. Zijn ogen bliksemden en hij klonk bozer dan ik ooit had gehoord. ‘Ferflokte rotmoffen!’ Je zou denken dat hij vloekte, zo kraakte het, maar hij zei geen godferdomme. Dat zei Theo, precies zoals hij het ’s morgens vroeg zei, maar dan harder. Wel drie keer achter elkaar en oom Eele reageerde er niet eens op. Zo erg was het toen.
In de weken daarvoor hadden wij wel gemerkt dat alles anders was. Al die soldaten ineens overal en we gingen eten halen in een emmertje, bij het station van de stoomtram uit Staveren. Het park aan de overkant was afgesloten, het hek was dicht. We hoorden oom Eele de hele dag mopperen, ook omdat het tonnetje van het huuske niet werd opgehaald door de zwarte boot die elke week door de Kampen kwam varen. Die boot kwam niet meer. Het was oorlog geworden in Bolsward. Het was koud in de keuken en de voorkamer en de achterkamer waren afgesloten en oom Eele speelde niet meer op het orgel. Wij kinderen mochten nog wel buiten spelen en we zagen al die soldaten voorbij marcheren, maar zonder muziek. Het was lang niet zo mooi stampend in de maat als vroeger in Amsterdam, ze liepen eigenlijk meer te sjokken. Hun jassen waren smerig en ze hadden vieze laarzen en schoenen. Eeke die veel ouder was, ik denk wel dertien, ging met ons mee naar de dijk om te kijken naar die lange stoet krakende karren die door magere paarden werden getrokken. Op de bok zaten soldaten, weggedoken in de kraag van hun duffelse grijze jassen. Zo schommelden ze voorbij, al die paardenkarren, huifkarren met soldaten en daartussen ronkende en stomende vrachtwagens. ‘Earmoedich alde soadsje’ zei Eeke. Ja een armoedig oud zootje, dat was het. Er waren ook hoge vrachtwagens met een rood kruis in een witte cirkel en wagens met loshangende gescheurde zeildoeken kappen en kleine auto’s met achter vier wielen en sommige met rupsbanden die over de keien ratelden. Dat ging maar door, er kwam geen eind aan. Elke dag als we gingen kijken op de dijk kwamen er weer nieuwe Duitsers voorbij, allemaal even somber en stil, met lege gezichten voor zich uit starend, heel anders dan de soldaten die in Bolsward nog steeds overal de wacht hielden. Die droegen glimmende laarzen en hadden mooie petten. Zij onderzochten huizen, trapten soms gewoon de voordeur open en bij het bolwerk hadden ze mannen van het verzet doodgeschoten. Voor die soldaten moest je oppassen, maar die anderen die in lange colonnes over de dijk kwamen zagen er niet gevaarlijk uit. Earmoedich, Eeke had gelijk.
Op de dag van de grote klap hadden de moffen de brug opgeblazen, die mooie grote ijzeren brug over het kanaal, waarover vroeger ook de stoomtram reed. Daarom rinkelden de ruiten en was er overal stof in de lucht. We vonden grote stukken ijzer achter op de binnenplaats en er zat een gat in het dak van de schuur waarin vroeger het deeg lag. Maar wat gaf het, oom Eele had al de hele winter geen koek meer gebakken, ook geen brood, helemaal niets. Toen we weer naar buiten mochten, waren er geen Duitsers meer in de stad. Nergens meer. Het was erg leeg op straat, alle mensen stonden bij de brug die er niet meer was, alleen nog halve pilaren, stukken steen en verbogen ijzer. Tante Hieke die was meegekomen aan de arm van Hennie, stond te huilen, haar ogen waren nog roder dan anders. Oom Eele herhaalde steeds maar hetzelfde; ‘ferflokte moffen, ferflokte rotmoffen’, alsof hij een gebed opzegde. De oorlog was voorbij, maar wij wisten dat nog niet zeker. Het werd gezegd op straat, dat er vliegtuigen zouden komen die meel zouden gooien zodat de bakkerij weer brood kon bakken. En dat de Canadezen zouden komen en de Engelsen. Maar er gebeurde niets. Het bleef stil en leeg op straat. Soms hoorden we wel eens vliegtuigen heel ver weg, je kon ze niet zien en het gebrom kwam niet onze kant op. Het was een hele nare tijd, we mochten nergens naar toe, ook niet naar de boerderij van Mettie haar ouders. Als we teveel lawaai maakten op zolder brulde oom Eele dat we stil moesten zijn. Het was geen tijd om te spelen, geen tijd om vrolijk te zijn. De winkel bleef dicht, met de toonbank scheef achter de etalageruit. Later moest ik vaak denken aan wat Eeke had gezegd. ‘Earmoedich’, ja alles was ongetwijfeld in die laatste oorlogsjaren armoedig. Maar als kind van zeven is armoedig al spoedig normaal. Ik zag de dood voorbij marcheren, maar had nog een heel leven voor me; hinkende Duitse soldaten achter huifkarren met aftandse paarden en rokende trucks waren spannend, een groot avontuur. En het zou nog mooier worden als de Canadezen kwamen. Zoals beloofd.
Daar kwamen ze! Ze kwamen over de dijk waar de Duitsers kortgeleden nog met hun armoedige paardenkarren waren vertrokken. Wat een leger. Ik stond tussen alle mensen van Boalsert te juichen en te roepen van hoera en welcome en die soldaten maar wuiven en lachen, ze zaten bovenop hun grote tanks en ze stonden in de hoge groene vrachtwagens met platte stompe neuzen en éen koplamp brandend. En er waren jeeps ook en kleine wagens met dubbele wielen en rupsbanden, en soldaten in leren jassen op motorfietsen, het ging maar door, eindeloos, en al die soldaten waren vrolijk en rookten sigaretten en gaven iedereen zomaar een hand. Ze reden over de tramrails van de stoomtram die allang niet meer had gereden, naar de Marktstraat en langs het stadhuus en ze stonden stil op de Markt om foto’s te maken met de meisjes met lange haren en overal stonden mensen en iedereen was blij en de mensen gooiden met bloemen en er hingen vlaggen aan het stadhuus, roodwitblauw met een oranje wimpel en verderop een grote Amerikaanse vlag, hoewel het Canadezen waren zoals werd gezegd. En daarna kwamen de Engelsen en de doedelzakspelers uit Schotland met hun geruite rokken en baretten en wij jongens liepen voor hen uit te dansen. Bij de brug die er niet meer was maakten ze een kampplaats en begonnen met de bouw van een noodbrug die ze over het kanaal schoven, stukje bij beetje tot ze aan de overkant waren. Dat heette een Baileybrug vertelden de grote jongens. Het leek net een lange kooi van ijzeren balken en de vloer was van houten planken. In een dag was de brug klaar, misschien wel in een uur, het ging heel gauw en nog voordat het donker was en ik naar huis moest reden die grote tanks gewoon over de Baileybrug alsof het altijd zo geweest was. ’s Avonds had Eeke chocoladerepen en sigaretten, van de Canadezen gekregen. Ze kwam heel laat thuis en vertelde dat ze had meegereden op een tank, tot over de Baileybrug. De soldaten hadden haar opgetild, wat niet moeilijk was want zij was een scharminkel met dunne armen en benen, waarmee ze toch behoorlijk hard kon trappen en slaan. Hennie had ook sigaretten van de soldaten gekregen, maar zij was niet op een tank of een vrachtwagen geklommen, zoals heel veel meisjes die daar dan samen met de soldaten zaten te juichen en te zwaaien. Hennie was verloofd en ging trouwen met haar vriend die in Sneek woonde. Sommige mensen stonden te zwaaien met roodwitblauwe en oranje vlaggetjes en we vroegen ons af waar ze die vandaan hadden gehaald. In het huis van oom Eele en tante Hieke waren geen vlaggetjes te vinden, ze hadden nog niet eens een vlag buiten aan de winkel. Nee nergens vlaggetjes, ook niet in het achtergedeelte achter het schot met de losse planken. Daar was een klein kamertje waarin een bed stond, maar toen Siepke en ik het ontdekten sliep er niemand in dat kamertje. Het bed was kaal en het rook er muf.
Nederland was bevrijd. Maar in Amsterdam waren nog soldaten. Oom Eele las voor uit de krant, it Deiblêd de Ljouwerter (Leeuwarder Courant, die meteen na de oorlog weer verscheen), dat er in Amsterdam op de Dam mensen waren doodgeschoten toen ze dachten dat Nederland al bevrijd was van de moffen. Dat was een paar dagen nadat bij ons de brug was opgeblazen en alle Duitsers vertrokken waren. Ik kon nog niet naar huis, trouwens we wisten niet hoe dat moest want de oom die mij had gebracht was verdwenen en er reden geen auto’s of bussen of de stoomtram. Hoe moest je in vredesnaam helemaal naar Amsterdam komen. Ja op de fiets misschien, zoals mijn pappa dat had gedaan nog voordat ik naar Friesland ging. Maar we hadden in Boalsert ook geen fietsen, die waren door de Duitsers meegenomen, ja zelfs de bakkerskar van Theo hadden ze ingepikt. Niet erg, want er was op ’t eind toch geen brood meer om te venten, maar na de oorlog zou de oven weer worden opgestookt, had oom Eele gezegd.
‘Ja mantsje efter den oarloch gean wy wer koeke bakke, ja myn jong ja wis!’ Hij wist het zeker, de schuur achter op het plaatsje bij het huuske zou weer vol liggen met het deeg voor de kruidkoek. En ook de boot zou weer komen om ‘it tonnetje mei poep op te helje’, zoals hij beloofde. Dat was het grootste probleem geweest in de laatste oorlogsjaren. Eerst had Theo het tonnetje nog met de bakkerskar kunnen wegbrengen, om leeg te gooien in het land over het bruggetje bij de fruitbomen. Maar toen de bakkerskar er niet meer was leegden Theo en oom Eele het tonnetje ’s avonds voor de deur, in de Kampen. Ik liet er toen geen bootjes meer in varen en voor het polsstok springen gingen de jongens naar de Kleine Dijlakker en er waren ook wedstrijden wie over de Grote Dijlakker kon springen. Ik mocht tot de zomer in Bolsward blijven, waar het park weer open was en het zwembad ook. Bij Mettie op de boerderij was er veel veranderd, de stallen waren leeg en alle paarden waren weg, meegenomen door de moffen. Dat kwam wel weer goed zeiden ze, want ze kregen geld van Amerika. Mettie was ook veranderd, zij was mager en haar lange witte haar was afgeknipt en stond een beetje overeind en ze lachte niet meer zoals vroeger en stak ook haar tong niet uit. Het leek alsof ze verdrietig was en mij ook niet meer aardig vond, alsof er een wolk tussen ons hing die alles mistig maakte, zelfs haar ogen waren niet meer zo blauw. Het was voorbij met de stoeipartijen. De oorlog was voorbij en ik moest weg, ik moest weer terug naar Amsterdam en dan zou ik Mettie nooit meer zien. En oom Eele zou weer koek bakken en de zon zou schijnen door het hartje in de deur van het huuske. En ik zou Mettie nooit meer zien.

Te lang reeds

Verschrompeld in mijzelf
zie ik de dromen van de dag
in onbereikbaarheid vervagen
terwijl om mij heen de
jeugdigen dansen op hun toppen
en in hun eigen wijzigheid
te keer gaan tegen het geluk
dat uit de aarde borrelt
als een stroom van energie
een louterend vuur is het dat
harten pijnigt tot scheurens toe
terwijl ik kleiner word hoor ik
de klokken van de vrijheid luiden
maar links en rechts roept
moord en brand en ach en wee
ja het is oorlog in de wolken
en de goddelijke hand daalt neer
het einde is nabij gelukkig
lang kan dit niet duren
nee te lang reeds hebben wij
met ogen dicht geleefd.

October 2021

Mijn kegeltjes.

Mijn kegeltjes zijn dood
gestorven reeds
lang voor dat
ik voorgoed
de ogen sloot.

Mijn kegeltjes zijn dood.
de wereld toont
mij vage vormen
mijn uitzicht is
voorgoed verkloot.

Mijn kegeltjes zijn dood
geen scherpte meer
anderhalve meter
maakt alle mensen
even groot.

Mijn kegeltjes zijn dood
al wat mij rest
zijn staafjes voor
klein onderscheid
tussen wal en sloot.

Mijn kegeltjes zijn dood
ooit arendsoog
nu kippig tastend
met de mol
als lotgenoot.

De verovering van de nieuwe wereld

Te vuur en te zwaard.
In tegenstelling tot wat velen vinden, heeft naar mijn mening het Christendom naast enig goeds, zoals scholing, vooral veel ellende in de wereld gebracht. Je kunt hier de oorzaak vinden van ongelijkheid, discriminatie (vooral ook van vrouwen) en oorlog. De imposante kathedralen die we nu beschouwen als cultueeel erfgoed, waren tot ver na de Middeleeuwen symbolen van knechting. Wie niet to de clerus behoorde of er – financieel – niet mee bevriend was, had niets te vertellen en diende nederig en gehoorzaam te leven en te werken en armoede te accepteren als een opdracht van het Geloof. Dit Geloof moest te vuur en te zwaard worden verdedigd en verbreid onder de andersdenkenden van de wereld. Er was maar een God en dat was (en is?) de God van de Christenen. Zij die in andere Goden geloofden – en dat waren er velen – moesten worden bekeerd ofwel gedood. Ongetwijfeld hebben ook andere religies veel onheil gesticht, maar de volgelingen van de God der Hebreeën spannen met hun missiedrift toch wel de heilige kroon. Een groot deel van de wereld is hardhandig veroverd in Zijn Naam.
Tot zover mijn korte inleiding van ‘te vuur en te zwaard’.

We verplaatsen ons van 1500 voor Christus naar 1500 na Christus. Er is veel gebeurd in die 3000 jaar. Van de late bronstijd kwamen we in de ijzertijd en ontstonden de gesmede zwaarden. Mede hierdoor en door grote branden (vuur en zwaard) verdwenen Oude Volken en rijken terwijl Egypte machtiger werd. Vermoedelijk omstreeks deze tijd leidde Mozes zijn in slavernij levende volk uit Egypte en sloot een verbond met de God die hem Zijn wetten dicteerde en hem voor zijn volk het land Kanaan beloofde. Deze God was vanaf dat moment aanwezig, naast uiteraard vele oudere bestaande Goden, zoals Osiris van Egypte of de Babylonische God Marduk of Ek Balan, de zwarte Jaguar God van de Maya’s in de ‘nieuwe wereld’ die nog moest worden ontdekt.
Over de vraag welke God de echte God is, zijn vele oorlogen gevoerd.

Later kreeg ‘onze’ God een Zoon en nog later zat er een Paus op een troon in Rome, als Zijn enige vertegenwoordiger op aarde. Machtiger kun je als mens niet worden. Over de kwaliteit van deze Christelijke heersers wil ik het nu niet hebben, maar het is bekend dat er veel doortrapte schurken op de Pauselijke troon hebben gezeten. Wel wil ik het hebben over de opdracht die deze Pausen gaven aan keizers en koningen om het Christendom in de wereld te verbreiden. Een Heilige opdracht. Een van de meest succesvolle dienaren was wat dit betreft Isabella I van Castilië bijgenaamd ‘La Catolica'(1474-1504).

Onder haar vlag werd in 1492 de ‘nieuwe wereld’ ontdekt door Christophoro Colombo , de Genuese zoon van een wevers echtpaar. Als handelaar bereisde hij de Middellandse zee en de Atlantische Oceaan voor zover die bekend was. De Portugezen hadden al een flink stuk van de West Afrikaanse kust verkend, op hun zoektocht naar het rijke land Indië, waar een machtige Christelijke vorst zou regeren, genaamd Pape Jan, de priester koning. Tijdens de kruistochten werd dit mythische verhaal nog voor waarheid aangenomen. Pape Jan zou vanuit het Zuiden en Oosten de moslims aanvallen met een groot leger en de kruisridders te hulp snellen in het Heilige land. Pape Jan was volgens overlevering een afstammeling van een van de drie Wijzen uit het Oosten.

De route naar Indië.
Terug naar de zeevaart. Imiddels was men er enigszins van overtuigd dat de aarde rond was en er ontstonden ideeën over een korte route naar het rijke Indië. Deze ideeën werden vooral vertolkt door zeevaarders, het landvolk onder leiding van de Paus geloofde nog in een platte aarde. Columbus was door zijn handelsreizen een goed zeevaarder en navigator geworden en was van mening dat men Westwaards varend in korte tijd Indië en zelfs China kon bereiken, gebruik makend van de passaatwinden. Hij klopte voor de financiering aan bij de Portugese koning João II (1481-1495) maar die koos voor de Vlaming Ferdinand van Olmen (Fernão Dulmo), niet toevallig, want de Vlaamse zeelieden en handelaars hebben een grote bijdrage geleverd aan de Iberische kolonisatie. Van Ferdinand van Olmen is overigens nooit meer iets vernomen nadat hij Westwaards koers zette.
Het was ook niet toevallig dat Columbus in Portugal financiering zocht. Hij woonde sinds 1480 in Lissabon als boekhandelaar (in o.a. foutieve geografische boeken en kaarten). De Portugezen waren de ontdekkingsreizigers van die tijd, gestimuleerd door Hendrik de Zeevaarder (Infant Dom Henriques) een zoon van koning João I. Prins Hendrik vestigde een zeevaartschool in Sagrés nabij Kaap Sao Vicente, toen het einde van de wereld genoemd. Hoewel hij zelf geen zeevaarder was zorgde hij voor de ontdekking van Madeira en de Azoren en de Goudkust van Afrika. Zijn belangrijkste doel was de verovering van de rijke Moslim haven Ceuta waar de karavaanroutes eindigden. Toen er na zijn verovering geen karavanen meer kwamen besloot hij om zelf de rijkdommen uit Afrika te halen en de Mohammedanen terug te dringen richting Sahara. Hij verwachtte hierbij steun vanuit het Zuiden, door een mythische koning-priester Johannes die in midden Afrika over een groot Christelijk rijk zou regeren. Waarschijnlijk was dit dezelfde Pape Jan op wiens hulp de kruisvaarders in het Heilige Land vergeefs hadden gewacht.
De ‘kruistocht’ naar de Moslimstad Ceuta werd een grote onderneming, gesteund door Paus Gregorius XII en onder leiding van de prinsen Dom Henriques en Dom Pedro. Koning João I voer zelf mee op de Koninklijke Galei. De vloot herbergde een troepenmacht van 50.000 man, op tientallen grote linieschepen, meer dan honderd galeiën en nog eens honderden kleine schepen. Via Lagos, Faro (windstilte), Tavira en Tarifa (veel wind) bereikte deze enorme vloot de baai van Algeciras nabij Gibraltar, in het zicht van de geschrokken Moren.

Twee stormen.
Als de Armada in een maanloze Augustusnacht uitvaart naar Ceuta aan de overkant, steekt een Westelijke storm op waardoor een deel van de vloot met de sterke stroom mee door de Straat van Gibraltar wordt geblazen en in Malaga beschutting zoekt. Onder leiding van Dom Henriques wordt de vloot daarna opnieuw gegroepeerd maar onderweg naar Algeciras worden ze alweer door een storm overvallen. Dit keer uit het Oosten. Deze Bijbelse Levantijn (waar ook apostel Paulus tijdens zijn reis door werd getroffen) slaat de vloot opnieuw uit elkaar. De grote linieschepen verwaaien of lopen aan de grond. Alleen de kleinere fluitschepen en galeiën kunnen roeiend onder de wal van Ceuta komen, waar ze ankeren en vanaf de stadsmuren worden beschoten. De gouverneur van Ceuta Salah Ben Salah stuurt boodschappers naar de koning van Fez om versterking te vragen.
Het verhaal wil dat er uiteindelijk een Moslim leger van 100.000 man in Ceuta de komst van de Portugese veroveraars afwachtte. Het duurde natuurlijk wel even voordat Dom Henriques de vloot weer op orde had in de baai van Algeciras, waardoor de Sultan dacht dat het gevaar geweken was. Opgelucht stuurde hij de voor hem dure legermacht huiswaarts. Fatale zuinigheid zoals later bleek, want Dom Henriques wist zijn vader João I ervan te overtuigen dat de stormen geen teken van God waren en met goedkeuring van de koning maakte hij de vloot gereed voor een hernieuwde aanval.
Als de Portugezen aan land gaan (augustus 1415) ontmoeten ze nauwelijks weerstand, want er was niet meer op hun komst gerekend. De Portugese vlag werd gehesen en de eerste Europese kolonisatie was een feit. Na Ceuta veroverden de Portugezen een ketting van steden langs de Afrikaanse Oostkust, waaronder Tanger en Casablanca (Casa Branca).

Portugal vs Castilië.
De slimme Columbus profiteerde van de animositeit tussen Portugal en Castilië & Léon en ging na zijn afwijzing in Portugal met zijn plannen naar Isabella van Castilië die geen vriendin was van de Portugezen door de ‘successieoorlog’ die zij moest voeren tegen de Portugese koning Afonso V. Hij was een kleinzoon van João I en maakte aanspraak op de troon van Castilië omdat hij getrouwd was met zijn nicht Juana van Castilië.
Aardig detail: deze Juana was de dochter van Hendrik IV van Castilië bijgenaamd Hendrik de Impotente. Juana was enig kind uit zijn tweede huwelijk met Joana van Portugal, die wellicht vreemd ging met Beltrán de la Cueva, een vertrouweling aan het hof. Hierdoor werd Juana van Castilië in de wandeling Juana la Beltraneja genoemd, met verwijzing naar haar verwekker.
Eenmaal op de troon huwde de 18-jarige Isabella met de 17-jarige Ferdinand II van Aragón. Zij was geen lekkere tante als je de geschiedenis mag geloven. Haar vroomheid leidde tot haar ongekend fanatieke missie tegen ongelovigen. Samen met Ferdinand richtte zij de ‘Inquisitie’ op en verdreef uiteindelijk de laatste Moren uit Granada. In 1492 tekende zij het ‘verdrijvingsedict’ tegen de Joden die vanaf toen niet meer welkom waren in Spanje, tenzij ze zich lieten bekeren. Honderdduizenden Joden gingen op de vlucht met achterlating van hun bezittingen. Zij ontsnapten vooral naar Portugal, waar ze vijf jaar later eveneens op de vlucht moesten voor de steeds harder optredende Inquisitie.
Columbus beloofde Isabella rijkdom uit Indië en tevens zwoer hij de heilige eed dat hij alle ongelovigen in de verre gebieden Spaans en Katholiek zou maken. Dit trok Isabella over de streep. Zij gaf Columnus geld voor zijn expeditie. Veel was het niet, hij kon voor hemzelf een driemast ‘kraak’ uitrusen (de Santa Maria). Twee rijke ondernemende kooplieden waren nu bereid om mee te doen en stelden twee karvelen beschikbaar, de Pinta en de Niña. Dit waren zelfs voor die tijd kleine schepen. De Pinta was nauwelijks 16 meter en de Nina 21 meter. Het waren zware logge zeilschepen met een waterplaatsing van 40 en 60 ton. (Ter vergelijking: een modern zeiljacht van 15 meter weegt zo’n 10 ton.) Karvelen waren uitgerust met een latijns tuig (spriet tuig) waardoor ze redelijk aan de wind konden zeilen. Op de Canarische eilanden werd dit tuig vervangen door vierkante tuigage, omdat ze met de Noordoost passat wind mee zouden hebben.
De Pinta en de Nina werden gevaren door de broers Pinzón, die onderweg ruzie kregen met Columbus over de te varen route. Columbus strandde uiteindelijk op Haïti waar hij van de restanten van de Santa Maria een fort bouwde en 40 man achterliet toen hij met de Nina als vlaggenschip terug voer. Hij noemde het ontdekte (ei)land Hispaniola en werd later Gouverneur van dit eiland.

Keerpunt, teer punt.
Columbus maakte vier reizen naar de West, nog steeds in de veronderstelling dat het Indië was. Zijn ontdekking markeert een keerpunt (en een teer punt) in de geschiedenis van de mensheid. Een golf van genocide spoelde over de continenten, volken werden uitgemoord, beroofd of eindigden in slavernij. Er worden (nog steeds) heldendichten gezongen over deze periode waarin Europa de baas werd over de wereld, uitgezonderd het geïsoleerde China. We overwonnen, we bekeerden, we brachten onze ‘beschaving’ met kogels en ziekten.
Onze ziekten velden eveneens de kleine kolonie Hispaniola en toen Columbus terug kwam, op zijn tweede reis met 17 schepen eind 1493, leefden nog een paar kolonisten, onder aanvoering van de wrede kapitein Margarit. Columbus herstelde de orde en met de nieuw aangekomen conquistadores gingen ze op zoek naar goud. Al het denken en doen draaide in die tijd om Goud. Maar op Hispaniola vond men weinig of niets. Dus werd de aandacht gericht op slaven. Ze namen ongeveer 1500 Arawaks gevangen en Columbus stuurde er 500 met een van zijn schepen naar Spanje. Deze slavenhandel werd geen succes, de helft stierf onderweg en van de andere helft stierven de meesten na hun verkoop in Spanje.
De Spaanse Kroon bleef geloven in de rijkdommen van Indië en stuurde schepen met legers en kolonisten naar de West. De slavenhandel lieten ze voorlopig in handen van de Portugezen. De grootste en belangrijkse slavenveiling van Europa vond plaats in havenstad Lagos aan de kust van de Algarve. In 1494 sloten Spanje en Portugal een verdrag – het Verdrag van Tordesillas – waarbij beide grootmachten de nieuwe wereld verdeelden, Spanje het Westen en Portugal het Oosten. Met Hispaniola als thuisbasis pakten de Spanjaarden de Caribische archpel en midden Amerika en onder aanvoering van Hernando Cortés veroverden ze het Aztekenrijk in het huidige Mexico. Terwijl de Portugezen Brazilië koloniseerden, trokken de Spanjaarden langs de Westkust richting het huidige Peru en Guatamala. Columbus heeft dit niet meer meegemaakt, hij stierf na zijn 4e reis in 1506, in de overtuiging dat hij via de Westelijke route Azië had bereikt. Zijn tijdgenoot de Florentijn Amerigo Vespucci meende echter – evenals vele ‘wetenschappers’- dat er een groot nieuw continent was ontdekt. Als bankier in dienst van de familie de Medici gevestigd in Sevilla, raakte hij in de ban van ontdekkingsreizen en hij ontdekte uiteindelijk het meeste van de nieuwe wereld die daarom naar hem is vernoemd.

Panama Stad.
In 1519 werd door de conquistador Pedro Dávila de stad Panama gesticht als voornaamste Spaanse haven voor goud- en zilvertransporten.Vanuit deze nieuwe kolonie werden expedities georganiseerd, vooral Zuidwaarts. Een grote “Held” was Francisco Pizarro die Dávila opvolgde als Gouverneur en samen met zijn broers Hernando, Juan, Gonzalo en Pedro een expeditieleger aanvoerde en het rijk van de Inca’s binnentrok. Er deden veel verhalen de ronde over de enorme hoeveelheden goud die te vinden zouden zijn bij de rivier de Pirú (nu Peru). Na een paar kleine mislukte expedities, rustte Pizarro in 1532 een expeditieleger uit van 182 man, voetvolk, cavalerie, priesters en kwartiermakers. Hij sloot een verbond met de huursoldaat Diego de Almagro en diens manschappen en met de priester Hernando de Luque, want zonder steun van God en de Kerk was het onmogelijk om voldoende volgelingen bij elkaar te krijgen voor een tocht door de duivelse jungle. Onderweg vestigde Pizarro de eerste Spaanse nederzetting Sao Miguel de Piura waar een tiental mensen achterbleef waaronder uiteraard de priester de Luque. Zij vingen enige Inca’s die na marteling bereid waren als gids te dienen en de weg te wijzen naar de stad Cajamarca.
Pizarro had het geluk dat de Inca’s al veroverd waren door Europese ziekten zoals de pokken en de mazelen. Bovendien waren ze in een burgeroorlog verwikkeld over de troonopvolging, tussen de ‘Goddelijke Leider’ Atahuallpa en diens halfbroer Huáscar. In November 1532 bereikte Pizarro met zijn legertje de stad en sloeg kamp op aan de rand van een grote open vlakte die gedeeltelijk ommuurd was. Later bleek dit het exercitieveld te zijn van het enorme leger van Atahuallpa dat nabij de stad in een legerkamp verbleef.
Het nu volgende verhaal is gebaseerd op een oogetuigeverslag van een kroniekschrijver die Pizarro vergezelde. In opdracht van de Spaanse Kroon alsook van de Paus werd er nauwkeurig verslag gedaan van de veroveringen en bekeringen. Al in 1534 werd een rapport van Pizarro’s heldendaden gepubliceerd in Sevilla.
Gouverneur Pizarro stuurde zijn broer Hernando naar de stad om te melden dat hij namens de Grote Spaanse Koning en heerser over de wereld was gekomen als broeder en vriend. Later bleek (histories) dat Atahuallpa geen weet had van de aanwezigheid van Spanjaarden in Midden Amerika en ook dat hij bijvoorbeeld niets wist van de Azteken (die al ‘veroverd’ waren). Hij was vol zelfvertrouwen en zonder enige angst voor dat groepje vreemd uitgedoste figuren en hij was graag bereid om de vertegenwoordiger van zo’n grote onbekende koning te ontmoeten. De volgende dag om 12 uur zou hij hiertoe op het plein verschijnen.
Toen de avond viel zagen de Spanjaarden zich omringd door duizenden kampvuren van het onafzienbare Inca legerkamp bij de stad. En ze waren bang. Ze konden niet slapen en piesten ’s nachts in hun maliënkolder van angst, want het verhaal ging dat het leger van Atahualpa, dat de kilometers lange vallei vulde, uit meer dan 80.000 manschappen bestond. Pizarro had honderd man voetvolk en zestig ruiters tot zijn beschikking. Hij voorvoelde wel dat zijn legertje onder de voet zou worden gelopen en in overleg met zijn legerleiders, met name zijn broers, besloot hij het veld te omsingelen. De helft van de cavalerie en infanterie verschool zich aan de ene kant en de andere helft van de mannen zocht een schuilplaats aan de overzijde van het veld. De artillerie plaatste hij samen met de ‘hoornblazers’ op een heuvel zodat zij het hele veld konden bestrijken. Op een teken van hem zouden zij op hun trompetten blazen, zoals bij de bestorming van Jericho, en de Inca’s op het plein beschieten.

De Entree van de Inca Vorst.
De volgende middag om 12 uur verscheen de grote Goddelijke Leider Atahuallpa, in een draagstoel gedragen door 80 mannen en vooraf gegaan door 2000 man die zijn pad veegden en alle strootjes en andere ongerechtigheden verwijderden. Het houtwerk van de draagstoel was beslagen met goud en zilver, de vorst zat op een prachtig zadel en was eveneens gehuld in zilver en goud, met reusachtige smaragden als ambtsketen rond zijn nek en flonkerende juwelen in zijn gouden kroon. Het was een feest van schoonheid en kleur. Achter de draagstoel volgden nog twee rijk versierde stoelen met hooggeplaatste edelen en daarachter nog weer twee prachtig versierde hangmatten met belangrijke hovelingen. (De hangmat is ook een ontdekking van de Spanjaarden). Langzaam vulden duizenden Inca’s het terrein, allen in feestelijke kleurige gewaden, getooid met papagaai veren in bonte kleurenpracht, begeleid door tromgeroffel en gezang. In de kronieken omschreven als decadent en vrouwelijk.
Toen Atahuallpa geheel omringd was door zijn zingende en dansende onderdanen wenkte hij Pizarro naderbij. Echter niet Pizarro, maar de Dominicaner frater Vincente de Valverde wrong zich tussen de Inca’s naar voren met in zijn ene hand een groot kruis en in zijn andere de Bijbel. De frater begroette de Inca Koning namens de grote heldhaftige veldheer Francesco Pizarro in dienst van de Koning van Spanje en de wereld en namens de Paus, de vertegenwoordiger van God op aarde. Zwaaiend met de Bijbel verzocht hij hem omlaag te komen met zijn draagstoel opdat hij hem deelachtig kon maken van de Goddelijke boodschap. In een lange donderpreek sommeerde hij Atahuallpa zich te onderwerpen aan de Wetten van de Heer Jezus Christus en zijn legers in dienst te stellen van de Koning van Spanje. Hiermede zou hij voor zichzelf en zijn volk vrede, geluk en onsterfelijkheid verwerven omdat zij, net als de Christenen, na hun dood zouden verhuizen naar het Paradijs.
De Inca vorst zal er niet veel van hebben begrepen. Hij strekte zijn hand uit naar de Bijbel, in de veronderstelling dat het een geschenk was. De frater wilde het Boek hulpvaardig voor hem openen, maar kwam hierdoor te dicht bij en ontving een flinke mep voor deze vrijpostigheid. Toen het Atahuallpa na enige pogingen lukte om het Boek open te slaan zag hij letters en plaatjes die hem niets zeiden. Hij liep rood aan van kwaadheid door de belediging en smeet het Boek meters weg in het zand. Verbijsterd raapte de priester zijn Bijbel op en barstte daarna uit in een luide roep om vergelding van deze Godslastering. Hij riep alle aanwezige Christenen op om de ongelovige honden te straffen en maakte zoveel misbaar dat Pizarro wel moest reageren. De gouverneur stak zijn hand op, het afgesproken teken voor de artillerie.

De slachting.
Onder oorverdovend trompetgeschal werden de Inca’s op het plein neergemaaid. Vanaf de zijkanten stormden nu de ruiters naar voren met hun stalen zwaarden en lansen. De paarden droegen ratels aan hun benen wat voor een afschrikwekkend kabaal zorgde. De weerloze Inca’s die nog nooit paarden hadden gezien raakten in paniek en vertrapten elkaar om weg te komen. Ze werden meedogenloos achtervolgd door de cavalerie, terwijl de infanteristen zich met hun zwaarden een weg baanden richting de schreeuwende priester bij de draagstoel. Ze staken de dragers dood, maar steeds weer nieuwe Inca’s namen het over en hielden hun leider omhoog, totdat een groep cavaleristen met geweld de draagstoel omver reed zodat de Inca vorst in het zand viel, voor de voeten van Pizarro, die zich met zwaard en degen ook niet onbetuigd liet. Hij nam ter plekke de Inca vorst gevangen en tot zijn verbazing en die van zijn soldaten kwam geen enkele Inca hun leider te hulp. Als losgeld eiste Pizarro een enorme hoeveelheid goud die hem ook probleemloos de volgende dagen werd geleverd. De Inca’s vertrouwden erop dat na de betaling hun vorst zou worden vrijgelaten. Maar Pizarro doodde de naieve vorst alsnog en vertrok met al het goud dat de paarden konden dragen. Volgens de kronieken lagen er tenminste 7000 doden op het slagveld dat in feite een slachtveld was. Gewonden kropen kermend rond, zonder hun afgehakte ledematen. Een gruwelijk tafereel, dat echter door geen enkele schilder is vastgelegd.
Toen ik de beschrijvingen van de kroniekschrijvers las schaamde ik mij en voelde me schuldig. Je kunt het de conquistadores niet kwalijk nemen, zij deden hun werk voor Koning en Kerk in de overtuiging dat het goed was. Zelfs Isabella de Katholieke kun je deze genocide niet verwijten. De verovering van de ‘nieuwe wereld’ was (en is) een misdaad tegen de menselijkheid met als enige schuldige de Religie, die het legitimeerde.

Christian Oerlemans 2021.

De Container

Ruim twintig ton laadvermogen. Als je honderden containers opgestapeld ziet staan in een containerhaven lijkt het niet veel, maar als zo’n stalen kist in je voortuin staat kijk je er heel anders tegen aan.
“Waarom koop je geen container” zei Victor.
We waren op het eiland Bali, met vakantie eigenlijk. Victor waren we tegengekomen op het inwijdingsfeest van het huis dat vrienden hadden laten bouwen. Zo’n feest duurt de hele dag, dus tijd genoeg om mensen te leren kennen en leuke gesprekken te voeren. De poppenspeler trekt zich er niets van aan als mensen luidruchtig zijn voorstelling negeren, evenmin trouwens als de priester die zich op een hoog podium heeft gevestigd achter een door hulpjes opgetrokken altaar. Hij werkt onder alle omstandigheden stug door, zijn inwijdingsritueel is voor niemand van ons bestemd, uitsluitend voor de goden. Ondertussen lopen vele mooie en minder mooie vrouwen af en aan met allerhande eetwaar op hun hoofd en worden de kippen rondom het huis begraven.
s Middags al komt het eerste gamelan orkest en de danseressen ontplooien zich in subtiele houdingen als de schemering invalt. Feeëriek wordt het als de lampen aangaan. Ongekend, verbijsterend indringend, een feest van schoonheid voor de aanwezigen die zich tegoed doen aan de hapjes en de dranken.

Maar we hebben het over Victor. Hij is een ontspannen veertiger met een olijk staartje en rustgevende blauwe ogen. Hij woont al lang op Bali, waar hij getrouwd is met een dienstmeisje van zijn vader, die op z’n negentigste nog een enorm huis bouwde in Balinese stijl, een bijna geheel opengewerkt baldakijn op steile stammen van reuzen palmen die bruin glanzen alsof ze dagelijks in de was worden gezet. Het huis torent hoog, schijnt deels in de ruimte te hangen, met neerhangende bloeiende plantentuinen en stille vijvers met kleine fonteinen.
Victor woont er naast, een paar honderd meter verderop in een even kolossaal huis. Zijn huis is van origine een antiek Javaans huis dat hij in onderdelen hierheen heeft gebracht en heeft voorzien van modern comfort zoals een bijna decadente badruimte met verzonken ligbad – waarin zijn vrouw haar beide kinderen ter wereld heeft gebracht – en een keukenruimte die in een vijfsterren oosters hotel niet zou misstaan. Als bijzonderheid een reusachtige open haard op het terras, waarin Victor ’s avonds vuren stookt die zoveel hitte verspreiden dat de gasten eerbiedig op afstand blijven, evenals trouwens eventuele dieren en lastige insecten.
Victor woont niet in het huis van zijn ouders, omdat hij dit zijn vrouw niet aan wilde doen. Voor haar zou de transformatie van dienstmeisje tot vrouw des huizes op die plek te zwaar zijn geweest. Zij is overigens ook als vrouw des huizes de bescheidenheid en zorgzaamheid zelve gebleven en mengt zich niet in een gesprek tenzij daartoe uitdrukkelijk uitgenodigd.
“Koop gewoon een 20voet container” zei Victor op die avond bij het vuur, terwijl we genoten van de heerlijke maaltijd die zijn kok bereid had en die door aardige oosterse dames werd geserveerd.
“Je kunt hier prachtige meubelen kopen, koloniaal antiek, en natuursteen voor je vloeren. Ook de apparatuur voor bijvoorbeeld je keuken of badkamer is hier goedkoper dan in Europa.”
We hadden Victor inmiddels verteld van onze plannen om in Portugal een huis te bouwen. Hij werd meteen enthousiast, merkte op dat hij voor een vriend in Spanje ook al eens bouwmaterialen had verzorgd vanuit Bali. Hij kende alle goede adressen voor meubelen en natuursteen en zou ons met plezier een rondleiding geven. We dronken nog meer wijn en nadat ik mijn architecturale ideeën had ontvouwd, zaten we beiden al gauw met potlood en papier te schetsen. Je moest tenslotte wel weten hoe en wat je ging bouwen, voordat je de bouwmaterialen ging bekijken.

Een paar dagen later bezochten we natuursteenhandelaren die op grote terreinen ongekende hoeveelheden steen hadden opgeslagen, steen bovendien die je in onze streken niettegenkomt, zoals heldergroen graniet en dofzwartgrijs lavasteen. “Mooi op de terrassen” zei Victor, “het is stroef aan de voeten, goed warmte geleidend en rustig aan de ogen, vooral met die felle zon erop”. We konden het ter plekke beamen en toen ontstond mijn idee om met de rustgevende warmte geleidende terrassen het water van mijn zwembad te verwarmen, daarmee tegelijkertijd verkoeling te geven aan blote voeten waarop we immers vaak zouden lopen in het zonnige Portugal. Een duurzaam en praktisch idee tegelijkertijd (overigens ook uitgevoerd). We kochten dus een flinke partij lavasteen nadat ik snel op een kleine bloknoot had uitgerekend hoeveel vierkante meters terras we zouden gaan bouwen. “En wat dacht je van een groen granieten zwembad eh?” Victor legde de vierkante 15×15 cm tegels voor ons uit. De gladde kant boven, natuurlijk. De achterkant was ruw en rotsig, dat is heel goed legde de steenman uit, omdat we deze tegels met de ruwe kant in het natte cement zouden plakken, zo bouwde men zwembaden. Victor beaamde dit. We kochten dus een grote partij groene granieten tegels, aan één kant glad en aan de andere kant lekker ruw voor houvast in het natte cement. Goed idee. Niet te weinig kopen want als je tekort komt kun je niet vlug even een paar tegeltjes bijkopen. Dus rekende ik snel weer op mijn bloknoot uit hoeveel vierkante meter een flink zwembad ging worden. We bestelden 25% meer voor de zekerheid en dat bleek later maar goed ook want het overloopbad voor de waterverwarming dat oorspronkelijk zwart zou worden, met lavasteen, is uiteindelijk toch net zo groen geworden als het zwembad, vanuit esthetische overwegingen.
Bij de steenman zagen we ook prachtige getrommelde marmeren plavuisjes. En waskommen uit één stuk marmer gemaakt. Willemine wilde toen ook het aldaar tentoongestelde tweepersoons marmeren bad hebben, eveneens uit één blok steen gehouwen, maar dat kon ik gelukkig uit haar hoofd praten. Zo’n container moet je vullen met nùttige zaken nietwaar. We kochten dus vloeren in getrommeld marmer en in gepolijst marmer van een prachtige lichte olijfkleur (past goed in Portugal!) met leuke ingesloten dierskeletjes er in. Ik rekende snel de vierkante meters uit en Victor het gewicht, want we mochten niet meer dan 24 ton laden.
Daarna ging het naar de meubelhallen, of liever gezegd, naar Victor’s favoriete meubelhal die ongeveer de omvang had van IKEA, maar dan met andere meubelen erin natuurlijk. Twee soorten meubelen: echte antieke en nagemaakte antieke van wel echt oud hout. In de bijna onoverzichtelijke meubelmakerij werkten vele half blote mannen; zij wisten het weerbarstige oude teakhout dat in uiteenlopende vormen op grote stapels lag opgetast, weer in fraaie elegante meubelstukken te verwerken. Je kon het verschil niet zien tussen bijvoorbeeld een echte antieke teakhouten bank en een onechte antieke teakhouten bank. Maar gelukkig kon Victor het wel zien en wist hij zeker dat deze bevriende relatie hem niet voor de gek zou houden. We kochten dus banken, grote en kleine en zelfs een héél grote, een opiumbed eigenlijk, maar dat ontdekten we eigenlijk pas weer drie jaar later toen de container werd uitgepakt. Enfin, tafels, stoelen, kasten en kastjes, alles van teak, met mooi houtsnijwerk en soms beschilderd in vale kleuren, en allemaal heel voordelig dus we zeiden al gauw elke keer ja. Voor die prijs kon je het niet laten staan. Ook kochten we koloniale teakhouten deuren van meer dan honderd jaar oud. De grootste had een hoogte, inclusief het raamwerk met smeedijzeren bovenlicht, van driemetertachtig terwijl de kleinste slechts tweemetertachtig haalde. Later konden we deze afmetingen niet geloven; het betekende een enorm ingewikkelde bouwwijze waarbij de betonnen fundering moest worden aangepast met leggers op vier meter hoogte en een vide in plaats van een etage. Dat soort dingen. Maar daar dachten wij niet aan tijdens de aankoop. De deuren waren prachtig en origineel (en dat zijn ze ook). Voorts kochten we nog gekke dingen zoals een origineel Awari-spel (in ‘t Arabisch “mankalah”, op Java het “dakonspel”) dat gemeenlijk “kuiltje-kiezel-spel” wordt genoemd, uitgehakt uit een oude boomstronk. Later bij de glaswinkel – die we zelf hadden gevonden – hebben we ook nog grote glazen schalen en vazen aangeschaft die in de container cardanisch bleken te zijn opgehangen in houten kratten. Over de verpakking van de goederen overigens niets dan goeds. Dat kunnen ze daar in Bali!
Enfin, wij zetten onze handtekening onder al die lijsten met goederen, later ook nog smeedijzeren tafels met geslepen glazen tafelbladen en zeer fraaie Ikad wandkleden en bijzonder grote schelpen en marmeren beelden en.. het was net sinterklaas toen die container een paar jaar later werd uitgeladen en we al die stevig ingepakte goederen mochten uitpakken.
De mens vergeet snel en de lijsten die we hadden ondertekend waren deels onleesbaar en deels onbegrijpelijk. Maar, we hielden ook na onze vakantie op Bali contact met Victor die alles regelde. We maakten geld over en later nog eens omdat de container na inladen nog erg leeg bleek te zijn; onderop lagen al die stenen, ongeveer een meter hoog en daar bovenop onze meubelen en nog heel veel lucht. Er konden nog wel wat meubelen bij en Victor wist een bevriende meubelmaker op Java die precies dezelfde stoelen en tafels kon maken als die we in zijn huis hadden gezien. Nou vooruit, een stoel en een tafel is nooit teveel dus we bestelden nog het een en ander erbij, vooral ronde tafels met roze marmeren bladen en zware teakhouten onderstellen en bijpassende teakhouten stoelen met en zonder leuningen.
Bijna een half jaar hoorden we daarna niets meer van Victor en hoewel hij bevriend was met onze vrienden begonnen we toch een beetje ongeduldig te worden. Mijn e-mails werden strakker van toon. Nog wel hoe gaat het met jou en Kemur en de kleintjes enzo, maar daarna meteen van hoe zit het met de container.
Victor bleek echter net zo betrouwbaar als het blauw van zijn ogen. Op een dag, na ongeveer een jaar, stond onze eigen container gevuld met onze eigen spullen klaar voor verzending per schip. Waarheen, dat was de vraag. Lissabon werd ons ten sterkste afgeraden, maar Cadiz leek mij ideaal. Met mijn eigen boot was ik er regelmatig geweest en ik had er honderden, nee wellicht duizenden containers op de kaden gezien onder de majestueus voortrijdende containerkranen. Cadiz moest het worden. Maar het werd Barcelona. Ik kreeg een mailtje van Victor: container onderweg naar Barcelona, neem contact op met een telefoonnummer in Madrid. Madrid? Ja Madrid. Hier bleek ik een soort scheepsbevrachtingskantoor aan de lijn te krijgen, waar men ook de douane perikelen voor mij ging regelen. Een aardige dame, laten we haar Maria noemen, legde mij uit dat een alleenstaande privé-container niet geliefd was in de havens en dat Cadiz daarom kansloos was. Barcelona was heus de dichtstbijzijnde optie. Maar, verzekerde ze mij, ik hoefde mij geen zorgen te maken want zij ging alles organiseren inclusief het vervoer van Barcelona naar Moncarapacho, dat achteraf duurder bleek dan de zeereis van Bali naar Barcelona.
Zo kwam het dat ik op een ochtend in augustus door Maria werd gebeld: container komt er aan. Ik was niet verbaasd omdat ik wist dat deze maand de container over de weg vervoerd ging worden, ruim duizend kilometer, dus dat ging wel een paar dagen duren. Ik was wel verbaasd te horen dat de chauffeur al voorbij Sevilla was en mij spoedig ging bellen. Zowat een uur later belde hij inderdaad, om de weg te vragen. Hij passeerde de brug over de Guadiana en wilde weten hoe mijn adres precies luidde. En of de hijskraan al klaar stond. Hijskraan? Ja, natuurlijk, om de container van de wagen te tillen en op mijn terrein neer te zetten. Sjee, dat was even schrikken! Hoe kwam ik aan een hijskraan? En mijn optrekje lag op een heuvel met eromheen 8000 meter land dat bereikbaar was via een verharde zandweg van pakweg drie meter breed. Enigszins paniekerig belde ik mijn vriend J die als bouwkundig HTSer in Zuid Portugal al jaren bouwprojecten begeleidt. “Een kraan eh? Ja, langs de N125 (dit is de weg die langs de hele zuidkust loopt, vroeger de hoofdverkeersader, ook wel dodenweg genoemd) zit een bedrijf dat bouwkranen verhuurt…”
Ik belde het opgegeven nummer en legde in mijn beste Portugees uit dat ik met een uurtje een grote kraan nodig had om een twintigvoets container van de wagen te hijsen. Dat was natuurlijk vragen om het onmogelijke. Die rijdende reuzenkranen halen maximaal 20 kilometer per uur en het bedrijf zat zo’n zestig kilometer bij mij vandaan. Maar, het goede nieuws, ze hadden die dag wel een kraan beschikbaar.
Inmiddels had de containerchauffeur het dorp bereikt en stond bij de benzinepomp, zoals afgesproken. Mijn hemel, wat is zo’n containerwagen gigantisch in het decor van een nogal slaperig Portugees dorp. Ik schaamde mij een beetje, met mijn grote stalen doos op die enorme Spaanse truck in dat kleine dorp. Daar stond ik als buitenlander koloniaal te kijk op de stoep bij de markthal, in het zicht van de schamele terrassen waarop zondoorstoofde mannen hun bierflesjes even vergaten. Voor hun belangstellende ogen klom de chauffeur uit zijn cabine, alsof hij neerdaalde uit de hemel en schudde mij allerhartelijkst de hand. Ik was meteen getekend. De indringer met de container; wat zou erin zitten?
(Deze nieuwsgierigheid werd een jaartje later overigens bevredigd, toen de container op mijn land werd open gezaagd, ondanks 4 hangsloten. Niets gestolen. Mijn stenen en meubelen zullen wel een teleurstelling zijn geweest, want gewoonlijk bevatten containers kostbare machines, elektronica, televisieapparaten, laptops en dat soort handel).
Met mijn huurauto reed ik voor de container uit, die mij volgde als een grote brave hond tot aan het begin van zandweg, waar de chauffeur het gevaarte parkeerde om samen met mij te wachten op de kraanwagen. Ik belde de kraandrijver; en ja hij was onderweg Met een uurtje of twee, misschien iets meer, kon ik hem verwachten. Ondertussen liep het tegen lunchtijd, dus ik nodigde de chauffeur uit voor een maaltijd in ons plaatselijke restaurant. We spraken over koetjes en kalfjes, of specifieker gezegd, over vrouwen en wijn, de enige woorden Engels die hij trouwens sprak. Woman y Wine haha. Gelukkig was mijn Spaans toen nog niet verminkt door Portugese invloeden, en kon ik over zijn onderwerp, met behulp van wat gebarentaal, aardig meepraten. Kortom, anderhalf uur later reden we weer naar zijn truck aan het begin van de zandweg en de stemming was opperbest. Eindelijk na nog een klein uurtje met de oren gespitst wachten hoorden we een zwaar gerommel in de verte als van een naderend onweer. De Grua, meldde de chauffeur met opgestoken vinger. Het gevaarte dat in de bocht van de weg zichtbaar werd, rommelde knarsend en bonkend als een boosaardige mastodont in onze richting. Sjonge, als die maar op de zandweg (Caminho de areia) zou passen!
Nou, hij paste precies, laat ik zeggen héél precies, terwijl de chauffeur, bedenkelijk kijkend, met de precisie van een chirurg zijn voertuig stapvoets vooruit dwong. Hij kroop over het weggetje, links en rechts hier en daar bomen snoeiend. Ik volgde. Daarachter de truck met container. Zo’n optocht had dit weggetje nimmer meegemaakt, ontworpen als het was voor de ezelwagens. De Grua stopte na een paar honderd meter, halverwege het hek rond mijn terrein, op een redelijk vlak stuk. Achter mij stond de containerwagen op een splitsing met een andere zandweg en tot mijn verrassing begon de chauffeur al scharend en manoeuvrerend de verkeerde weg in te draaien. De man van de Grua gebaarde naar mij dat ik moest opduvelen met mijn huurautootje, dus ik parkeerde terzijde in het land van een buurman. Het bleek nu dat de containerwagen achteruit – inderdaad, achteruit – de rest van het bochtige traject ging afleggen tot nabij de Grua. Meerdere Johannesbroodbomen werden nu gesnoeid en ik begon respect te krijgen voor de rijkunsten van deze chauffeur. Uiteindelijk stonden Grua en truck dicht tegen elkaar geparkeerd naast het hek rond mijn land. Enige mogelijkheid, legde de kraandrijver uit, om de container langs de telefoondraden en onder de elektriciteitsdraden door rond te zwaaien en over het hek te tillen op deze plek van mijn land. Enig mogelijke plek, honderden meters verwijderd van het te verbouwen huisje op de top van de heuvel. Het werd een circusnummer met de containerman bovenop de zwevende container balancerend terwijl de Gruaman het ding centimeter voor centimeter omhoog-omlaag-opzij-naar-voren-en-naar-achteren stuurde met zijn joysticks.
Op een warme dag in Augustus stonden mijn natuurstenen en mijn meubelen uit Bali ineens wat misplaatst op een Portugees stukje land, vlak naast een oude amandelboom.
Een week later kwamen de twee Moldaviërs die ik had weten te regelen, om de voorraad graniet en marmer te bestemder plekke te brengen, omhoog dus, ruim honderd meter de heuvel op. (Waarom Moldaviërs? Omdat deze mensen in Portugal in de bouw hetzelfde per dag verdienen als een professor in hun eigen land per maand. Bovendien pikken ze de taal snel op. Ik heb een tijdje een professor geologie aan het werk gehad, die blijmoedig in de brandende zon stenen muurtjes bouwde…)
Intussen was ik zo slim geweest om een mooie gele kruiwagen te kopen, die door de oudste werker meteen werd geconfisceerd. De ander moest het doen met het roestige vehikel dat bij de aankoop van het huisje was meegekomen, met lege band. Bij de drogaria – een zaak in bouwmaterialen, gereedschappen, schoonmaakmiddelen, verf en wat meer nog denkbaar is – kocht ik een fietspomp zodat ook de jongere werker een bruikbare kruiwagen had. Een week lang hebben de beide mannen, in het heetst van augustus heen en weer gereden met hun kruiwagens. Vol heen, leeg terug. Dagelijks van acht tot achttien uur, met een uurtje schaften van twaalf tot één. Dit zijn de normale werktijden hier in de bouw. Het leek wel sisyfusarbeid, de voorraad vierkante meters stenen scheen de eerste dagen nauwelijks te slinken. In het droge gras ontstond al spoedig een konijnenpaadje, beetje zigzag omhoog, waarover de kruiwagens werden voortgeduwd. Als ik dit konijnenpaadje zonder iets in mijn handen één keer op en neer was gelopen, moest ik al even zitten om bij te komen. Enfin, uiteindelijk stond er bovenop de heuvel, vlakbij het oude huisje, een metershoge vracht marmer en graniet, de kartonnen doosjes keurig opgestapeld en afgedekt met een plastic zeil, dat overigens na een jaar geheel verteerd bleek.
Twee jaar later, in september 2009, was al het natuursteen verwerkt in een groot huis met granietgroen zwembad en een koloniale teakhouten voordeur van driemetertachtig hoog.
Monte das Figueiras.

Monte das Figueiras

Het Paard.

Het Paard.

Het paard en de mens leven al heel lang samen. Er was een tijd waarin vrijwel niets volbracht kon worden zonder paard. Er was zelfs een tijd dat vroege milieuactivisten zich zorgen maakten over de vervuiling door paardenstront.
Goed, het paard dus.
Iedereen weet wat dit voor een soort dier is. Je kunt erop zitten, je kunt het laten trekken of hardlopen, laten springen of dansen, kortom het is een multifunctioneel zoogdier, zowel voor werk als hobby.
Het Paard echter bestaat niet. Er zijn allerlei soorten paarden, van Przewalski tot Arabier, er zijn ponies, dwergpaarden, oorlogspaarden, trekpaarden stamboekpaarden, Friese paarden, Belgische paarden en cowboypaarden, en ga maar door. Ik ben geen paardenkenner, hoewel ik op verschillende soorten heb mogen rijden, zelfs op een Arabier(paard) in rengalop over het strand van Tunesië, maar dit terzijde.
Als we over het paard spreken denken we te weten wat we bedoelen. Gewoon een paard. Zwart paard, wit paard, klein paard, stom paard, luxepaard… Allemaal voortgekomen uit het enige originele paard, laten we zeggen ‘Startpaard’van de paardenevolutie. We weten daar wel iets van; een diertje met het formaat van een kleine hond, drie tenen voor en tien tenen achter… Dit startpaard leefde ruim 50 miloen jaar geleden tijdens het eoceen in de bossen van Noord Amerika. Maar, de bossen verdwenen en werden steppen en het paardje raakte z’n tenen kwijt en moest z’n dieet wijzigen. Huidige paardachtigen (eques)leven op de steppen en eten gras, dat overigens pas 20 miljoen jaar terug in het Mioceen begon te groeien. Het paard is geëvolueerd tot hervivoor en hoefdier mrt snelle benen om de wolven op de steppen te ontlopen. De familie omvat tevens ezels, halfezels en zebra’s, een soort witte paarden met zwarte strepen.
Wat zo aardig is van die paardachtigen; ze discrimineren niet. Zet een racepaard met een dwergpaard in de wei en ze zijn meteen vrienden. Geldt ook voor een Arabier en een Belg. Paardachtigen zien er ook geen been in om de liefde te bedrijven met welk soort paar dan ook, al is het een ezelin.
Paardachtigen zijn kuddedieren, net als mensachtigen. Onze sterke verbondnheid vinden we terug in het dagelijks leven, in begrippen als paardenmiddel, paardengebit, paardenmop, paardenvlieg, paardenstaart en nog honderd andere. En we wedden op het verkeerde, spannen het achter de wagen en houden van de pk’s.
Ja, het paard is een van de oudste gedomesticeerde dieren. We leefden al met paarden zo’n 6000 jaar geleden,inderdaad, vrijwel tegelijkertijd met het ontstaan van de aarde en de mens. Hoewel dit niet zeker is. Want de evolutie van het paard begint eerder, ruim 50 miljoen jaar geleden, in Noord Amerika. Toen waren er nog geen mensachtigen, ook geen indianen die later zo verwant raakten met paarden. Maar wie ligt wakker van getallen. Het paard stierf in Amerika al uit voordat het daar bekend was, zo’n 8000 jaar geleden en de indianen kregen hun paarden pas in de 15e eeuw, van de Spanjaarden. Ik wil dus niet te diep ingaan op de ontstaangeschiedenis van paarden en mensen.
De eerst bekende mens, of dit nu Adam was of Lucy, werd bevriend met het paard vele duizenden jaren geleden. Dat is zeker. Maar in al die duizenden jaren hebben we niks geleerd van het paard. Zet een groep paarden op een veldje en ze worden vrienden, zet een groep mensen op een veldje en ze protesteren, maken ruzie en verwerpen elke andere kudde dan hun eigen kudde.
Niet toevallig schrijf ik dit tijdens de ‘stemming’ voor de volksvertegenwoordiging, waarbij alleen al in Nederland 37 kuddes het niet met elkaar eens zijn. Het was misschien handiger geweest als de paardachtigen hun hersens verder hadden ontikkeld, inplaats van de mensachtigen.

17 maart 2021
Christian

De derde golf

De derde golf.

De derde golf
stuwt waanzin
door de straten
onbegrip klatert
domheid stijgt
tot aan de lippen
wie heeft toch
de kraan geopend
waaruit onzin
om de oren bruist

De derde golf
onfrisse gedachten
van kroonjuweel
tot kroonslijmbal
opgesloten opgefokt
help we verzuipen
in ons eigen gif
zie de zondvloed
die ons reinigt
digitale zuiverheid

De derde golf
onverwacht verraderlijk
slikken of stikken
terwijl het dansfeest
door kan gaan
hoor je geldmachines
prettig pompen
en golft dit tranendal
vol braaksel van
gestoorde gelovigen.

Maart 2021

Toekomst

Over toekomst wil ik niet
denken althans niet lang
al denkend wordt het minder
en minder maakt me bang

Ooit had ik nog heel veel
het kon niet op ik dacht
er niet bij na en leefde
ruimschoots dag en nacht

In mijn verleden was genoeg
toekomst voor het grijpen
ik danste dagelijks vooruit
alles danste naar mijn pijpen

In het heden rest nog slechts
een verleden van gedachten
vooruit kijkend is er niets
of heel weinig te verwachten

Je hebt je kansen al gehad
tijd was toen nog niet te kort
je kon je dromen bouwen
zonder zorgen op je bord

Ik weet het allemaal wel
ben oud maar niet dement
mijn toekomst is herinnering
kan niet zeggen dat het went.

Heilig vuur vraagt geen brandweer.
Het dooft vanzelf.
Oktober 2020

Onderweg

Auto’s auto’s auto’s
auto’s om mij heen
waar gaat dat heen
laat de snel maar weg
autobaan langzaam aan
van a naar b en terug
met het zweet op je rug
te laat en onderweg
hopelijk geen pech
de lontjes zijn kort
passeren een sport
kofferbak kleven
gevaar voor je leven
laat mij er even
tussen idiote drijver
je pik wordt zeker stijver
in je kleine kutmobiel
zeker net je rijbewijs
ben je niet goed wijs
auto’s auto’s auto’s
gladde paardenkrachten
die vervuiling brachten
waar is geluk gebleven
toeren langs de dreven
wuiven naar het leven
komt nooit weer terug
zweet op je rug
als je eraan denkt
waar dit ons brengt
vervoer vervuilt
de wereld huilt
geen vooruitgang wenkt
langs deze weg
verkeer verkeerd
de stress van de tech
nooit iets geleerd.

Christian
september 2020

Die jongen

Ik zou willen vluchten
uit mijzelf
weg uit dat pijnlijke lijf
dat niet vooruit wil
em mij tegenwerkt
in dagelijks doen.
Ik zou weer de gezonde
jongen willen zijn
en met jou dansen
op een plein ver weg
en samen klimmen
over hoge bergen
waarachter leven licht is
o mag ik weer
die jongen zijn
betoverd door jouw
lichtvoetigheid en
lieve lach voor
dag en nacht.

Mei 2020 – Christian